Bijbelcursus Les 10

Deel 10A: De wereld van het Oude Testament

In de komende vijf delen gaan we nader in op het Oude Testament. dit deel is een inleiding daarop: er wordt een beeld gegeven van het land en het volk Israël in de tijd van het Oude Testament. We beginnen met een overzicht van de geschiedenis van Israël; daarna wordt iets verteld over het land zelf en de leefgewoonten van het volk.

De geschiedenis van Israël

De geschiedenis van Israël die in het Oude Testament beschreven wordt, bestrijkt een periode van bijna tweeduizend jaar. We kunnen de geschiedenis in een aantal periodes onderscheiden.

  1. Volk zonder land (± 1928-1423 voor Christus)
    (Deel 5B-9B, Genesis 12-50)).
    Abraham, Isaak en Jakob en zijn zonen wonen wel in het land Kanaän, maar krijgen het land niet in bezit . Wanneer er in Kanaän hongersnood uitbreekt, verhuizen Jakob en zijn zonen op voorstel van Jozef naar Egypte. Daar wonen Jakobs nakomelingen – de Israëlieten – zo’n vierhonderd jaar.
  2. Slavernij en bevrijding (± 1423-1383 voor Christus)
    (Deel 9B-11B, Exodus – Deuteronomium, zie kaart 4 in Wegwijzer).
    Op een gegeven moment breekt er in Egypte een zware periode aan voor de Israëlieten: ze worden tot slaven gemaakt. Maar God bevrijdt zijn volk uit Egypte en brengt het naar Kanaän. Tijdens de reis naar Kanaän sluit God een verbond met het volk, en geeft Hij Israël de tien geboden en andere regels.
  3. De strijd om het land Kanaän (± 1383-1331 voor Christus)
    (Deel 11B, Jozua, zie kaart 5 in Wegwijzer).
    Wanneer het volk Kanaän is binnengetrokken, wordt het land onder leiding van Jozua veroverd en verdeeld onder de Israëlieten. De Israëlieten krijgen de opdracht de nog overgebleven Kanaänieten uit het land te verjagen.
  4. De tijd van de richters (± 1331-1030 voor Christus)
    (Deel 11B, Richteren-1 Samuel 7).
    De Israëlieten verjagen de overgebleven Kanaänieten niet. Ze laten hen in Kanaän wonen en nemen zelfs hun godsdienst over: veel Israëlieten gaan de god Baäl vereren. De straf van God blijft niet uit: het land wordt voortdurend door naburige volken aangevallen. Wanneer de Israëlieten terugkeren tot God, geeft Hij redding. Hij zorgt voor mannen die het volk leiding geven in de strijd tegen de vijanden. Deze mannen worden richters genoemd.
  5. De eerste koningen (± 1030-930 voor Christus)
    (Deel 12B, 1 Samuel 8-1 Koningen 11).
    De Israëlieten krijgen op hun eigen verzoek een koning. De regeringsperiode van de eerste koning, Saul, loopt uit op een teleurstelling. Onder leiding van zijn opvolger David worden veel vijandige volken verslagen: de Filistijnen, Edomieten, Moabieten, Ammonieten en Syriërs. Israël wordt door deze overwinningen een rijk en heel machtig volk. Het land krijgt een hoofdstad: Jeruzalem. Koning David laat er een groot paleis bouwen; zijn zoon Salomo zorgt ervoor dat er in Jeruzalem een tempel voor God wordt gebouwd. Deze tijd is een bloeitijd voor Israël.
  6. Israël valt uiteen (± 930-586 voor Christus)
    (Deel 13B, 1 Koningen 12-2 Koningen, zie kaart 6 in Wegwijzer).
    Na de door van Salomo valt het rijk uiteen in twee delen. In het noorden ontstaat het tienstammenrijk. Dit rijk dat Israël blijft heten, wordt in de boeken van de profeten ook wel Efraïm genoemd. In het zuiden ontstaat het tweestammenrijk, dat de naam Juda krijgt. Over deze twee gebieden regeren verschillende koningen. Omdat zowel de inwoners van Israël als die van Juda God verlaten en zich niet willen bekeren, loopt het voor beide rijken uiteindelijk uit op Gods straf. De Israëlieten worden in ballingschap naar het land Assyrië gevoerd; de Judeeërs worden ruim een eeuw later naar Babylonië gebracht (zie kaart 7 in Wegwijzer).
  7. De tijd van de ballingschap (± 586-536 voor Christus)
    (Deel 14B, Ezechiel – Daniel).
    Hoewel de Israëlieten gedwongen zijn in Assyrië en Babylonië te leven, betekent dat niet dat ze daar in concentratiekampen gevangen zitten. Ze bezitten eigen huizen en akkers en kunnen hun eigen leven leiden. Er is tot op zekere hoogte godsdienstvrijheid.
  8. De tijd van de terugkeer (vanaf 536 voor Christus)
    (Deel 14B, Ezra – Nehemia).
    Wanneer het Babylonische rijk ineenstort en de Perzen aan de macht komen, krijgen de Israëlieten toestemming om naar hun land terug te keren. Een aantal van hen grijpt die mogelijkheid aan. Maar velen die in Babylonië geboren zijn en het daar goed hebben, blijven er wonen. De teruggekeerde Israëlieten herstellen de tempel en herbouwen de stad Jeruzalem.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 12-50, Exodus – Deuteronomium, Jozua, Richteren – 1 Samuel 7, 1 Samuel 8 – 1 Koningen 11,1 Koningen 12 – 2 Koningen, Ezechiel- Daniel, Ezra – Nehemia

Omliggende volken

Wanneer we deze geschiedenis overzien, merken we dat Israël regelmatig in aanraking komt met andere landen en volken. De voornaamste van die volken zijn:

  • De Egyptenaren
    (zie kaart 3 in Wegwijzer).
    Zij spelen een belangrijke rol in de begintijd van het volk Israël. De Egyptenaren – die Jakob en zijn zonen eerst gastvrij ontvingen en hun een eigen gebied gaven om te wonen – hebben de Israëlieten lange tijd onderdrukt.
  • De Filistijnen
    (zie kaart 6 in Wegwijzer)
    In de tijd van de richters heeft Israël veel onder dit volk te lijden. De Filistijnen, die in het zuidwesten van Kanaän wonen, vallen Israël regelmatig aan. In de tijd van koning David worden ze voorgoed verslagen.
  • De Arameeërs
    (zie kaart 6 in Wegwijzer).
    Ten noordoosten van Kanaän, in het gebied dat later Syrië wordt genoemd, wonen de Arameeërs. Zij vormen een bedreiging voor Israël in de tijd van de koningen. Een belangrijke Aramese stad is Damascus.
  • De Assyriërs
    (zie kaart 7 in Wegwijzer).
    In de tijd van de koningen is Assyrië een wereldrijk. De Assyriërs, die in het noorden van het tegenwoordige Irak, ten westen van de rivier de Tigris wonen, voeren het tienstammenrijk weg naar Assur.
  • De Babyloniërs
    (zie kaart 7 in Wegwijzer).
    De Babyloniërs wonen aan de benedenloop van de rivieren de Eufraat en de Tigris. zij vormen in de zevende en zesde eeuw voor Christus een wereldmacht. Ze voeren het tweestammenrijk uit Kanaän weg naar Babel.
  • De Perzen
    Het rijk van de Babyloniërs wordt op een gegeven moment veroverd door het Perzische rijk. De Perzen geven de Israëlieten toestemming om terug te keren naar hun eigen land. Tot zover de geschiedenis zoals die in het Oude Testament beschreven wordt. We kijken nu naar het land dat Israël van God gekregen heeft.

Het land

Het land Kanaän of Israël is een klein, langgerekt land tussen de Middellandse Zee in het westen en de Syrisch-Arabische woestijn in het oosten (zie kaart 6 in Wegwijzer). Het bestaat uit vier verschillende landstroken die van noord naar zuid lopen:

  1. De kustvlakte langs de Middellandse Zee.
  2. Een lange, smalle bergrug, die daarnaast ligt.
  3. Het Jordaandal, met in het noorden het meer van Galilea en in het zuiden de Dode Zee.
  4. Het bergland ten oosten van de rivier de Jordaan.

Het klimaat in Israël is min of meer subtropisch: het land kent droge, warme zomers en natte, koele winters. De kuststrook wordt in de zomer voor uitdroging bewaard door de dauw die iedere nacht het land bevochtigt. Meer landinwaarts, in het zuidoosten, gaat het land over in woestijngebied.
Israël heeft een strategische ligging. Er liepen belangrijke handelsroutes door het land, bijvoorbeeld die van Egypte naar Mesopotamië. Dat is ook de reden waarom Egypte het land eeuwenlang heeft overheerst.
Voordat de Israëlieten het land Kanaän in bezit kregen, werd het land door allerlei verschillende volken bewoond: naast de Kanaänieten en de Amorieten – de machtigste bevolkingsgroepen – woonden er de Feresieten, Jebusieten, Kenieten en de Filistijnen. De leden van deze volken woonden in kleine stadsstaten bij elkaar. Hoewel deze staatjes onder Egyptisch gezag stonden, waren ze eigenlijk zelfstandig.
De volken die in deze tijd Kanaän bewoonden, vereerden verschillende goden. Belangrijk was vooral de god Baäl, die voor de vruchtbaarheid zou zorgen. Ook de vruchtbaarheidsgodin Astarte werd door veel mensen vereerd.

De steden

Israëlitische steden waren over het algemeen ommuurd. De muur gaf de bewoners van de stad een gevoel van veiligheid. ‘s Avonds, wanneer de poorten van de stad gesloten werden, kon er niemand meer in of uit. Vijanden of wilde dieren kregen zo geen gelegenheid om de stad binnen te dringen. Bovendien hield de muur het kleinvee binnen de stad. De meeste steden waren gebouwd op een heuvel, waardoor de kans op inname van de stad nog verder verkleind werd.
Belangrijk in de stad was de stadspoort. De poort vormde het hart van de stad. Iedereen kwam er overdag meerdere malen doorheen: de mannen wanneer ze naar hun akkers of wijngaarden gingen, de vrouwen wanneer ze water gingen halen uit een nabijgelegen bron.
Bij de poort werd markt gehouden. Sommige ambachtslieden oefenden er hun beroep uit. Maar de poort was ook de plaats waar rechtszittingen plaatsvonden. Wanneer iemand bijvoorbeeld onenigheid had met zijn buurman, kon hij naar de poort gaan. Daar zaten de ‘oudsten’, de familiehoofden. Zij traden in die tijd op als rechters.

Landbouw en veeteelt

Israël was een agrarisch volk. Na verdeling van het land had iedere familie een stuk grond toegewezen gekregen (Jozua 14-19). Op die grond verbouwden ze vooral granen, peulvruchten, olijven en vlas. Veel mensen hadden ook een wijngaard.
Naast landbouw was er ook veeteelt. In de gebieden die niet geschikt waren voor landbouw, werden schapen en geiten geweid. Ze werden gehouden om hun melk, wol en vlees. Na de oogst werden de dieren de akkers opgedreven: het was de bedoeling dat ze de stoppels wegvraten en tegelijk het land bemestten. Behalve geiten en schapen waren er ezels, die als lasten rijdieren werden gebruikt. Rijke Israëlieten hielden er soms runderen op na. De runderen deden dienst als trekdieren: ze konden goede diensten bewijzen bij het ploegen van de akkers.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Jozua 14-19

Het familieleven

Vooral in de tijd voordat de Israëlieten in Kanaän woonden, was het familieverband erg belangrijk. Vaak bleef een zoon na zijn huwelijk bij zijn ouders inwonen: zijn vrouw werd gewoon aan het gezin toegevoegd. Ook knechten en inwonende vreemdelingen hoorden bij de familie. De sterke familieband was van groot belang. Familieleden boden elkaar bescherming en hulp.
Toen de Israëlieten in Kanaän woonden, werd de bescherming die het familieverband bood, minder belangrijk. Men ging toen meer in gezinsverband leven. In Israël was de man het hoofd van het gezin. Hij had het gezag. De vrouw had een ondergeschikte positie, al was die positie – zeker voor die tijd – niet slecht. Sommige mannen hadden twee of meer vrouwen (Spreuken 31:10-31). Van koning Salomo is zelfs bekend dat hij een enorme harem had (1 Koningen1:11-10). Verreweg de meeste mannen hadden echter één vrouw, zoals God dat ook bedoeld heeft.

Huwelijken werden geregeld door de ouders. Dat gebeurde vaak als de kinderen nog erg jong waren. Er werd ook jong getrouwd. Het kwam zelfs voor dat meisjes al op twaalfjarige leeftijd en jongens op hun dertiende jaar trouwden. Hoewel het meestal zo was dat de ouders een partner voor hun zoon of dochter uitkozen, werden ook wel huwelijken uit liefde gesloten. Maar ook huwelijken die door de wederzijdse ouders geregeld waren, konden zeer gelukkig zijn (Genesis 24:67).

Kinderen waren erg belangrijk voor de Israëliet. Vooral zonen (Psalm 127:4-5). Zij konden hun vader helpen bij het werk, ze konden de familienaam in stand houden en ze zouden het familiebezit erven (Deuteronomium 25:5-10). Kinderen waren ook belangrijk omdat ze voor hun ouders konden zorgen, wanneer die te oud waren geworden om te kunnen werken. Een heel speciale reden om een familienaam in stand te houden, was dat er dan iemand van de familie aanwezig zou zijn als de beloofde redder op aarde kwam.
Kinderen werden de eerste jaren vooral door hun moeder opgevoed, maar de jongens kwamen al vroeg onder het gezag van hun vader. Ze moesten hun vader helpen bij het werk op de akker of in de wijngaard, ze hoedden zijn schapen of hielpen hem in de werkplaats.
De vader had de belangrijke taak om zijn zonen te onderwijzen. Een vader leerde zijn zoon de geschiedenis van Israël kennen en hij gaf hem godsdienstles. Hij vertelde hem over God: over alles wat Hij gedaan en gezegd had, en over de wetten die Hij aan Israël gegeven had. Er is natuurlijk nog veel meer te vertellen over het dagelijks leven en de gebruiken van de Israëlieten in de tijd van het Oude Testament. Maar in verband met de beschikbare ruimte, moeten we het bij een eerste kennismaking laten.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Spreuken 31:10-31, 1 Koningen1:11-10, Genesis 24:67, Psalm 127:4-5, Deuteronomium 25:5-10

Filmpje: Joods gezinsleven in de 21e eeuw

Vragen

  1. Hebben de Israëlieten zelfde hun steden gebouwd in het land Kanaän? Motiveer je antwoord.
  2. De delen 7B en 8B gaan over Isaak en Jakob.
    Welk voorbeeld van een huwelijk dat in dit deel gegeven is, komt overeen met het huwelijk van Isaak en Rebekka?
    En met welk voorbeeld dat van Jakob en Rachel?

 


Deel 10B: God bevrijdt zijn volk

Het volk Israël wordt in Egypte onderdrukt en met uitsterven bedreigd. Maar God zorgt voor een man die Israël uit Egypte moet halen en het naar Kanaän moet terugbrengen: Mozes. God geeft hem de opdracht om naar de farao te gaan en hem te vragen de Israëlieten vrij te laten (Exodus 3:10).

Mozes durft niet

Lezen: Exodus 4:1-17

Op alle mogelijke manieren probeert Mozes God ervan te overtuigen dat hij helemaal niet geschikt is voor zo’n zware taak. Eerst zegt hij dat de Israëlieten vast niet zullen geloven dat God aan hem verschenen is. God geeft Mozes dan een aantal mogelijkheden om te bewijzen dat hij door God gestuurd is. Een stok die verandert in een levende slang; Mozes hand die ineens bedekt is met een witte uitslag; water dat in bloed verandert – iedere Israëliet zal begrijpen dat Mozes zulke dingen niet uit zichzelf kan. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat God Mozes gestuurd heeft. Mozes blijft bezwaren houden: hij is geen goede spreker. Hij kan niet goed uit zijn woorden komen. God belooft: ‘Ik zal je helpen. Ik zal je de woorden in de mond geven.’
Nog durft Mozes het niet aan. God wordt boos over dit gebrek aan vertrouwen in Hem. Maar toch komt Hij Mozes nog een keer tegemoet. Mozes zal niet alleen hoeven te gaan. Zijn broer Aäron, een welbespraakt man, is al op weg naar hem toe. Hij zal Mozes’ woordvoerder zijn. De verhouding tussen Aäron en Mozes zal zijn als de verhouding van een profeet tot God: zoals een profeet spreekt namens God, zal Aäron spreken namens Mozes.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 4:1-17

God straft de Egyptenaren

(Exodus 7-10)

Uiteindelijk gaat Mozes samen met zijn broer Aäron naar de farao (Exodus 5:1-2). Hij vraagt hem het volk vrij te laten. Maar de farao weigert zijn goedkope arbeidskrachten te laten gaan. Hij heeft geen enkel ontzag voor de God van zijn slaven. Hij verzwaart de arbeid (Exodus 5:6-11).
Maar God dwingt de farao de Israëlieten te laten gaan. Hij laat de ene na de andere straf over de Egyptenaren komen. Hij maakt ze duidelijk dat er met Hem niet te spotten valt. Uit de opschriften boven Exodus 7-11 blijkt al wel hoeveel er moet gebeuren vóór de farao toegeeft: God laat al het drinkwater in bloed veranderen; Hij zorgt voor een vreselijke kikkerplaag; hagel verwoest de hele oogst; sprinkhanen vreten alles kaal. Vaak belooft de farao tijdens een straf dat hij het volk zal laten gaan (Exodus 8:8,15). Maar zodra de straf voorbij is, trekt hij zijn beloften weer in.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 7-10, Exodus 5:1-2, Exodus 5:6-11, Exodus 8:8,15

Filmpje: Exodus – Gods and Kings

De tiende straf

(Exodus 11-13)

Tenslotte kondigt God een tiende straf aan, die alle voorgaande overtreft: alle oudste jongens en alle eerstgeboren dieren zullen sterven (Exodus 11:4-5).
Mozes laat zijn volksgenoten weten wat God van plan is. En hij vertelt ze dat ze in de nacht waarin God deze straf uitvoert, Egypte eindelijk zullen kunnen verlaten. Dat is zo zeker dat ze het al van tevoren kunnen vieren. Op de avond voordat God de Egyptenaren straft, moeten alle Israëlieten het Pascha of paasfeest vieren.
Iedere familie moet op die avond een lammetje slachten (Exodus 12:3-13). Het vlees mogen de Israëlieten braden en opeten; met het bloed van het lam moeten ze de deurposten van hun huis rood verven. Wanneer God zijn straf zal uitvoeren, zal Hij ieder huis waarvan de deurposten roodgeverfd zijn, voorbijgaan. Daarom wordt het feest ook Pascha genoemd: het woord Pascha betekent voorbijgang.

Wat God heeft aangekondigd, gebeurt. In de nacht na het Pascha sterven alle oudste zonen en alle eerstgeboren dieren van de Egyptenaren. In ieder Egyptisch gezin heerst rouw. De Egyptenaren smeken de Israëlieten om te vertrekken. Ze geven ze zelfs allerlei kostbare sieraden mee om maar van hen af te zijn.
Tijdens de uittocht van die duizenden mensen laat God de Israëlieten merken dat ze niet alleen zijn (Exodus 13:21-22). Hijzelf gaat voor hen uit en wijst hen de weg. Ze merken dat aan een wolk die voor hen uitgaat. ‘s Nachts geeft die wolk licht: God schijnt hen zelfs bij in het donker.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 11-13, Exodus 11:4-5, Exodus 12:3-13, Exodus 13:21-22

De achtervolging

De farao heeft de Israëlieten gesmeekt weg te gaan. Maar op een gegeven moment slaat zijn stemming om. Hij begrijpt niet hoe hij het volk ooit toestemming heeft kunnen geven Egypte te verlaten. Hij zet met een leger de achtervolging in.
De Israëlieten komen in de val te zitten. Achter hen aan komen de Egyptische soldaten; voor hen is de Rietzee (zie kaart 4 in Wegwijzer). Ze kunnen geen kant meer op. Maar dan zorgt God ervoor dat midden in de zee een pad droogvalt. De Israëlieten lopen over het pad naar de overkant van de zee. Links en rechts van hen staat het water als een muur overeind. De Egyptenaren zetten met paarden en wagens de achtervolging in. Maar wanneer de Israëlieten aan de overkant zijn, laat God de zee weer terugstromen. Alle soldaten en paarden verdrinken in de zee.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 14:5-31

Op weg naar de Sinaï

De Israëlieten trekken niet rechtstreeks naar het land Kanaän (zie kaart 4 in Wegwijzer). Ze maken een omweg door de woestijn. Hun eerste reisdoel is namelijk het Sinaïgebergte, waar God met Mozes heeft gesproken.
Tijdens de twee maanden durende reis blijkt al snel dat de Israëlieten niet veel vertrouwen hebben in de God die hen bevrijd heeft (Exodus 16). Wanneer ze na twee weken geen brood en vlees meer hebben, zeggen ze tegen Mozes: ‘Had God ons maar in Egypte laten sterven! Daar hadden we genoeg te eten! Je hebt ons naar de woestijn gebracht om ons te laten verhongeren.’
Die avond laat God een zwerm vogels neerstrijken op de plaats waar de Israëlieten hun kamp hebben opgeslagen. De Israëlieten hebben het vlees waar ze zo naar verlangden. En de volgende ochtend is de grond in het kamp bedekt met een dunne, korrelige laag, die op rijp lijkt. Van deze korrels kunnen de Israëlieten brood bakken. Voortaan zorgt God er iedere morgen opnieuw voor dat deze korrels er liggen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 16

Jahwe verschijnt aan Israël

Lezen: Exodus 19

19:1 de Sinaïwoestijn: het gebied waarin de berg Sinaï ligt,

19:7 oudsten: de hoofden van de families. Zij traden op als vertegenwoordigers van het volk.

19:10 heiligen: hier: voorbereiden op een ontmoeting met God.

 

God had Mozes beloofd dat Hij Israël zou redden uit Egypte en dat het volk Hem bij de Sinaï zou eren (Exodus 3:12). God heeft zich aan die belofte gehouden. Wanneer Mozes de berg Sinaï terugziet, is hij in gezelschap van heel het volk Israël. Mozes beklimt de berg. God spreekt tot hem en Hij geeft hem een boodschap mee voor de Israëlieten. God brengt de Israëlieten in herinnering wat Hij voor hen gedaan heeft. Zoals een adelaar zijn jong op zijn vleugels neemt als het dreigt te vallen, zo heeft God Israël gered en voor Israël gezorgd. Wanneer de Israëlieten God gehoorzamen en trouw blijven aan zijn verbond, zal God hen beschouwen als zijn eigen volk. De Israëlieten zullen voor God gelden als priesters: ze zullen allemaal hun leven lang in dienst staan van God. Israël zal een heilig, een aan God toegewijd, volk zijn.
Mozes brengt Gods woorden over aan de Israëlieten. En de Israëlieten willen graag bij God horen. Ze antwoorden:’Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen.’

Nu God verklaard heeft Israël als zijn eigen volk te beschouwen, wil Hij ook aan de Israëlieten verschijnen. Hij zal neerdalen op de Sinaï. De Israëlieten moeten zich goed voorbereiden op Gods komst. Ze kunnen dat doen door hun kleren te wassen en door drie dagen lang af te zien van seksuele gemeenschap met hun man of vrouw.

De berg wordt afgezet, zodat niemand hem kan aanraken of beklimmen wanneer God verschijnt. Na drie dagen daalt God neer op de berg. De Israëlieten kunnen Hem niet zien. Maar datgene wat ze wel van Hem zien en horen, maakt hen vreselijk bang: bliksemschichten, donder, vuur, het geluid van een bazuin. De Sinaï is helemaal in rook gehuld en schudt op zijn grondvesten. Gods woorden klinken als donderslagen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 19, Exodus 3:12

De tien geboden

Lezen: Exodus 20:1-17

20:8 sabbat: de zevende dag van de week

20:16 vals getuigenis: een onware beschuldiging.

 

God spreekt tot de Israëlieten (Exodus 20:2). Hij zegt hun eerst wie Hij is: Jahwe, de God die hen uit Egypte bevrijd heeft. God herinnert de Israëlieten er dus aan hoeveel Hij van hen houdt; dat blijkt wel uit wat Hij voor hen gedaan heeft.
Daarna zegt God wat Hij van zijn volk verlangt. In tien grondregels zet Hij uiteen hoe de Israëlieten zich moeten gedragen tegenover Hem en tegenover elkaar. Door zich aan deze regels te houden, kunnen de Israëlieten laten zien dat ze God dankbaar zijn voor hun redding (zie deel 19C – 23C).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 20:1-17, Exodus 20:2

Filmpje: de tien geboden

Het verbond tussen God en Israël

Honderden jaren eerder had God met Abraham een verbond gesloten (Genesis 15). Deze verbintenis gold niet alleen voor Abraham zelf, maar ook voor al zijn nakomelingen (Genesis 17:7-8). Dat blijkt heel duidelijk wanneer God bij de Sinaï verklaart dat Israël zijn eigen volk is, en wanneer Hij aan Israël verschijnt. Maar God maakt Israël daarna ook op een andere manier duidelijk dat het bij Hem hoort: Hij sluit opnieuw een verbond. Met heel Israël (Exodus 24:1-8). Zodat het voor altijd duidelijk is dat al Abrahams nakomelingen aan God verbonden zijn.

Nadat het verbond tussen God en het volk gesloten is, beklimt Mozes de berg om daar met God te spreken (Exodus 24-30). God zegt tegen Mozes dat Hij bij zijn volk wil wonen (Exodus 25:8-9). De Israëlieten moeten een grote tent maken. In deze tent (of zoals meestal gezegd wordt: de tabernakel) zal God op een bijzondere manier aanwezig zijn. Mozes krijgt nauwkeurige voorschriften voor het vervaardigen van de tabernakel en van de voorwerpen die erin zullen komen te staan.
In de veertig dagen dat Mozes op de berg is, vertelt God hem ook meer over de manier waarop de Israëlieten Hem moeten dienen. God geeft bijvoorbeeld voorschriften met betrekking tot de offerdienst.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 15, Genesis 17:7-8, Exodus 24:1-8, Exodus 24-30, Exodus 25:8-9

De tent van God

Gods aanwijzingen voor de bouw en inrichting van de tent worden nauwkeurig opgevolgd. Heel het volk werkt mee. Iedereen draagt dingen aan: goud, zilver, geitenvellen, blauwe, paarse en rode wol, lampolie, hout of edelstenen. Vrouwen spinnen wol en geitenhaar; twee kunstenaars maken kleden met ingeweven engelfiguren.
Als de tabernakel klaar is, ziet hij er prachtig uit. Maar de meeste mensen zullen hem nooit van binnen zien. Alleen Aäron en zijn zoons, die door God worden aangesteld tot zijn priesters, mogen er binnenkomen.

Er zijn ook voorwerpen gemaakt die bij of in de tabernakel moeten staan (zie het schema bij kaart 4 in Wegwijzer). Deze voorwerpen zeggen allemaal iets over de verhouding tussen God en zijn volk. Zo staat er op het plein voor de tabernakel onder andere een brandofferaltaar (Exodus 38:1-7). Iedere dag moeten de priesters op dit altaar dieren offeren. Een teken van het feit dat het alleen goed kan zijn tussen God en de mensen wanneer er bloed wordt vergoten (zie Deel 9A).

De tent is verdeeld in twee gedeelten. Het grootste gedeelte wordt ‘het Heilige’ genoemd. In dit gedeelte, waarin de priesters hun werk doen, staat onder meer een gouden kandelaar met zeven armen (Exodus 37:17-24). De priesters zorgen ervoor dat de zeven lampen van deze kandelaar dag en nacht branden. Het licht dat de kandelaar verspreidt, is een teken van Gods aanwezigheid. God kennen wordt in de bijbel vaak vergeleken met leven in het licht (1Johannes 1:5-7).
In het Heilige staat ook een verguld wierookaltaar (Exodus 37:25-28). Op dit altaar wordt twee maal per dag wierook verbrand. Het is een teken van het gebed (Openbaring 5:8). Zoals de rook van de wierook opstijgt naar de hemel, stijgen de gebeden van de Israëlieten op naar God.

Een klein deel van de tabernakel is door middel van een kleed van het Heilige afgescheiden. Dit gedeelte wordt ‘het Allerheiligste’ of ‘het Heilige der Heiligen’ genoemd. In dit gedeelte mogen de priesters niet komen. Het is de woonplaats van God.
In het Allerheiligste staat de ark: een met goud overtrokken kist met een massief gouden deksel (Exodus 37:1-9). In deze kist liggen twee stenen platen die God aan Mozes gegeven heeft. God zelf heeft op die platen de tien geboden geschreven. De ark is het teken van Gods aanwezigheid (1 Kronieken 28:2). God beschouwt de ark als de voetenbank van de troon waarop Hij zit.

Wanneer de tabernakel klaar is, zien de Israëlieten dat God er aanwezig is: de wolk die dag en nacht voor hen uit is gegaan, overdekt de tent (Exodus 40:34-38). Al zien de mensen God zelf niet, ze weten nu dat Hij de tabernakel als zijn huis wil beschouwen en dat Hij vlak bij hen wil wonen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 35-40, Exodus 38:1-7, Exodus 37:17-24, 1Johannes 1:5-7, Exodus 37:25-28, Openbaring 5:8, Exodus 37:1-9, 1 Kronieken 28:2, Exodus 40:34-38

Vragen

  1. God bevrijdt zijn volk:
    1. Hoe bereiden de Israëlieten zich voor op hun bevrijding?
    2. Waarom doen ze dat op die manier?
  2. Hoe reageren de Israëlieten wanneer ze de Schelfzee veilig overgestoken zijn en het Egyptische leger verdronken is? Zie hiervoor Exodus 14:30-31, 15:1-3 en 15:20-21.
    15:20 Mirjam, Aäron: de zus en broer van Mozes.
  3. Uit welke dingen blijkt tijdens de reis dat God voor zijn volk zorgt?
  4. God geeft zijn volk de tien geboden. Waarom gaat het in al die geboden?
    Zie hiervoor Matteüs 22:34-40
    22:34 Hij: Jezus Christus
    22:35 Farizeeën en Sadduceeën: godsdienstige leiders. Zie woordenlijst.
    22:35 wetgeleerde: iemand die het Oude Testament goed kende.
    22:36 Meester: een titel die wel voor Jezus gebruikt werd.
    22:37 naaste: de mens die op je weg geplaatst wordt.
    22:40 de wet en de profeten: het Oude Testament.

Deel 10C: Jezus komt terug

Jezus is naar de hemel gegaan, om van daaruit verder te werken. Maar Hij blijft niet voorgoed in de hemel. De geloofsbelijdenis zegt dat Jezus ‘vandaar zal komen om te oordelen de levenden en de doden’. Met andere woorden: eens komt Jezus terug op de aarde. Hij zal dan een vonnis vellen over alle mensen – over de mensen die op dat moment leven, maar ook over de mensen die al gestorven zijn.

Op dezelfde manier

Toen Jezus naar de hemel was gegaan, zeiden twee engelen tegen zijn leerlingen:

‘Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’
( Handelingen 1:11)

De leerlingen hoorden dus meteen na de hemelvaart dat Jezus niet altijd in de hemel zou blijven. Op dezelfde manier als Hij was weggegaan, zou Hij op een dag terugkeren naar de aarde.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 1:11

Wanneer?

Jezus Christus zal terugkomen naar de aarde. Het Nieuwe Testament is er vol van. Maar wanneer komt Jezus terug? In het begin hebben veel christenen gedacht dat die terugkeer al heel spoedig zou plaatsvinden (1 Tessalonicenzen 4:13-18). Maar uit allerlei plaatsen in het Nieuwe Testament blijkt dat men er snel rekening mee ging houden dat het wel een tijd zou kunnen gaan duren (2 Korintiers 5:1-5). Petrus, één van de twaalf speciale volgelingen van Jezus, heeft twee brieven geschreven aan christenen uit zijn tijd. Deze brieven zijn opgenomen in het Nieuwe Testament. In een van deze brieven schrijft hij over de terugkomst van Jezus (2 Petrus 3:1-16). Hij voorspelt dat er mensen zullen komen die spottend zullen vragen: ‘Jezus heeft toch beloofd terug te keren? Waar blijft Hij nu?’
Petrus roept zijn lezers op om dan niet te vergeten dat voor Jezus één dag als duizend jaar is, en duizend jaar als één dag. Wanneer Jezus belooft dat Hij snel terugkomt, doet Hij dat ook. Alleen heeft Hij niet dezelfde tijdrekening als wij. Hij is immers Gods Zoon: Hij is eeuwig.
Petrus legt uit waarom Jezus Christus niet meteen komt: Hij heeft geduld. Hij wil de mensen nog de kans geven om tot inkeer te komen en in Hem te gaan geloven. Voor ons is dat een groot geluk. Omdat Jezus nog niet is teruggekomen, hebben ook wij nog over Hem mogen horen. Ook om ons heeft Jezus gewacht.

Ondanks het feit dat we niet uit het Nieuwe Testament kunnen halen wanneer Jezus terugkomt, hebben veel mensen toch geprobeerd de datum te berekenen. De Jehova’s Getuigen bijvoorbeeld. Met grote stelligheid wisten ze te beweren dat Jezus in 1914 terug zou komen. Ook andere sekten proberen het moment van Jezus’ komst uit te rekenen. Achteraf blijkt dan altijd dat ze zich misrekend hebben. En dat kan ook niet anders. Jezus zelf heeft al gezegd dat alleen God de datum van zijn terugkeer kent. Geen mens en zelfs geen engel kan het tijdstip te weten komen (Matteus 24:36).

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Tessalonicenzen 4:13-18, 2 Korintiers 5:1-5, 2 Petrus 3:1-16, Matteus 24:36

Als een dief

Jezus zal totaal onverwacht terugkomen. In het Nieuwe Testament wordt het beeld van een dief gebruikt (Matteus 24:43-44). Zoals een dief ‘s nachts, als niemand er op rekent, komt inbreken, zo zal Jezus terugkomen als veel mensen er niet op verdacht zijn.
Jezus zal terugkomen op een dag als alle andere. Het leven zal gewoon zijn gang gaan. Iedereen zal druk bezig zijn met de dagelijkse dingen: eten, drinken, werk op het land of in huis (Matteus 24:37-42). Niets zal er op wijzen dat het de grote dag is. En dan opeens zal Jezus van de hemel neerdalen.
Niemand zal op Jezus’ komst gerekend hebben (1 Tessalonicenzen 5:1-6). Behalve de mensen die in Hem geloven, en voortdurend naar zijn terugkeer hebben uitgekeken. Zij zullen er niet door overvallen worden. Voor hen zal het een feestdag zijn.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 24:43-44, Matteus 24:37-42, 1 Tessalonicenzen 5:1-6

Met trompetgeschal

Toen Jezus wegging naar de hemel, zagen slechts elf mannen Hem. Maar wanneer Hij terugkeert, zal iedereen Hem zien. De terugkeer van Jezus Christus zal een zeer indrukwekkende gebeurtenis zijn. Je zou het enigszins kunnen vergelijken met de verschijning van de HERE op de berg Sinaï (zie Deel 10B).

Dat de HERE verscheen, was voor de Israëlieten iets om blij over te zijn. Ze zagen daaraan dat de HERE om hen gaf, en dat Hij zich met hen wilde bezighouden. Tegelijkertijd was de komst van de HERE voor de Israëlieten iets zeer indrukwekkends (Exodus 19:16-18). Toen de HERE verscheen, klonken er zware donderslagen en waren er bliksemschichten te zien. De berg was helemaal in rook gehuld, en de HERE daalde neer in vuur. De berg beefde en er klonk luid bazuingeschal vanaf de berg. De mensen beefden van angst. Ze merkten hoe klein ze waren tegenover de machtige God. Maar ze merkten ook hoe zondig ze waren tegenover de heilige God, die de zonde niet kan verdragen.

Zo zal het ook zijn als Gods Zoon op de aarde komt. Jezus’ komst is iets waar we ons op kunnen verheugen, wanneer we in Hem geloven. Maar het zal ook een zeer indrukwekkende gebeurtenis zijn. Er zal een trompet klinken, en een engel zal roepen. Dan zal Jezus met de wolken komen (1 Tessalonicenzen 4:16). Als de grote koning. Hij zal er ontzagwekkend uitzien (Openbaring 1:7). Iedereen zal Hem zien – ook de miljarden mensen die al gestorven zijn. De mensen die wel in Jezus geloofden en de mensen die niet in Hem geloofden. Allemaal zullen ze uit de dood opgewekt worden wanneer de trompet klinkt. De mensen die bij Jezus horen, zullen Hem tegemoet gaan (1 Tessalonicenzen 4:17). Ze zullen Hem in een grote, feestelijke stoet inhalen. En dan zal Jezus rechtspreken over alle mensen die ooit geleefd hebben.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 19:16-18, 1 Tessalonicenzen 4:16, Openbaring 1:7, 1 Tessalonicenzen 4:17

Het oordeel

Jezus heeft toen Hij op aarde was bepaalde dingen duidelijk gemaakt door middel van het vertellen van een gelijkenis: een verhaal, ontleend aan de wereld van alledag, met een diepere betekenis. Een paar dagen voordat Jezus gearresteerd zou worden, vertelde Hij zijn leerlingen door middel van een gelijkenis over zijn terugkeer.

‘Wanneer de Mensenzoon in al zijn majesteit verschijnt, vergezeld van al zijn engelen, neemt hij plaats op zijn luisterrijke troon. Alle volken zullen voor zijn troon verzameld worden, en hij zal ze in twee groepen scheiden zoals de herder de schapen scheidt van de bokken. De schapen stelt hij op aan zijn rechterkant, de bokken aan zijn linkerkant. Dan zal de Koning tegen wie rechts van hem staan, zeggen: Mijn Vader heeft u gezegend. Kom en neem bezit van het koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de schepping van de wereld. Want ik had honger en u gaf mij te eten, ik had dorst en u gaf mij te drinken, ik was een vreemdeling en u verleende mij onderdak, ik ging schamel gekleed en u gaf mij kleren, ik was ziek en u verzorgde mij, ik zat gevangen en u kwam mij bezoeken.
En de rechtvaardigen zullen hem vragen: Heer, wij hebben u nooit hongerig of dorstig gezien; hoe hebben wij u dan te eten en te drinken kunnen geven? we hebben nooit gezien dat u vreemdeling was of schamel gekleed ging; hoe hebben wij u dan onderdak kunnen verlenen en kleren kunnen geven? we hebben nooit gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat; hoe hebben we u dan kunnen bezoeken? Dan zal de Koning antwoorden: Luister goed naar wat ik u zeg: al wat u gedaan hebt voor één van mijn broeders hier, al was het de onbelangrijkste, hebt u voor mij gedaan!

Daarna zal hij zich richten tot wie links van hem staan: Ga weg van mij, God heeft u verworpen! weg naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen! Want ik had honger en u gaf mij niet te eten, ik had dorst en u gaf mij niet te drinken, ik was een vreemdeling en u verleende mij geen onderdak, ik ging schamel gekleed en u gaf mij geen kleren, ik was ziek en zat in de gevangenis en u bezocht mij niet. Dan zullen ook zij hem vragen: Heer, we hebben nooit gezien dat u honger of dorst had, dat u een vreemdeling was of schamel gekleed ging, ziek was of in de gevangenis zat, hoe hebben we u dan niet kunnen verzorgen? En hij zal antwoorden: Geloof mij: toen u niets deed voor één van deze onbelangrijkste mensen, deed u niets voor mij! Zij zullen eeuwig gestraft worden, maar de rechtvaardigen zullen eeuwig leven’.
(Matteus 25:31-46)

Jezus (die zichzelf hier aanduidt als de Mensenzoon) zal bij zijn terugkeer op aarde rechtspreken over alle mensen uit alle volken. Hij zal een scheiding tussen hen aanbrengen. De mensen die Hij links van zich plaatst, gaan de ondergang tegemoet. Net als de duivel en zijn handlangers worden ze voorgoed van Jezus verwijderd. Ze komen terecht in wat Jezus ‘het eeuwige vuur’ noemt. Met deze beeldspraak duidt Jezus aan dat het om een vreselijke plaats gaat, waar de mensen voor altijd zonder God zullen moeten leven. Deze plaats wordt ook wel de hel genoemd (Matteus 10:28).
De mensen die een plaats krijgen aan de rechterhand van koning Jezus, gaan een heerlijk leven tegemoet. Zij mogen bezit nemen van het koninkrijk van God. Ze mogen eeuwig bij God leven. Voor hen wordt het leven een altijddurend feest.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 25:31-46, Matteus 10:28

Het komt aan op geloof…

Maar wat is nu het verschil tussen de mensen die links en rechts van Jezus komen te staan? Waarom krijgen bepaalde mensen een eeuwige straf, en krijgen anderen het koninkrijk van God? Kun je zeggen: wanneer je een goed leven leidt en je medemens helpt, komt het goed?
Als dat zo is, zou het dus niet zo erg zijn wanneer je niet in Jezus gelooft. Iedereen die zich om andere mensen bekommert, zou dan in aanmerking komen voor Gods Koninkrijk. Of hij nu een christen is, een moslim, of iemand die nergens in gelooft. Maar dat klopt niet. Jezus zelf heeft duidelijk gezegd:

‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.’
(Johannes 3:36)

Het is dus niet zo dat Jezus iedereen zal vrijspreken die geregeld zieke mensen heeft bezocht of maandelijks geld heeft overgemaakt voor een of ander voedselproject (Romeinen 14:23b). Het geloof in Jezus is de enige manier waarop mensen gered kunnen worden van de dood.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 3:36, Romeinen 14:23b

…maar geloof moet wel blijken

Als het om onze redding gaat, komt het dus enkel en alleen op geloof aan. Maar Jezus maakt met behulp van de gelijkenis uit Matteus 25 duidelijk dat dat geloof zal moeten blijken uit het leven dat we leiden. Het geloof in Jezus is niet maar een paspoort dat we pas tevoorschijn hoeven te halen wanneer we aan de grens van de hemel staan. Het geloof is niet iets voor noodgevallen. Het is iets dat ons hele leven moet beheersen.
Je kunt geloof vergelijken met gist (Matteus 13:33). Een klein beetje gist doortrekt al het deeg en laat het rijzen. Zo doortrekt het geloof het hele leven van een mens, en verandert het helemaal.
Onze liefde voor Jezus zal als vanzelfsprekend moeten leiden tot liefde voor de mensen om ons heen. Jezus heeft zijn leven ook voor die mensen opgeofferd. Hoe zouden wij hen dan in de kou kunnen laten staan? (Jakobus 2:14-17)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 13:33, Jakobus 2:14-17

Bang zijn?

Moeten we bang zijn voor Jezus’ terugkomst? Jezus komt immers ‘om de oordelen de levenden en de doden?’ Dat lijkt eerder iets om als een berg tegenop te zien dan iets waar we ons op zouden kunnen verheugen.
Toch, wanneer we in Jezus Christus geloven en dat laten blijken in ons leven, kunnen we zijn terugkomst zonder angst tegemoet zien. Ook al hebben we in ons leven veel verkeerde dingen gedaan. Ook al denken, zeggen en doen we nog steeds verkeerde dingen. Wanneer we in Jezus Christus geloven, zal Hij ons bij zijn terugkeer vrijspreken. Hij zal ons dan ‘aan zijn rechterhand neerzetten’. Is dat wel eerlijk? Zijn de mensen die in Jezus geloven dan zoveel beter dan de mensen die niet in Hem geloven? Nee – mensen die geloven zijn van zichzelf niet beter dan andere mensen. Het enige verschil is het feit dat ze bij Jezus horen en Hem liefhebben.
Maar dat maakt nu juist alles uit. Wie bij Jezus hoort, hoeft niet meer veroordeeld te worden (Johannes 3:16-18). Want Jezus zelf is al eens veroordeeld. Door zijn eigen Vader (Jesaja 53:5). Jezus heeft de eeuwige straf ondergaan in plaats van de mensen. Wie in Hem gelooft, geldt voor God als iemand die onschuldig is.
Daarom hoeven mensen die bij Jezus horen niet bang te zijn voor zijn komst. Ze kunnen zich er juist heel erg op verheugen. Want als Jezus weer terugkomt op aarde, wordt alles goed. Het zal dan eindelijk gedaan zijn met de macht die de satan nog heeft op onze wereld (Openbaring 20:10). De satan zal door Jezus worden veroordeeld en in het eeuwige vuur worden gegooid. Het kwaad zal op de aarde niet meer bestaan. En de mensen die in God geloven, zullen voor altijd met Hem mogen leven (Openbaring 22:1-5)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 3:16-18, Jesaja 53:5, Openbaring 20:10, Openbaring 22:1-5

Filmpje: Er is een dag

Vragen

  1. Jezus zal komen als een dief in de nacht; Jezus zal komen met trompetgeschal.
    Zijn deze twee dingen niet met elkaar in strijd? Geef aan wat er met elk van beide uitspraken bedoeld wordt.
  2. Een geloof zonder goede werken kan een mens niet behouden (Jakobus 2:14-17).
    Kun je dat uitleggen?
  3. Wanneer je de gelijkenis over het oordeel leest (Matteüs 25:31-46), zou je bang kunnen worden voor Jezus’ terugkeer.
    Is dat terecht of niet?