Bijbelcursus Les 12

Deel 12A: Het antwoord van Gods kinderen op zijn woord

Een van de meest gelezen boeken van het Oude Testament is wel het boek Psalmen. Want uit dit boek blijkt dat geloven niet alleen een zaak van het verstand is, maar ook van het hart. Een gelovig mens kan ook zijn emoties kwijt bij God.

In de psalmen reageren mensen met al hun emoties op God. Op zijn woorden en daden, op zijn liefde of boosheid. Ze leggen Hem al hun levensomstandigheden voor. Ze vertellen over hun blijdschap en hun verdriet, hun eenzaamheid en angst. Tegelijkertijd spreekt er uit de psalmen een enorme bewondering voor alles wat God doet en gedaan heeft. Ook de psalmen horen in de bijbel thuis: ze verwoorden hoe wij met God om mogen gaan.

Maak in onderstaand filmpje kennis met een psalm die bij veel mensen geliefd is.

Filmpje: Psalm 139

De indeling van de Psalmen

Het boek Psalmen bestaat uit vijf onderdelen.

  • Psalm 1-41
  • Psalm 42-72
  • Psalm 73-89
  • Psalm 90-106
  • Psalm 107-150

De laatste psalmen van deze onderdelen eindigen allemaal met vergelijkbare woorden:

‘Geloofd zij de HERE, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. en al het volk zegge: Amen. Halleluja.’

Met het woordje amen stemde het volk in met deze lofprijzing; en het versterkte dat nog eens door het woord halleluja: loof de HERE. De psalmen zijn in allerlei soorten te onderscheiden. In dit deel is een keuze gemaakt uit de meest bekende.

God krijgt de eer die Hem toekomt: de lofpsalmen

In 1 Kronieken 16 lezen we dat enkele Levieten de taak krijgen om tijdens de dienst in de tabernakel liederen ter ere van God te zingen. Begeleid door muziekinstrumenten danken zij God voor wat Hij heeft gedaan. Ook in het boek Psalmen komen we van deze lofliederen tegen.

‘ Juich de HEER toe, heel de aarde, dien de HEER met vreugde, kom tot hem met jubelzang. Erken het: de HEER is God, hij heeft ons gemaakt, hem behoren wij toe, zijn volk zijn wij, de kudde die hij weidt.
(Psalm 100: 1 -3)

De lofpsalmen laten zien dat er redenen genoeg zijn om God de eer te geven die Hem toekomt:

  • Hij is de maker van het leven: Psalm 100
  • Heel de aarde is zijn werk: Psalm 104
  • Hij zorgt voor zijn volk: Psalm 105
  • Hij beschermt wie Hem liefhebben: Psalm 145.

Deze psalmen bezingen de geweldige macht van God. Bij het lezen of zingen van zo’n psalm beseffen we dat niets vanzelfsprekend is. God maakt, beschermt en onderhoudt het leven op aarde. Hem komt alle eer toe.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 100:1-3

God regeert: de koningspsalmen

God heeft de aarde gemaakt. De wereld is van Hem. God wordt daarom in de bijbel de koning van de wereld genoemd. Er zijn ook psalmen die God als koning van de wereld aanwijzen.

‘Klap in de handen, o volken, juich God toe met jubelzang: geducht is de HEER, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde’.
(Psalm 47 :1-3)

Het lijkt soms wel of God zich niet meer met deze aarde bemoeit. Maar de koningspsalmen vertellen dat de werkelijkheid – ook vandaag nog – anders is.
Omdat God de koning van de wereld is, staan alle regeerders van de wereld onder zijn gezag. In Israël is de erkenning dat God de hoogste koning is, terug te vinden in de regeringsvorm: Israël is een theocratisch land. Dat wil zeggen dat de Israëlieten weten dat God de eigenlijke koning van Israël is. De koningen regeren namens Hem en zijn van Hem afhankelijk. Dat blijkt ook uit de psalmen die voor de koning van Israël geschreven zijn.

‘Geef, o God, uw wetten aan de koning, uw gerechtigheid aan de koningszoon. Moge hij uw volk rechtvaardig besturen, uw arme volk naar recht en wet’.
(Psalm 72:1-2)

De psalmen die voor de Israëlitische koningen geschreven zijn, laten zien hoe een koning zou moeten regeren. Maar niet een van de koningen heeft helemaal kunnen voldoen aan het beeld dat in deze psalmen wordt geschetst. De enige die wel aan dit beeld voldoet, is Jezus Christus. Hij is de grote koning over wie deze psalmen eigenlijk spreken. Na zijn hemelvaart regeert Hij namens zijn Vader over de wereld. Vergelijk bijvoorbeeld Psalm 2:7 en Psalm 110 met Hebreeen 1:1-13.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 47 :1-3, Psalm 72:12, Hebreeen 1:1-13.

Roepen om hulp: de klaagpsalmen

In het boek Psalmen komen we veel klaagpsalmen tegen. Soms spreekt de dichter van zo’n psalm namens het volk Israël (onder andere Psalm 44, 74, 79, 80), soms bevatten deze psalmen de klacht van één persoon (onder andere Psalm 6, 13, 22, 38, 143). Maar ook in het laatste geval vertolkt de dichter wat velen ervaren. Want het leven van een gelovige is niet gemakkelijker dan dat van een ongelovige. Ook een gelovige kent zorgen en verdriet. Zo weten we van één van de psalmdichters, David, dat hij een tijdlang noodgedwongen een zwervend bestaan heeft geleid (1 Samuel 16-31). Hij moest vluchten omdat koning Saul hem wilde vermoorden. David heeft deze angstige periode van zijn leven onder andere in de psalmen 54, 56, 57, 59 en 63 beschreven.

De meeste klaagpsalmen zijn duidelijk vanuit een noodsituatie ontstaan. De dichter roept, schreeuwt en smeekt om hulp. Hij legt zijn angst en eenzaamheid aan God voor. Maar hij weet ook dat alleen God hem beschermen en bevrijden kan. Daarom eindigen deze psalmen vaak vol verwachting. Het zijn voorbeelden van vertrouwen op God, die mensen kan redden uit de moeilijkste situaties:

‘ In mijn bangste uur vertrouw ik op u. Op God, wiens woord ik prijs, op God vertrouw ik, angst ken ik niet, wat kan een sterveling mij aandoen?’
(Psalm 56:4-5)

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 16-31, Psalm 56:4-5

God zorgt voor ons: de vertrouwenspsalmen

De psalmdichters spreken niet alleen in tijden van nood hun vertrouwen in God uit. Andere psalmen bezingen dat mensen altijd op God kunnen vertrouwen (onder andere Psalm 27, 46, 62, 91 en 121). God wil in alle levensomstandigheden voor ons zorgen. Een bekende psalm die dat vertrouwen uitstraalt, is Psalm 121.

‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp?
Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft.
Hij zal je voet niet laten wankelen, hij zal niet sluimeren, je wachter.
Nee, hij sluimert niet, hij slaapt niet, de wachter van Israël.
De HEER is je wachter, de HEER is de schaduw aan je rechterhand:
overdag kan de zon je niet steken, bij nacht de maan je niet schaden.
De HEER behoedt je voor alle kwaad, hij waakt over je leven,
de HEER houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid.’
(Psalm 121)

Deze psalm laat zien dat God het leven van zijn kinderen beschermt. De dichter weet dat hij zó volledig op die bescherming kan rekenen, dat hij een onbegrensd vertrouwen in God durft uit te spreken.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 121

God willen dienen: de wetpsalmen

Wie bij God hoort, moet ook gaan leven zoals God dat van hem vraagt. Geloof moet te zien zijn aan daden. Dat willen de wetpsalmen benadrukken. Bij het woord wet denken wij al gauw aan vervelende regels waar wij ons aan moeten houden. Toch is de wet van God iets om blij mee te zijn. Dat kunnen we zien in de wetpsalmen. In Psalm 119 wordt bijvoorbeeld bezongen hoe prachtig Gods wet is.
De dichter van Psalm 119 wil niets liever doen dan wat God van Hem vraagt in zijn wetten. Hij beseft dat zijn leven pas zin heeft, als God zijn leven leidt. Alleen God weet wat goed voor hem is.

‘Vertel ik u mijn wegen, dan antwoordt u. Onderwijs mij in uw wetten. Leer mij de weg van uw regels begrijpen, en ik zal uw wonderen overdenken.’
(Psalm 119:26-27)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 119:26-27

Gefeliciteerd!

Er zijn ook psalmen die bedoeld zijn om elkaar toe te zingen. Zulke psalmen zijn bijvoorbeeld Psalm 1, 112 en 128. Ze beginnen met een gelukwens die nog steeds geldt: een mens is te feliciteren als hij God kent en doet wat God van hem vraagt.

‘Gelukkig ieder die ontzag heeft voor de HEER en de weg gaat die hij wijst’
(Psalm 128:1)

Het boek Psalmen is een veel gelezen boek. Want in de psalmen kunnen mensen zichzelf herkennen. De psalmen verwoorden vaak heel treffend onze eigen gevoelens van blijdschap, angst, wanhoop of verdriet.
God geeft ons de psalmen zodat we ze na kunnen spreken in situaties waarin wij sprakeloos staan. De psalmen troosten ons als we het moeilijk hebben. En ze leren ons op God te vertrouwen. Want Hij is een vader, die altijd naar zijn kinderen luisteren wil.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 128:1

In onderstaand filmpje kun je luisteren naar een moderne versie van psalm 1.

Filmpje: Psalm 1

Vragen

  1. Het boek Psalmen is altijd een veel gelezen en gebruikt boek geweest.
    1. Waarom spreken de psalmen mensen zo aan?
    2. Wat zeggen de psalmen over God?
  2. Psalm 2 is een koningspsalm
    1. Wie wordt er bedoeld met de koning in de versregels 4 t/m 9? Vergelijk: Hebreeen 1:5
    2. Uit welke verzen blijkt dat de koningen van de aarde onder het gezag van God staan?

 


Deel 12B: God geeft zijn volk een koning

De tijd van de richters is een dieptepunt in de geschiedenis van het volk Israël. Het boek Rechters eindigt met de woorden: ‘In die tijd was er geen koning in Israël; ieder deed wat in zijn eigen ogen goed was.’

Zelfs in Gods huis gaat het mis

Dat iedereen doet wat hem goeddunkt, zonder zich af te vragen wat God wil, blijkt heel duidelijk in het bijbelboek 1 Samuel (1 Samuel 2:12-17). Daarin wordt beschreven hoe zelfs de priesters zich misdragen. Zo stelen ze offervlees dat voor God zelf bedoeld is. En ze dwingen mensen die een offer willen brengen, een deel van het vlees aan hen af te staan.
Tijdens een oorlog met de Filistijnen denken de priesters ervoor te kunnen zorgen dat God Israël zal helpen (1 Samuel 4). Ze halen de ark, het symbool van Gods aanwezigheid, uit de tabernakel en brengen hem naar het slagveld. Want ze denken: wanneer de ark er is, is God er automatisch ook. Hij moet er dan wel voor zorgen dat Israël wint. Dat deze redenering niet klopt, blijkt wel. De Israëlieten lijden een verpletterende nederlaag en de ark wordt zelfs buitgemaakt door de Filistijnen.
De ark blijft overigens niet lang in handen van de vijanden (1 Samuel 5-6). God laat de Filistijnen zulke vreselijke rampen overkomen, dat ze de ark zo snel mogelijk weer terugsturen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 2:12-17, 1 Samuel 4, 1 Samuel 5-6

Samuël

In deze tijd wordt een zekere Samuël door God tot richter en tot profeet aangesteld (1 Samuel 3). Samuël groeit op in Silo, de plaats waar de tabernakel in die tijd staat. Van dichtbij maakt hij dus mee hoe zelfs de priesters zich tegenover God misdragen.
Samuël merkt hoe de Israëlieten tot God klagen over de vijanden die het land zijn binnen gevallen (1 Samuel 7:2-17). Hij maakt de mensen duidelijk dat er maar één manier is om van de vijanden af te komen: ze moeten hun afgoden wegdoen en zich bekeren tot God (1 Samuel 7:3).
De Israëlieten luisteren naar Samuël. Ze doen hun afgoden weg en keren terug naar God. En God aanvaardt hun berouw. Wanneer de Filistijnen Israël weer willen aanvallen, brengt God hen in paniek door een vreselijk onweer. Israël behaalt zo dankzij God de overwinning.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 3, 1 Samuel 7:2-17

Israël wil een koning

Zijn leven lang is Samuël richter over Israël. Ieder jaar maakt hij een ronde door Israël om overal te kunnen rechtspreken en raad te kunnen geven. Wanneer hij oud wordt, stelt hij zijn zoons aan. Helaas zijn zij geen goede richters: ze zijn corrupt. De Israëlieten hebben er al gauw genoeg van. Ze willen geen richters meer. Ze willen een koning.
God neemt het verzoek om een koning hoog op (1 Samuel 8:7-8). Het betekent dat de Israëlieten Hem niet langer als hun koning beschouwen. Tot nu toe had het volk het altijd zonder een koning gedaan. God had wel leiders aangesteld – Mozes, Jozua – en Hij had het volk ook richters gegeven, maar Hij was altijd de koning van het volk geweest. Wie kon het volk beter besturen en beschermen tegen vijanden dan Hij? Dat de Israëlieten nu een koning willen, betekent dat ze het voorrecht om Jahwe als koning te hebben, niet waarderen.

God geeft Samuël de opdracht om Israël te waarschuwen. Een koning zal niet het einde van alle ellende betekenen: een koning kan juist voor veel ellende zorgen. Het gevaar is groot dat een koning zijn positie zal misbruiken en het volk zware lasten zal opleggen. Maar het volk laat zich niet ontmoedigen door deze waarschuwing. Het lijkt er eerder enthousiast door te worden. Tenslotte geeft God zijn volk de koning waar het om vraagt.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 7:15-8:22, 1 Samuel 8:7-8

Saul, de eerste koning

De koning die God uitkiest, is Saul, een boerenzoon (1 Samuel 9) .Samuël mag Saul namens God tot koning aanstellen. Hij doet dat door een kruikje olie over Sauls hoofd uit te gieten. Daarmee is Saul tot koning ‘gezalfd’ (zie deel 5C) .
Saul is echt een koning zoals het volk zich heeft gewenst: hij verjaagt allerlei vijanden (1 Samuel 11). Maar al heel gauw blijkt dat Saul zich niet wil gedragen als koning onder God. Hij kent zijn plaats niet. Uitdrukkelijke bevelen van God voert hij niet uit (1 Samuel 13 en 15). Hij doet als het erop aankomt zijn eigen zin. Daarom kondigt Samuël aan Saul aan: ‘De HERE had uw koningschap erfelijk willen maken (1 Samuel 13:13-14). Maar omdat u het gebod van God overtreden hebt, zal uw koningschap niet standhouden (1 Samuel 15:23). De HERE heeft een man naar zijn hart uitgezocht om koning te zijn over zijn volk.’

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 9, 1 Samuel 11, 1 Samuel 13 en 15, 1 Samuel 13:13-14, 1 Samuel 15:23

David tot koning aangesteld

Enige tijd later geeft God aan Samuël de opdracht om naar de plaats Bethlehem te gaan, en daar een zekere Isaï op te zoeken. Samuël moet de jongste zoon van Isaï, de schaapherder David, tot koning zalven. Dat betekent niet dat David daarmee ook meteen koning is. David moet na zijn zalving nog jarenlang wachten op het koningschap.
In de tijd nadat David tot koning is gezalfd, komt hij regelmatig in contact met Saul. Hij treedt zelfs bij Saul in dienst: hij wordt zijn wapendrager (1 Samuel 16:22). Saul, die in deze tijd nog niet weet dat David de toekomstige koning is, raakt zeer op hem gesteld.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 16, 1 Samuel 16: 22

Filmpje: David

David en Goliath

Lezen: 1 Samuel 17

17:4 ruim zes el: bijna drie meter.

17:5 5000 sjekel: meer dan 180 kilo (sjekel: ruim 36 gram).

17:20 wagenkamp: legerplaats.

David is Israëls toekomstige koning. Maar wat is hij eigenlijk voor iemand? Waarom noemt God hem een man naar zijn hart? In dit hoofdstuk leren we David beter kennen. Tijdens een oorlog met de Filistijnen zijn drie van Davids broers in dienst. Wanneer David op een dag naar hen toegaat om hun voedsel te brengen, staan de legers van de Filistijnen en van de Israëlieten net gevechtsklaar tegenover elkaar. David ziet hoe uit het leger van de Filistijnen een bijna drie meter lange, zwaarbewapende man naar voren treedt: Goliath. Goliath roept beledigende dingen tot de Israëlieten en hij daagt hen uit: ‘Kies iemand uit om met mij te vechten. Als hij mij verslaat, zullen wij jullie onderdanen zijn. Als ik hem versla, zullen jullie de Filistijnen dienen.’ David is hevig verontwaardigd als hij hoort hoe deze man de spot drijft met Israël en met het Israëlitische leger – het leger van God zelf. Hij besluit om zelf op Goliath af te gaan. Zonder harnas en zonder zwaard loopt hij naar Goliath toe. Hij heeft alleen zijn herdersstok, een paar stenen en een slinger bij zich.
Wanneer Goliath David ziet aankomen, vervloekt hij hem. Maar David antwoordt: ‘U hebt God uitgedaagd, maar God zal u vandaag in mijn macht geven. God heeft geen zwaard nodig om de overwinning te behalen.’ Terwijl Goliath woedend op hem afkomt, werpt David met zijn slinger een steen naar hem toe. De steen dringt in Goliats hoofd en hij valt voorover. David rent naar hem toe, grijpt Goliats zwaard, en slaat zijn hoofd eraf. De Filistijnen slaan op de vlucht en worden door de Israëlieten verpletterend verslagen.

Saul kende David al wel (1 Samuel 17:55-58). Maar nu vraagt hij zich af: wat is dit voor iemand? Waar heeft hij zijn kracht vandaan? Is hij uit een bijzonder geslacht afkomstig? Maar Saul zoekt verkeerd. David heeft zijn overwinning niet te danken aan zijn afkomst. Hij heeft Goliath kunnen overwinnen omdat hij op God vertrouwde.

Wie is David? Uit deze geschiedenis blijkt dat hij iemand is die God liefheeft en Hem op de eerste plaats stelt in zijn leven. Hij is iemand die het niet kan hebben als er mensen kwaadspreken van God of van Gods volk. En hij is iemand die een rotsvast vertrouwen in God heeft. Daarom noemt God hem ‘een man naar zijn hart’.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 17, 1 Samuel 17:55-58

Saul probeert David te doden

Na de overwinning op Goliath krijgt David een hoge positie in Sauls leger (1 Samuel 18:5-16). Onder Davids leiding behaalt het leger voortdurend overwinningen, en David wordt dan ook al snel zeer populair bij de Israëlieten. Populairder dan Saul. Wanneer Saul dat merkt, wordt hij woedend. Hij denkt: ‘Het ontbreekt er nog maar aan dat David het koningschap verkrijgt!’ Saul gaat David haten, en probeert hem zelfs om te brengen (1 Samuel 19-27). Maar David gaat geen gevecht aan met Saul, zoals hij dat met Goliath heeft gedaan. Hij gaat voor Saul op de vlucht. Want hij wil de koning die door de HERE aangesteld is, niet doden.

Lezen: 1 Samuel 24
Wanneer Saul terug is gekeerd van een oorlog tegen de Filistijnen, hoort hij waar David en zijn mannen zich schuil houden. Saul gaat met zijn keurtroepen naar David op zoek. Bij een paar schaapskooien gaat hij een grot binnen; waarschijnlijk om zijn behoefte te doen.
Saul weet niet hoe dicht hij op dat moment bij de dood is. Maar David laat de kans om Saul voorgoed uit te schakelen voorbijgaan. Hij snijdt alleen een stuk van Sauls mantel af: een bewijs van het feit dat hij de koning zo had kunnen doden.
Wanneer Saul de grot is uitgegaan, gaat David hem achterna. Hij probeert Saul ervan te overtuigen dat hij hem niet van de troon wil stoten. Saul is diep ontroerd wanneer hij hoort dat David hem gespaard heeft. Hij beseft dat David koning zal worden en vraagt hem zijn familie niet te doden, wanneer hij op de troon zit. David zweert dat hij Sauls familie zal sparen. Dan gaan ze uit elkaar.
Sauls ontroering is overigens niet van lange duur. Al snel hervat hij de jacht op David (1 Samuel 26:1-2).

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 18: 5-16, 1 Samuel 19-27, Samuel 26:1-2

David als koning

Uiteindelijk vindt Saul de dood tijdens een gevecht met de Filistijnen (1 Samuel 31). David wordt koning in zijn plaats. Davids instelling tegenover God verandert niet wanneer hij koning is. Ook tijdens zijn koningschap staat God op de belangrijkste plaats in zijn leven. David doet niets zonder God erbij te betrekken. Dat blijkt heel duidelijk uit de vele psalmen die hij geschreven heeft. Wanneer David blij, bang of verdrietig is, gaat hij eerst naar God toe. Uit het boek Psalmen wordt ook duidelijk dat David weet dat hij koning is onder God. Hij beschouwt God als de eigenlijke koning van Israël (Psalm 24).

Nadat hij koning is geworden, maakt David Jeruzalem, een centraal gelegen stad, tot de hoofdstad van het rijk (2 Samuel 5:6-16). Hij laat er een prachtig paleis bouwen (2 Samuel 6). Maar hij denkt niet alleen aan zichzelf (1 Kronieken 23-25). Hij maakt Jeruzalem ook tot het godsdienstige middelpunt van het land: hij laat de ark van God overbrengen naar de hoofdstad. Verder organiseert hij het werk van de priesters, en kiest hij mannen uit om muziek te maken en te zingen voor God. Jeruzalem is vanaf die tijd de stad waar de offers gebracht worden, waar de priesters hun werk hebben, en waar de mensen naar toegaan om de feesten die God heeft ingesteld te vieren.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 31, Psalm 24, 2 Samuel 5:6-16, 2 Samuel 6, 1 Kronieken 23-25

God zegent David

Uit dat wat David doet, blijkt duidelijk dat God voor hem op de eerste plaats komt. En God zegent David: Hij zorgt ervoor dat het onder Davids regering goed gaat met Israël. David verslaat de Filistijnen, die Israël telkens weer hadden aangevallen (2 Samuel 8 en 10). Edom in het zuiden, Moab en Ammon ten oosten (Zie kaart 6 in Wegwijzer) en kleine koninkrijkjes ten noorden van het land worden overwonnen en moeten Israël zelfs belasting gaan betalen. Onder Davids regering komt het werk waar het volk onder Jozua mee begonnen was tot een eind. Het hele land is in het bezit van het volk Israël. De schrijver van het boek Samuël vertelt waar de reden van Davids succes ligt:

‘De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam ‘
(2 Samuel 8:14)

Ook op een andere manier laat God aan David zijn liefde blijken. God belooft aan David dat zijn koningshuis eeuwig zal bestaan (2 Samuel 7: 11-16). Er zal dus altijd een nakomeling van David koning over Israël zijn.

Uit het Nieuwe Testament weten we dat God zijn belofte gehouden heeft. Eén van Davids nakomelingen is namelijk Jezus Christus, de redder die God beloofd had. Over Hem wordt in het Nieuwe Testament gezegd:

‘De HEER zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
(Lucas 1:32-33)

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Samuel 8 en 10, 2 Samuel 8:14, 2 Samuel 7:11-16, Lucas 1:32-33

Davids zonde

David heeft zich zeker niet altijd gedragen als de vertegenwoordiger van God die hij zou moeten zijn (2 Samuël 11-12). De bijbel is heel eerlijk in de beschrijving van Davids leven. Ook zijn slechtste daden worden genoemd. Zo vertelt de bijbel bijvoorbeeld dat David overspel pleegde met Batseba, een getrouwde vrouw, en dat hij, toen Batseba zwanger bleek te zijn, haar man liet vermoorden en haar tot zijn vrouw nam.
Toen een profeet hem daarover namens God de waarheid zei, heeft David oprecht berouw gekregen over deze vreselijke daad (Psalm 51). God heeft David zwaar gestraft voor wat hij gedaan heeft. Maar later heeft Hij hem zijn zonden vergeven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Samuel 11-12, Psalm 51

Salomo, Davids zoon

Na Davids dood wordt zijn zoon Salomo koning (1 Koningen 1). Onder zijn regering wordt er geen oorlog gevoerd. Israël is een rijk land met bloeiende handelsbetrekkingen. De tijd van Salomo’s regering wordt wel ‘de gouden eeuw’ genoemd.
Salomo bouwt een tempel voor God (1 Koningen 6). Het wordt een prachtig gebouw. Uit de hele wereld zijn materialen voor de bouw gehaald.
In de tempel – die wat vorm betreft precies op de tabernakel lijkt, maar veel groter en mooier is – wordt de ark neergezet. Wanneer de tempel klaar is, vult een wolk het gebouw: God maakt duidelijk dat Hij de tempel als zijn huis wil beschouwen (1 Koningen 8:10-11). God wil in Jeruzalem wonen. Daarom wordt Jeruzalem ook de ‘stad van God’ genoemd (Psalm 87:3).

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Koningen 1, 1 Koningen 6, 1 Koningen 8:10-11, Psalm 87:3

Salomo’s zonde

In veel opzichten lijkt Salomo op zijn vader David (1 Koningen 11:1-13). Ook voor hem staat God op de belangrijkste plaats. Maar niet zijn hele leven. Wanneer hij ouder wordt, neemt hij vele buitenlandse vrouwen. En hij vergeet God: hij gaat de goden van zijn vrouwen vereren.
God straft Salomo, en daarmee ook heel Israël. Het is gedaan met de vrede. Israël wordt weer aangevallen door andere volken. Bovendien kondigt God aan dat het rijk na Salomo’s dood in twee delen uiteen zal vallen. Daarover meer in het volgende deel.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Koningen 11:1-13

Vragen

  1. God geeft zijn volk een koning
    1. Hoe kwamen de Israëlieten ertoe om te vragen om een koning?
      Zie 1 Samuel 8:1-4.
    2. Wat is de achterliggende reden voor die vraag? Zie 1 Samuel 8:19-20.
    3. Welke conclusie trekt God uit de vraag om een koning? Zie 1 Samuel 8:6-7.
    4. Kun je toelichten waarom God de vraag om een koning zo hoog opneemt?
  2. Aangesteld als koning
    1. Op welke manier worden Saul en later David tot koning aangesteld?
    2. Wat is de betekenis van die handeling? Zie deel 5C, het stukje ‘Jezus Christus’.
  3. Maak aan de hand van enkele gebeurtenissen duidelijk waarom God David ‘een man naar zijn hart’ kan noemen. (1 Samuel 13:14).
  4. In het begin van Salomo’s regering verschijnt God hem op een nacht in een droom. God vraagt Salomo wat hij van Hem zou willen krijgen.
    1. Wat vraagt Salomo? Zie 1 Koningen 3:9.
    2. Wat belooft God hem? Zie 1 Koningen 3:10-14.
    3. Hoe blijkt dat Salomo heeft gekregen wat hij vroeg? Zie 1 Koningen 3:16-28.

Deel 12C: De Heilige Geest geeft geloof

In de vorige deel zagen we iets van het veelzijdige werk van de Heilige Geest. We keken toen vooral naar het Oude Testament. In dit deel kijken we naar wat het Nieuwe Testament ons vertelt over de Heilige Geest.

Filmpje:Wie is de Heilige Geest?

Overeenkomsten

Er zijn wat betreft het werk van de Heilige Geest veel overeenkomsten tussen de tijd van het Oude en de tijd van het Nieuwe Testament. In de tijd van het Oude Testament was de Heilige Geest actief is in de natuur; in de tijd van het Nieuwe Testament en daarna is Hij dat ook. In de tijd van het Oude Testament was het de Heilige Geest die ervoor zorgde dat mensen in God gingen en bleven geloven; in de tijd van het Nieuwe Testament en in onze tijd is dat ook zo.

Een verschil

Maar er is ook een verschil. Er is iets veranderd in het werk van de Heilige Geest. In de tijd van het Oude Testament werkte de Heilige Geest in sommige mensen op een bijzondere manier. In de profeten bijvoorbeeld. Zoals een spons doordrenkt kan zijn van water, zo waren de profeten als het ware doordrenkt van de Heilige Geest. Meestal zeggen we: ze waren ‘vervuld met de Heilige Geest’. En omdat de Heilige Geest hen vervulde, konden deze mensen spreken namens God.

Niet alle mensen werden op zo’n bijzondere manier door de Heilige Geest vervuld. Het was zelfs zo dat Mozes tijdens de reis door de woestijn eens verzuchtte: ‘Ach, gaf de HERE zijn Geest maar aan alle mensen! (Numeri 11:29) Was iedereen maar profeet!’ Eeuwen nadat Mozes dit gezegd had, maakte God duidelijk dat deze wens eens vervuld zou worden. De profeet Joël mocht de dag aankondigen waarop heel Gods volk met de Heilige Geest vervuld zou worden. Joël zei namens God:

‘Daarna zal zich dit voltrekken: Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, oude mensen zullen dromen dromen, en jongeren zullen visioenen zien; zelfs over slaven en slavinnen zal ik in die tijd mijn geest uitgieten.’
(Joel 3:1-2) (in sommige vertalingen Joel 2:28-29)

Er zou dus eens een tijd komen waarop de Heilige Geest niet meer enkelingen zou vervullen. Op heel Gods volk zou de Heilige Geest ‘uitgestort’ worden. Deze uitdrukking doet denken aan een geweldige regenbui die iedereen doorweekt. Alle mensen zouden doordrenkt worden door deze stortvloed: jongens en meisjes, oude en jonge mensen, van welke rang of stand ook. Iedereen in Gods volk zou vervuld worden van de Heilige Geest, en net als de profeten Gods wil kennen. God maakte aan een profeet vaak door middel van een droom of een visioen zijn wil bekend; maar wanneer de Heilige Geest uitgestort zou worden, zou God aan alle mensen, oud of jong, zijn wil bekend maken.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Numeri 11:29, Joel 3:1-2 (in sommige vertalingen Joel 2:28-29)

De Heilige Geest werd uitgestort

Datgene waar Mozes op hoopte, en wat Joël mocht aankondigen, gebeurde in de tijd van het Nieuwe Testament. Jezus beloofde toen Hij nog op aarde was, dat Hij de Heilige Geest naar zijn volgelingen toe zou sturen (Johannes 14:16). De Heilige Geest zou Hem op aarde vervangen.
Niet lang nadat Jezus naar de hemel was gegaan, gebeurde dat ook (Handelingen 2:1-4) De Heilige Geest kwam naar de aarde. Geen mens kon Hem zien. Maar iedereen merkte dat Hij er was. De mensen hoorden een geluid alsof er een hevige storm was opgestoken. Dat geluid was een teken dat de Heilige Geest er was.
Stormwind kun je niet zien en ook niet aanraken. Maar iedereen kan horen en voelen dat het stormt. En iedereen kan het zien aan wat er buiten gebeurt: bomen gaan heen en weer, er komen schuimkoppen op het water, bladeren waaien over straat.
De Heilige Geest was, net als stormwind, niet te zien. Maar dat Hij aanwezig was, merkte iedereen. Niet alleen aan het geluid van de storm. Het was vooral te merken aan het feit dat alle volgelingen van Jezus ineens als profeten konden optreden (Handelingen 2:5-11). Al deze mensen bleken de gave te hebben om over God te spreken, en om zijn wil te kennen. Niemand kon meer zijn mond houden: iedereen moest spreken over de geweldige dingen die God had gedaan. Het kon niet anders: dit was het werk van de Heilige Geest. Wie anders zou van alle mensen profeten kunnen maken?

De komst van de Heilige Geest had grote gevolgen. Het goede nieuws dat de mensen door Jezus Christus gered kunnen worden van de dood, werd vanaf dat moment overal bekendgemaakt. Iedere christen praatte er over: tegenover buren, vrienden en familieleden. Maar ook gingen veel christenen, geleid door de Heilige Geest, de wereld in om aan iedereen over Jezus Christus te vertellen. De Heilige Geest gaf hun inzicht en wijsheid; daardoor wisten ze wat ze aan andere mensen moesten vertellen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 14:16, Handelingen 2:1-4, Handelingen 2:5-11

De woonplaats van de Heilige Geest

Ook vandaag is het nog zo dat de Heilige Geest bij iedereen is die Jezus volgt. In het Nieuwe Testament staat dat de Heilige Geest in ons wil wonen. De Heilige Geest wil ons lichaam als zijn woonplaats beschouwen. Daarom kan Paulus het lichaam van een christen ook ‘een tempel van de Heilige Geest’ noemen:

‘Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont, die u ontvangen hebt van God en weet u niet dat u niet van uzelf bent?’
(1 Korintiers 6:19)

Zo dicht wil God bij ons zijn. Hij wil door zijn Heilige Geest zelfs in ons lichaam wonen!

In de tijd van het Oude Testament was het een uitzondering als mensen vervuld werden met de Heilige Geest. Bovendien waren ze niet voortdurend vervuld met de Heilige Geest; van tijd tot tijd ‘greep de Geest van de HEER hen aan’, en kregen ze van Hem de kracht of de wijsheid die ze nodig hadden.
Na de uitstorting van de Heilige Geest is dat anders. Het is in deze tijd geen uitzondering meer als iemand vervuld is met de Heilige Geest. De Heilige Geest wil in alle kinderen van God wonen. En dan niet van tijd tot tijd, maar permanent.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Korintiërs 6:19

De Heilige Geest geeft geloof

We hebben er eerder al even bij stil gestaan dat het de Heilige Geest is die ervoor zorgt dat mensen in God gaan en blijven geloven. Uit het Nieuwe Testament blijkt dat steeds weer. Als mensen tot bekering komen, is dat het werk van de Heilige Geest (1 Korintiërs 12:3). Geen mens zou uit zichzelf in God gaan geloven.

Dat mensen uit zichzelf niets van God en van Jezus Christus moeten hebben, zie je bijvoorbeeld in een gebeurtenis die beschreven wordt in het bijbelboek Handelingen. In Handelingen 17 wordt verteld hoe Paulus, een volgeling van Jezus, de mensen in de Griekse hoofdstad Athene ervan probeert te overtuigen dat ze zich tot God moeten bekeren (Handelingen 17:15-34). Paulus vertelt de Atheners over de God die de hemel en de aarde gemaakt heeft, en hij maakt ze duidelijk dat ze van hun eigen goden niets te verwachten hebben. Hij roept hen op om zich te bekeren tot de enige echte God, en hij vertelt hun over Jezus Christus, die door God is opgewekt uit de dood. Wanneer Paulus over de opstanding van Jezus begint, is voor de meeste Atheners de maat vol (Handelingen 17:32-34). Dat een dood mens weer tot leven komt – dat kunnen ze niet geloven. Ze beginnen de spot te drijven met Paulus’ boodschap. Toch zijn er ook een paar mensen die Paulus’ woorden wél aanvaarden. Zij sluiten zich bij Paulus aan en komen tot geloof.
Hoe is het mogelijk dat deze mensen wél tot geloof komen? Waarom worden zij wél geraakt door Paulus woorden? Dat is omdat Jezus Christus door de Heilige Geest ‘hun hart opent’ (Handelingen 16:14). De Heilige Geest zorgt ervoor dat deze mensen in God gaan geloven. Hij zorgt ervoor dat het verzet in hun hart gebroken wordt.

Ook nu is het nog zo dat mensen uit zichzelf niets van God moeten hebben (Ezechiel 36:26-27). Alleen de Heilige Geest kan hun hart openen. Alleen Hij kan hun onverschilligheid of hun haat tegenover God veranderen in liefde. Alleen Hij kan mensen het geloof geven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Korintiers 12:3, Handelingen 17:15-34, Handelingen 17:32-34, Handelingen 16:14, Ezechiel 36:26-27

Het geloof betekent onze redding

Waarom is het geloof nu zo belangrijk? Dat is omdat we alleen door te geloven gered kunnen worden.
Na de zondeval is er een kloof gekomen tussen God en de mensen (Romeinen 3:21-30). Geen mens kan die kloof zelf overbruggen. Alleen Jezus Christus kon dat. Hij is de brug die over de kloof heenvoert. Via Hem kunnen we weer bij God komen. Om bij God te kunnen komen, hoeven we dus niet zelf de kloof te dichten; we hoeven alleen maar te geloven in Jezus Christus (Efeziers 2:8-9). En zelfs het geloof is een geschenk dat we van God krijgen. De Heilige Geest zorgt ervoor dat we gaan geloven. Hij geeft ons het geloof waardoor we gered kunnen worden.

Je zou het in het kort zo kunnen zeggen: Jezus heeft gezorgd voor de vrede met God; de Heilige Geest zorgt ervoor dat we ook deel krijgen aan die vrede.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Romeinen 3:21-30, Efeziers 2:8-9

De Heilige Geest verandert mensen

De Heilige Geest geeft mensen geloof. Maar Hij doet nog meer: Hij verandert mensen. Hij zorgt ervoor dat ze weer bij God gaan passen. Hij zorgt ervoor dat ze ‘heilig’ worden. Dat is nodig. Want mensen passen uit zichzelf niet bij God. Sinds de zondeval leven de mensen niet meer zoals God het wil. Hun daden, woorden, gedachten en verlangens zijn niet op God gericht.
God verwacht van de mensen die bij Hem horen, dat ze anders worden. Hij wil dat ze zich van de zonde afkeren en heilig gaan leven. In de tijd van het Oude Testament zei Hij tegen de Israëlieten: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’ (Leviticus 11:45)

In het Nieuwe Testament komt Petrus, een van Jezus’ leerlingen, daar op terug. Hij zegt tegen mensen die christen zijn geworden, dat ze zich moeten gedragen als gehoorzame kinderen. Ze moeten zich niet laten meeslepen door hun verlangens van vroeger, toen ze niet beter wisten. Petrus houdt de mensen voor:

‘God, die u heeft geroepen, is heilig. Leid dan ook zelf een heilig leven. Er staat immers geschreven: Wees heilig, omdat Ik heilig ben.’
(1 Petrus 1:15-16)

Heilig zijn – dat betekent: God op een volmaakte manier liefhebben en onze naaste niet tekort doen. Het betekent dat we geen verkeerde dingen mogen doen, zeggen of zelfs maar denken. Dat is een onmogelijke opgave voor mensen na de zondeval. Net zoals een slechte boom geen goede vruchten kan opleveren, zo kan een slecht mens niet heilig leven (Matteus 7:17-18). Niemand kan zichzelf zo veranderen dat hij kan gaan leven zoals God het wil.
Maar wat mensen niet kunnen, kan de Heilige Geest wel. Wanneer Hij ingrijpt in ons leven, worden we anders (Romeinen 8:5-6). Wanneer de Heilige Geest in ons werkt, gaan we ons leven in dienst stellen van God (Lucas 3:8-9). In de bijbel wordt vaak gezegd dat ons leven, net als een boom, vruchten moet opleveren. Eigenlijk is dat onmogelijk, omdat wij ‘slechte bomen’ zijn. Maar de Heilige Geest zorgt ervoor dat het onmogelijke mogelijk wordt. We gaan vruchten opleveren. Of, zoals het ook gezegd wordt: we gaan goede werken doen (Kolossenzen 1:10)

Die goede werken doen we niet om daarmee onze redding te verdienen. Onze redding is iets dat we zomaar krijgen. Voor niets. Maar zoals we iemand die ons uit een levensgevaarlijke situatie gered heeft, onze dankbaarheid zouden tonen – zo mogen we ook aan God laten zien dat we Hem dankbaar zijn. Wie door Jezus Christus gered is, kan zijn dankbaarheid tonen door te gaan leven als kind van God. De Heilige Geest helpt hem daarbij.

Hoe moet het leven van een kind van God eruit zien? (Galaten 5:13-26) Op allerlei plaatsen in het Nieuwe Testament wordt daarover gesproken. Paulus houdt ons bijvoorbeeld voor dat wie bij Jezus Christus hoort, niet toe moeten geven aan zijn oude, zelfzuchtige verlangens. Van ontucht, zedeloosheid, haatgevoelens, ruzie, afgunst, uitbarstingen van woede en dronkenschap mag geen sprake meer zijn.
Wie bij Christus hoort, moet zich beschikbaar stellen voor de Heilige Geest. En de Heilige Geest zal ervoor zorgen dat er vruchten komen in zijn leven: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid en vertrouwen, eenvoud en zelfbeheersing. De Heilige Geest geeft mensen een nieuw leven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Leviticus 11:45, 1 Petrus 1:15-16, Matteus 7:17-18, Romeinen 8:5-6, Lucas 3:8-9

Bidden om de Geest

Zo’n nieuw leven ontstaat niet vanzelf. We moeten God iedere dag weer vragen of Hij met de Heilige Geest in ons wil werken, of Hij ons geloof wil geven, en of Hij ons wil veranderen (1 Tessalonicenzen 5:17-18). Wanneer we God daar om vragen zal Hij zeker naar ons luisteren. Hij zal ons zijn Heilige Geest geven. En de Heilige Geest zal ons geloof geven (Lucas 11:13).
Het geloof komt ons niet zomaar aanwaaien. Als we God er niet om vragen en als we niet serieus bezig zijn met de bijbel, staan we de Heilige Geest in de weg. Geloof ontstaat wanneer we in de bijbel lezen en ons erdoor laten gezeggen. Wanneer wij bezig zijn met de bijbel, geven we ruimte aan de Heilige Geest om bezig te zijn met ons.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Tessalonicenzen 5:17-18, Lucas 11:13

Filmpje: Verhalen van verandering – Tom


Vragen

  1. De Heilige geest geeft geloof
    1. Noem enkele overeenkomsten tussen het werk van de Heilige Geest in de tijd vóór en in de tijd na Pinksteren.
    2. Wat is het verschil?
  2. Zonder de Heilige Geest zou geen mens gered worden. Waarom niet?
  3. God vraagt van mensen dat ze heilig leven (Leviticus 11:45).
    1. Wat houdt dat in?
    2. Kunnen mensen heilig leven? Licht je antwoord toe.