Bijbelcursus Les 13

Deel 13A:  Het Oude en het Nieuwe Testament 2

In deel 11A hebben we de wet, de historische boeken en de dichterlijke boeken behandeld. In dit deel bespreken we de laatste 16 boeken van het Oude Testament: de profeten.

Het werk van een profeet

Voor veel mensen is een profeet iemand met bijzondere gaven, die hem in staat stellen in de toekomst te kijken. Deze omschrijving past niet op de profeten die wij in de bijbel tegenkomen. Het zijn geen waarzeggers die door het leggen van kaarten of het kijken in een glazen bol de toekomst kunnen voorspellen. En het werk dat ze doen, doen ze ook niet uit zichzelf. Een van de profeten, Amos, legt heel duidelijk uit wat zijn werk inhoudt:

‘Zo doet God, de Heer, niets zonder dat hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten. Een leeuw heef gebruld -, wie zou er niet vrezen? God, de HEER heeft gesproken – wie zou er niet profeteren?
(Amos 3:7-8)

De profeten zijn dus mannen die door God op weg worden gestuurd om zijn plannen bekend te maken, om zijn boodschap door te geven. De boodschap die een profeet namens God brengt noemt de bijbel: een profetie.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Amos 3:7-8

De inhoud van de profetieën

Een profetie kan uit verschillende onderdelen bestaan. In de eerste plaats hebben de profeten een boodschap voor hun eigen tijd. De aanleiding voor hun optreden is vrijwel altijd dezelfde: het volk Israël is ontrouw aan God. Het heeft het verbond met God verbroken: het volk vertrouwt niet meer op God, het gaat afgoden vereren in plaats van God en in de samenleving vindt veel onrecht plaats. De profeten roepen het volk op terug te keren tot God. Die boodschap gaat meestal vergezeld van een waarschuwing. Als het volk weigert te luisteren, zal God met zijn straf komen. God straft nooit onverwacht; het volk krijgt altijd eerst de kans zich te bekeren.
De profetieën kondigen dus vaak onheil aan. Want de straf van God wordt inderdaad voltrokken als het volk niet tot God terugkeert.
Maar vaak gaat een onheilsprofetie over in een heilsprofetie: de profeten mogen vertellen dat na het oordeel betere tijden zullen aanbreken. God zal zijn volk weer in genade aannemen.

Sommige heilsprofeten kijken nog veel verder vooruit. Ze vertellen al over de komst van de redder, over zijn lijden, sterven en opstanding en over de komst van de nieuwe wereld.
Wij weten nu dat de profetieën over de komst en het werk van Jezus Christus allemaal vervuld zijn. Daarom hebben de heilsprofetieën ook een boodschap voor onze tijd: God doet wat Hij belooft, ook al lijkt de wereld waarin wij leven het tegendeel te bewijzen.

Overzicht van het optreden van de profeten

In zestien bijbelboeken treffen we profetieën aan. De boeken zijn genoemd naar de profeten die de boodschap van God komen brengen. De boeken van de profeten zijn in de bijbel opgenomen naar hun omvang. Eerst komen de ‘grote profeten’: Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël. Daarna komen de ‘kleine profeten’. Deze indeling kan misleidend zijn. De aanduiding ‘groot’ en ‘klein’ kan verward worden met ‘belangrijke’ en ‘minder belangrijke’ profeten. Maar in alle profetieën is God aan het woord.
Een ander nadeel van deze indeling is dat de profeten wat hun plaats in de geschiedenis betreft, door elkaar staan. We kunnen de profetieën beter begrijpen wanneer we ze plaatsen in de geschiedenis zoals we die in de historische boeken tegenkomen. We krijgen dan een andere indeling: de periode vóór, tijdens en na de ballingschap.

Profeten vóór de ballingschap

  • Profeten die in Israël optreden
    Amos wordt door God vanuit Juda naar Israël gestuurd. Hij protesteert vooral tegen de schijnheiligheid van de mensen in Israël. Zij doen zich vroom voor, maar ondertussen worden de armen onderdrukt en is de rechtspraak één corrupte bende. Amos wijst het volk erop dat God deze levenswijze niet accepteert. Maar het volk luistert niet. Amos krijgt te horen dat hij moet maken dat hij wegkomt. Toch maakt deze moedige schapenfokker uit Juda eerst zijn boodschap af. God stuurt hem immers!

De profeet Hosea geeft niet alleen mondeling de boodschap van God door. Zijn eigen huwelijksleven moet ook uitbeelden hoe het met de verhouding tussen God en het volk gesteld is. Want het volk Israël heeft het verbond met God verbroken en is afgoden gaan dienen. Ook Hosea’s vrouw verlaat hem en wordt prostituee. De manier waarop het volk met God omgaat, is te vergelijken met de wijze waarop Hosea’s vrouw met haar man omgaat; Israël pleegt in feite overspel.
Wanneer Hosea’s vrouw uit armoede als slavin verkocht zal worden, koopt Hosea haar en brengt haar terug naar zijn huis. Deze daad van liefde zegt ook hoe God is: God blijft wél trouw en Hij is altijd bereid weer voor het volk te zorgen.

  • Profeten die in Juda optreden
    Over de profeet Joël is weinig bekend. Wanneer hij zijn korte boodschap brengt, is er net een sprinkhanenplaag over het land gegaan. Het naderend onheil over Juda en de stad Jeruzalem wordt met deze plaag vergeleken: een niet nader genoemde vijand zal het volk kaalplukken als het volk zich niet tot God bekeert. Joël kondigt ook aan dat God het land zal herstellen (Joel 2:28-31). Het boek Joël bevat een heilsprofetie: de komst van de Heilige Geest wordt voorspeld (Handelingen 2:16-21)).

Ook de profeet Jesaja laat met zijn boodschap horen hoe God over het volk van Juda denkt (zie deel 13B). Hij doet dat vaak in beeldende taal. Jesaja is vooral bekend omdat zijn heilsprofetieën vaak in het Nieuwe Testament worden aangehaald. Jezus verwijst ook naar Jesaja om te laten zien dat Hij de beloofde redder is. Hoewel Jesaja zelf niet begrepen zal hebben over wie hij sprak, is voor ons de levensloop van de verlosser heel goed te volgen. Zo wijst Jesaja vooruit naar Jezus’ geboorte (7:14), naar zijn werk (35), zijn lijden (50:6, 53:7), zijn dood (53:5), zijn begrafenis (53:9), en zijn opstanding (53:10).

De profeet Micha is een tijdgenoot van Jesaja. Micha kondigt aan dat Samaria en Jeruzalem, de hoofdsteden van Israël en Juda, zullen worden belegerd en ingenomen. God kan het onrecht dat er gepleegd wordt, niet langer aanzien.

Wanneer Sefanja aan Juda Gods boodschap komt brengen, is het tienstammenrijk al weggevoerd naar Assyrië. De Judeeërs denken dat God niet op hun zondige leven reageert. Ze hopen dat God hun vijanden zal straffen, maar hen zal ontzien. Sefanja komt vertellen dat het zo niet zal gaan. Juda zal juist het eerst gestraft worden als het zich niet bekeert; en dan pas zijn de vijanden aan de beurt.

Vlak voor de ondergang van Juda vraagt de profeet Habakuk aan God waarom Hij toestaat dat er zoveel onrecht en ellende in Juda te vinden is. En hoe kan God een nog slechter volk gebruiken om Juda te straffen? God antwoordt Habakuk dat de gelovige in vertrouwen op God moet leven. Hij zal alles op zijn tijd en wijze rechtzetten. God heeft de macht over alle volken en Hij weet wat goed is. Hij zal de Babyloniërs, die alleen op zichzelf vertrouwen, straffen.

Uit de profetie van Jeremia weten we hoe moeilijk het werk van een profeet kon zijn. Jeremia vertelt dat de Judeeërs een steeds grotere hekel aan hem krijgen. In plaats van Gods woorden ter harte te nemen, haten ze de brenger van Gods boodschap. Zo lezen we dat Jeremia mishandeld wordt, dat er een moordaanslag op hem is voorbereid en dat hij lange tijd gevangen zit. Jeremia wordt er soms moedeloos van. Jeremia maakt zelf nog mee dat uitkomt waar hij voor gewaarschuwd heeft: Jeruzalem wordt ingenomen door de koning van Babel.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Joel 2:28-31, Handelingen 2:16-21

Profeten tijdens de ballingschap

De waarschuwingen van de profeten hebben het volk van Juda niet tot inkeer gebracht. Het Babylonische leger valt Juda binnen en verwoest Jeruzalem. Edom, het naburige land van Juda, profiteert van deze aanval. Ze mengen zich onder de vijand en plunderen de stad. Obadja spreekt daarom een vreselijk oordeel over Edom uit.

Na de ondergang van Juda worden ook profeten weggevoerd naar Babel. Een van hen, Ezechiël spreekt tijdens de ballingschap de ballingen moed en hoop in. Daniël is als jongen naar Babel meegenomen. Meer over hem in deel 14B.

Profeten na de ballingschap

Na de ballingschap moet het teruggekeerde volk de tempel en de stad Jeruzalem weer herbouwen. Ook dan zijn profeten nodig. Haggai steunt het volk bij de tempelbouw.

Zacharia en Maleachi waarschuwen het volk niet weer in hun oude zonden terug te vallen. Maleachi eindigt hoopvol. Hij kijkt vooruit naar de komst van de redder en hij spreekt over een profeet die zijn komst zal voorbereiden.

God heeft niet alleen profeten naar zijn eigen volk gestuurd. Hij ziet ook hoe buiten de grenzen van Israël de zonde de mens volledig in de macht kan hebben. De hoofdstad van het Assyrische rijk, Ninevé, is daar een voorbeeld van. Het zondige leven van de inwoners is zo ten hemel schreiend, dat God ingrijpt. Hij geeft de profeet Jona opdracht naar Ninevé te gaan om de inwoners tot inkeer te brengen (zie deel 4C).

Ongeveer een eeuw later is Ninevé weer net zo verdorven als voorheen. Opnieuw laat God een profeet naar de stad gaan. De straf die Nahum over de stad uit moet spreken, komt inderdaad uit. Ninevé wordt totaal vernietigd.

De onmacht van de mens vraagt om de redder

Na het lezen van het Oude Testament wordt heel duidelijk dat de mens sinds de zondeval God en zijn medemens niet liefheeft, zoals God dat bedoeld heeft. Dat geldt voor ieder mens. Ook bij het volk van God is deze onmacht zichtbaar. De wil om God te dienen is er vaak wel, maar toch wordt telkens weer voor het leven zonder God gekozen. In de tijd van het Oude Testament hebben richters, koningen en profeten aan deze voortdurende strijd tegen de zonde geen einde kunnen maken. Daar was meer voor nodig. Er moest iemand komen die volledige en definitieve redding zou brengen.
Maar het Oude Testament laat niet alleen zien dat het noodzakelijk is dat er een redder komt. Het Oude Testament belooft ook aan al die zondige mensen dat die redder er zeker komen zal. Want God zelf bereidt de komst van de redder voor.

 

Filmpje: Jesus Messiah

Vragen

  1. Profeten
    1. Wat is de algemene inhoud van een heilsprofetie?
    2. Welke speciale boodschap hebben de heilsprofetieën voor Israël, op korte en op langere termijn?
    3. Hebben de heilsprofetieën ons ook iets te zeggen?
    4. De profetieën kondigen meermalen de straf van God aan. Kun je laten zien dat uit de onheilsprofetieën tegelijk Gods liefde blijkt?

 


Deel 13B:  God straft zijn volk

Wanneer koning Salomo er andere goden op na gaat houden, kondigt God straf aan: Salomo’s nakomelingen zullen niet meer over het hele volk mogen regeren. Het rijk zal in twee stukken uiteenvallen. (1 Koningen 11:11-13)

Gods straf: de scheuring

Wanneer Salomo sterft, wordt zijn zoon Rechabeam koning (1 Koningen 12). De mensen uit het noorden van het land weigeren echter om hem als koning te beschouwen. Ze kiezen een andere man uit om over hen te heersen: Jerobeam.
Het rijk is vanaf dat ogenblik in tweeën gescheurd: de nakomelingen van David en Salomo zullen voortaan alleen regeren over de mensen uit de stam van Juda en over een deel van de stam Benjamin (Zie kaart 6 en bijbehorend overzicht in Wegwijzer). Dit gebied wordt het tweestammenrijk of Juda genoemd. Jeruzalem blijft het politieke en godsdienstige centrum van dit deel van het land.
Het andere deel van het rijk wordt het tienstammenrijk of Israël genoemd. Hoofdstad van dit gebied wordt Samaria. In het tienstammenrijk is er geen vaste lijn in de troonopvolging. Er heerst telkens weer een ander koningshuis.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Koningen 12

De geschiedenis van Israël en Juda

Vanaf nu hebben het tienstammenrijk en het tweestammenrijk allebei een aparte geschiedenis. In dit deel bekijken we hoe het beide rijken in de loop van de eeuwen vergaat. Dat doen we aan de hand van de twee grondregels die gelden voor Gods volk:

  • heb daarom de HEER lief met hart en ziel (Deuteronomium 6:4-5).
  • heb je naaste lief als jezelf (Leviticus 19:18).

Deze twee regels vormen een samenvatting van de tien geboden die God aan Israël heeft gegeven (Matteüs 22:34-40).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Deuteronomium 6:4-5, Leviticus 19:18, Matteüs 22:34-40

Israël: de liefde voor God

God liefhebben – dat betekent: graag doen wat Hij wil.
Liefde voor God blijkt uit gehoorzaamheid aan de regels die Hij heeft gegeven. In Israël is er de eeuwen door weinig van die gehoorzaamheid te merken. Jerobeam, de eerste koning van het tienstammenrijk, geeft al meteen het verkeerde voorbeeld.

Lezen: 1 Koningen 12:25-32
12:31 offerhoogten: verhoogde plaatsen waarop de Kanaänieten eens hun goden hadden vereerd.

Jerobeam is bang dat het met zijn koningschap gauw gedaan zal zijn. Wanneer zijn onderdanen naar de tempel in Jeruzalem zullen gaan om daar offers te brengen en de jaarlijkse feesten te vieren, zullen ze misschien ook bij Juda willen horen. Daarom bedenkt hij iets om de mensen binnen Israël te houden: hij laat in het noorden en zuiden van zijn rijk, in de plaatsen Dan en in Betel (Zie kaart 6 in Wegwijzer), twee heiligdommen bouwen, en plaatst daarin twee gouden stierenbeelden. Voortaan hoeven de mensen niet naar Jeruzalem om te offeren: ze kunnen dat in Dan of in Betel doen. Daar staan de goden die hen uit Egypte hebben geleid, zegt Jerobeam.
Niet alleen door het laten maken van deze beelden laat Jerobeam zien dat hij geen rekening houdt met wat God wil; hij laat dat ook zien door mannen uit allerlei stammen tot priester te benoemen – terwijl God had bepaald dat alleen mannen uit de stam Levi priester mochten worden. Ook stelt hij andere feesten in dan God heeft ingesteld, en brengt hij zelf offers, iets wat alleen de priesters mogen doen. God waarschuwt Jerobeam. Hij stuurt een profeet naar hem toe, die hem laat weten dat God zijn gedrag afkeurt (1 Koningen 12:33-13:34). Maar Jerobeam is niet onder de indruk. Hij geeft zijn dienaren zelfs de opdracht de profeet gevangen te nemen.

Hoe reageren de inwoners van het tienstammenrijk op Jerobeams maatregelen? Er zijn mensen die het er absoluut niet mee eens zijn. Veel priesters bijvoorbeeld (2 Kronieken 11:13-17). Zij trekken uit Israël weg en gaan in Juda wonen. En ook andere mensen uit het tienstammenrijk die de HERE willen dienen, trekken weg uit het tienstammenrijk. Maar de meeste mensen staan helemaal achter dat wat Jerobeam doet. Ze zijn zelfs enthousiast over de beelden die hun koning heeft laten maken.
De heiligdommen in Dan en Betel blijven dan ook eeuwenlang bestaan . Al die tijd vereren de Israëlieten God op een manier die Hij in zijn wet streng verboden heeft (Exodus 20:4-6). Tijdens de regering van Achab, een latere koning, wordt het zelfs nog erger: de Israëlieten gaan ook andere goden vereren (1 Koningen 16:29-33). Achab laat een tempel bouwen voor Baäl, de god van de vruchtbaarheid. De baäldienst wordt dankzij Achab zelfs de staatsgodsdienst.
Een latere koning maakt een eind aan de verering van de Baäl. Maar de heiligdommen in Dan en Betel laat hij gewoon bestaan (2 Koningen 10:18-29).

Uit de boeken 1 en 2 Koningen blijkt: zolang het tienstammenrijk bestaat, wordt het gebod ‘heb God lief met heel uw hart’ steeds opnieuw door het volk overtreden.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Koningen 12:33-13:34, 2 Kronieken 11:13-17, Exodus 20:4-6, 1 Koningen 16:29-33, 2 Koningen 10:18-29

Filmpje: afgoden in de 21e eeuw?

Israël: de liefde voor de naaste

Wat het andere gebod betreft, is het niet veel beter. Het tienstammenrijk is weliswaar rijk en machtig, maar de arme mensen worden onderdrukt (Amos 5:10-12). De rechtspraak is corrupt: rechters nemen steekpenningen aan (Amos 8:4-6). In de handel bedriegt men elkaar. Diefstal en moord zijn aan de orde van de dag (Hosea 4:1-2). Een voorbeeld: de geschiedenis van Achab en Nabot.
Koning Achab heeft zijn zinnen gezet op een stuk grond dat grenst aan zijn paleistuin (1 Koningen 21). Het stuk grond – een wijngaard – is het eigendom van de Israëliet Nabot. Achab vraagt Nabot om de wijngaard aan hem te verkopen. Maar Nabot weigert dat: de Israëlieten mogen hun familiegrond namelijk niet verkopen. Toen de Israëlieten in Kanaän kwamen, heeft God het land laten verdelen onder de families (Leviticus 25 :23-28). God heeft toen bepaald dat de familiegrond van vader op zoon moest overgaan en niet verkocht mocht worden. Israël zou nooit een land mogen worden van enkele grootgrondbezitters en vele armen.
Achab is woedend om Nabots weigering. Maar zijn vrouw Izebel weet raad. Zij geeft de bestuurders van Nabots woonplaats de opdracht: ‘Huur twee mannen in die Nabot ten aanhoren van het volk beschuldigen van zware misdaden. Leid hem dan weg en breng hem ter dood.’
Izebels bevel wordt uitgevoerd. Nabot wordt vals beschuldigd; en omdat er twee getuigen van zijn misdaden zijn, lijkt de zaak bewezen te zijn. Het volk meent dat Nabot inderdaad schuldig is en brengt hem ter dood. En Achab neemt Nabots wijngaard in bezit.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Amos 5:10-12, Amos 8:4-6, Hosea 4:1-2, 1 Koningen 21, Leviticus 25:23-28

God waarschuwt Israël

God kijkt niet werkeloos toe, wanneer zulke dingen gebeuren. Telkens weer laat Hij de mensen waarschuwen. Hij stuurt profeten: Elia, Elisa, Amos, Hosea. Soms met gevaar voor hun eigen leven geven ze Gods boodschap door.
De profeten wijzen de mensen op hun slechte daden en ze kondigen aan: Wanneer jullie zo doorgaan, zal God jullie straffen.

‘Ik zal jullie in ballingschap voeren, tot voorbij Damascus. Dit zegt de HEER.’
(Amos 5:27)

‘De offerhoogten van Isaaks volk zullen worden verwoest, de heiligdommen van Israël zullen in puin vallen, en ik zal het huis van Jerobeam treffen met het zwaard.’
(Amos 7:9)
Isaaks hoogten: de verboden offerplaatsen van Isaaks nakomelingen, de Israëlieten.

Ook roepen de profeten de mensen op om terug te keren tot God:

‘Keer terug, Israël, naar de HEER, je God! Door je eigen wandaden ben je ten val gekomen. Kom met woorden van berouw en keer terug naar de HEER. Zeg tegen hem;’Vergeef ons al onze misdaden. Neem wat goed is van ons aan. Als offer brengen wij u oprechte woorden.’
(Hosea 14:2-3)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Amos 5:27, Amos 7:9, Hosea 14:2-3

De straf voor Israël: ballingschap

Maar wat de profeten ook zeggen, de Israëlieten keren niet terug naar God (2 Koningen 17:5-6). Daarom doet God uiteindelijk waar Hij voor gewaarschuwd heeft: Hij laat het volk wegvoeren naar het land Assyrië (Zie kaart 7 in Wegwijzer). Daar moet het leven in ballingschap. Tijdens de tocht van Israël door de woestijn heeft God al voor deze straf gewaarschuwd. Hij heeft zijn volk toen al duidelijk gezegd: ‘Als u mij dient, zal het u goed gaan. (Deuteronomium 28:1-14). Maar als u niet naar mij luistert en u niet stoort aan de wet, zal Ik u straffen. Wanneer u zich niet bekeert, zal Ik vijanden tegen u doen optrekken en u laten wegvoeren.’ (Deuteronomium 28:58-68)

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Koningen 17:5-6, Deuteronomium 28:1-14, Deuteronomium 28:58-68

Juda: de liefde voor God

Wanneer we vervolgens kijken naar de geschiedenis van Juda, zien we dat het daar op het punt van de liefde voor God vaak beter gaat dan in Israël. Dat wil zeggen: na de dood van de eerste koningen, Rechabeam en Abiam. Rechabeam laat toe dat er offers aan andere goden worden gebracht. Er wordt zelfs prostitutie bedreven ter ere van deze goden. En over zijn zoon Abiam zegt de bijbel:

‘Hij bedreef alle zonden die zijn vader vóór hem had bedreven en was, in tegenstelling tot zijn voorvader David, de HEER, zijn God, niet met heel zijn hart toegedaan’.
(1 Koningen 15:3).

Maar na Abiam komt Asa op de troon. Hij laat de afgodsbeelden verwijderen, stukslaan en verbranden. De bijbel zegt over hem:

‘Net zoals zijn voorvader David deed Asa wat goed is in de ogen van de HEER’
(1 Koningen 15:11).

Na Asa komen er méér koningen die God dienen: Josafat, Hizkia en Josia bijvoorbeeld. Zij weten de mensen weer op de goede weg te brengen. Maar tussen deze koningen in regeren er ook vele koningen die zich van God niets aantrekken. Een voorbeeld is koning Manasse (2 Koningen 21). De bijbel zegt over hem dat hij zich net zo gedraagt als de vroegere Kanaänieten, die God om hun slechtheid uit Kanaän heeft verdreven (2 Koningen 21:2). Hij bouwt altaren voor de Baäl, aanbidt de hemellichamen, laat in Gods tempel altaren voor afgoden bouwen en laat er een beeld van de godin Asjera

neerzetten. En hij verleidt zijn onderdanen, de Judeeërs, ertoe om net als hij de afgoden te gaan vereren.

Uit 1 en 2 Koningen blijkt: wat er in Juda ook aan goeds is geweest, uiteindelijk eindigt men er op dezelfde manier als in Israël.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Koningen 15:3, 1 Koningen 15:11, 2 Koningen 21, 2 Koningen 21:2

Juda: de liefde voor de naaste

Ook op dit punt lijkt de situatie uiteindelijk veel op de toestand in Israël. Wanneer de koning het verkeerde voorbeeld geeft, wordt hij door het volk nagevolgd.
Mensen met hoge posities nemen andere mensen hun huizen en akkers af (Micha 2:1-2) Rechters laten zich omkopen. Armen worden uitgebuit (Micha 3:9-11). Buitenlanders, wezen, weduwen – de zwaksten in de samenleving – worden onderdrukt (Jeremia 7:5-10). Onschuldige mensen worden gedood. Zaken als stelen, moorden, het plegen van echtbreuk, en het afleggen van valse eden zijn in Juda aan de orde van de dag. Toch zijn de Judeeërs niet bang dat God hen zal straffen. Ze voelen zich veilig: ze wonen immers in Jeruzalem, de plaats waar Gods tempel staat! God zal nooit toelaten dat zijn stad en zijn tempel worden verwoest.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Micha 2:1-2, Micha 3:9-11, Jeremia 7:5-10

God waarschuwt Juda

Ook naar Juda stuurt God zijn profeten: Jesaja, Jeremia, Micha. De boodschap van deze Judese profeten is dezelfde als die van de profeten van Israël: ze wijzen de mensen op hun slechte daden, ze roepen hen op anders te gaan leven, en ze waarschuwen hen voor Gods straf (Jeremia 7:1-15). Ze maken de mensen duidelijk dat ze niet automatisch veilig zijn wanneer ze in Jeruzalem wonen. Wanneer ze zich niet bekeren, zal het hun net zo vergaan als de mensen uit het tienstammenrijk: God zal hen verstoten.
Twee fragmenten uit het bijbelboek Jesaja ter illustratie.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Jeremia 7:1-15

De rechtszaak

Lezen: Jesaja 1:2-3
De profeet Jesaja maakt in het boek dat naar hem genoemd is meteen duidelijk hoe de zaken ervoor staan tussen God en zijn volk. Het is zover gekomen met Gods volk dat God het voor de rechtbank heeft gedaagd. Aarde en hemel roept Hij erbij als getuigen wanneer Hij zijn aanklacht uitspreekt tegen zijn volk.
God heeft zijn volk grootgebracht alsof het zijn kinderen betrof. Maar nu lijkt het Hem niet eens meer te kennen! Zelfs een koe of een ezel weet precies wie zijn baas is. Maar Israël is zijn God vergeten.

De wijngaard

Enige tijd later – waarschijnlijk op een feest in de tijd van de druivenoogst – maakt Jesaja op een andere manier duidelijk hoe het met Juda gesteld is. Hij zingt een lied.

Lezen: Jesaja 5:1-7
De toehoorders hebben in het begin nog niet in de gaten waar Jesaja heen wil. Jesaja lijkt een toepasselijk lied te zingen over een vriend van hem die een wijngaard heeft. De vriend doet alles aan zijn wijngaard: stenen uit de grond halen, er een haag omheen zetten tegen de wilde dieren, een toren bouwen om de wijngaard van daaruit te kunnen bewaken. Het moet voor de toehoorders een totale verrassing zijn om te horen dat een wijngaard waaraan zoveel zorg is besteed, geen goede druiven voortbrengt.
Dan laat Jesaja zijn vriend als het ware zelf aan het woord komen. Hij vraagt de luisteraars om recht te spreken. Wat moet je met zo’n wijngaard? Iedere Israëliet zal onmiddellijk zeggen dat je daar je energie niet verder aan moet verspillen.
Wanneer de mensen zover zijn, komt Jesaja met zijn boodschap: ‘Die wijngaard, dat zijn jullie. Mijn vriend, dat is Jahwe. Jullie verdienen hetzelfde lot als de wijngaard.’

Ook voor Juda komt de ballingschap

Ondanks vele waarschuwingen van profeten als Jesaja en Jeremia keren de mensen niet terug naar God. Daarom loopt het ook in Juda onafwendbaar uit op de straf waar God het over heeft gehad: de ballingschap. In het volgende deel meer daarover.

 

Vragen

  1. God straft zijn volk
  2. Waarom laat Jerobeam in Dan en Betel stierenbeelden neerzetten?
  3. Wat is daar zo verkeerd aan? Zie hiervoor Exodus 20:4-6 en Exodus 20:22-23.
  4. Koningen
  5. Geef van elk van de koningen die hieronder vermeld staan, aan in welk rijk ze koning waren. (Zie hiervoor eventueel het overzicht bij kaart 6 in Wegwijzer).
  6. Geef van iedere koning aan of hij God wel of niet diende.
    Achab
    Abiam
    Asa
    David
    Hizkia
    Jerobeam
    Josafat
    Josia
    Manasse
    Rechabeam
    Salomo
  7. Beoordeel het gedrag van koning Achab in het licht van de twee geboden die in dit deel besproken zijn.
  8. Alles kan een afgod worden.
    Kun je deze stelling toelichten?

Deel 13C:  De kerk

In deze en de drie volgende C-delen zullen we het hebben over het negende artikel van de apostolische geloofsbelijdenis: ‘ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap van de heiligen.’

Is de kerk wel nodig?

De kerk is in de Nederlandse samenleving niet erg populair meer. Terwijl in het jaar 1900 nog 98 op de 100 Nederlanders bij een kerk hoorden, lag dat aantal aan het eind van de jaren ’80 nog maar op 49 van de 100. Ongeveer de helft van de Nederlanders was toen dus al geen kerklid meer. Het aantal niet-kerkelijken stijgt nog steeds. En onder degenen die nog wél lid zijn van een kerk, is het niet vanzelfsprekend om regelmatig een kerkdienst te bezoeken. Maar heb je de kerk wel nodig voor je geloof? Je kunt toch net zo goed geloven zonder kerk? Heel veel mensen die niet of niet meer bij een kerk horen, geloven volgens hun eigen zeggen wél in God. Ze vinden het alleen niet nodig om bij een kerk te horen: geloven is immers iets van jezelf. Of ze willen niet meer naar de kerk omdat ze teleurgesteld zijn in de kerkleden.
Toch, wanneer we de bijbel serieus nemen, kunnen we er niet onder uit: je kunt niet zonder de kerk. Geloven is wel iets persoonlijks – maar geloven doe je niet alleen. Daarom nu meer over dat wat de bijbel ons leert over de kerk.

 

Filmpje: redenen om niet naar de kerk te gaan

 

De kerk: een kudde schapen

Waarom heeft een gelovige de kerk nodig? Waarvoor dient de kerk? Om dat goed voor ogen te krijgen, kijken we naar een beeld dat in de bijbel vaak voor de kerk gebruikt wordt: het beeld van een schaapskudde.
In het Oude Testament wordt de kerk regelmatig vergeleken met een kudde schapen die onder leiding van een herder staat (Psalm 23) (Ezechiel 34) (Zie deel 6C). Dit beeld, dat voor Israëlieten zeer vertrouwd was, maakte veel duidelijk over de verhouding tussen God en zijn volk. Zoals een herder voor zijn schapen zorgt, zo zorgt God voor de mensen die in Hem geloven. Hij leidt ze, Hij beschermt en verzorgt ze. Bij Hem zijn ze veilig. En zoals een herder op zoek gaat naar een schaap dat verdwaald is, zo zoekt God de mensen op wanneer ze van Hem afdwalen. Want Hij weet dat ze zullen omkomen wanneer ze zonder de kudde en zonder de herder proberen te leven.
Wanneer Jezus op aarde is, gebruikt Hij dit beeld ook (Matteus 18:12-14). Hij noemt zichzelf de goede herder. De schapen die Hij heeft, zijn de mensen die in Hem geloven (Johannes 10:1-21). Met elkaar vormen zij zijn kudde. De goede herder zal zijn kudde altijd beschermen. Al zou hem dat zijn leven kosten. Want hij houdt van zijn schapen:

‘Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.’
(Johannes 10:11)

Dat Jezus dit niet zomaar zegt, blijkt wel wanneer Hij aan het kruis hangt. Ten koste van zijn eigen leven redt Hij, de goede herder, zijn schapen van de dood.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 23, Ezechiel 34, Matteus 18:12-14, Johannes 10:1-21, Johannes 10:11

Het werk van de herder

Wanneer we samenvatten wat het beeld van een herder en een kudde schapen ons zegt over de verhouding van Jezus en de kerk, zijn er drie belangrijke punten.

  1. Een herder roept zijn schapen elke dag bij elkaar. Hij zorgt ervoor dat losse schapen met elkaar een kudde vormen. Zo roept Jezus de mensen die in God geloven bij elkaar. Hij wil dat de gelovigen niet op zichzelf blijven staan, maar dat ze samen één gemeente gaan vormen.
  2. Zoals een herder zijn kudde tegen het gevaar van wilde dieren beschermt, beschermt Jezus zijn kerk tegen de aanvallen van de satan. De kerkleden zijn bij Hem veilig.
  3. Een herder zorgt ervoor dat zijn schapen genoeg te eten en te drinken hebben. Zo zorgt Jezus voor zijn kerk. De gelovigen hebben het goed bij Hem.

Het is voor een schaap van levensbelang dat hij bij de kudde blijft. Alleen daar kan hij rekenen op de bescherming en de verzorging van de herder. Op dezelfde manier is het voor een gelovige van levensbelang dat hij bij de kerk blijft. Want daar kan hij rekenen op de bescherming en verzorging van de herder, Jezus Christus.
Maar hoe is dat mogelijk in deze tijd? Jezus Christus is toch naar de hemel gegaan? Heeft de kudde nog wel een herder? Zijn de gelovigen niet aan zichzelf over gelaten?

 

Filmpje: een herder en zijn schapen

De herder stelt onderherders aan

Jezus is na zijn opstanding naar de hemel gegaan. Maar dat betekent niet dat Hij zijn schapen daarmee in de steek heeft gelaten. Integendeel. Jezus bleef voor zijn kerk zorgen. Hij gaf zijn kerk ‘onderherders’; mannen die onder Hem herder mochten zijn over zijn kudde (Johannes 21:15-17). Mannen die namens Hem leiding zouden geven aan de kerk, die de kerk zouden beschermen en zouden verzorgen.

In het begin waren degenen die dat deden de apostelen: de mannen die Jezus’ speciale leerlingen waren geweest en alles van Hem hadden meegemaakt. Toen zij de wereld ingingen en overal over Jezus vertelden, kwamen er veel mensen tot geloof. Overal ontstonden kerken – of zoals ook wel gezegd wordt: gemeentes.
Aanvankelijk hadden de apostelen de leiding over deze kerken. Zij gaven er iedere zondag onderwijs en regelden alles. Maar al snel stelden de apostelen in iedere kerk oudsten of opzichters aan (Handelingen 2:42): mannen die als herders voor de kudde van Jezus Christus moesten zorgen (Handelingen 14:23). Met elkaar gaven deze oudsten leiding aan de gemeente, en zorgden ze ervoor dat niemand afdwaalde (Titus 1:5-9).
Sommige van de oudsten kregen een speciale taak (1 Timoteus 5:17) Zij moesten de gemeente onderwijs geven, en ze moesten preken: aan de gemeenteleden uitleggen wat God in de bijbel zegt.
Ook werden er diakenen aangesteld: gemeenteleden die onder andere de taak hadden arme en zieke mensen te helpen (1 Timoteus 3:8-13).

Apostelen zijn er in onze tijd niet meer. Alleen mensen die Jezus zelf hadden meegemaakt, hebben de functie van apostel vervuld. Maar wel zijn er nog steeds in iedere kerk oudsten. Ze hebben nu de naam ouderlingen gekregen. Ze hebben als taak hun medekerkleden verder te helpen in het geloof. Ook zorgen zij ervoor dat alles in de kerk goed verloopt. Een ouderling die de taak heeft om te preken en onderwijs te geven, wordt tegenwoordig een predikant of dominee genoemd.
De naam diaken, helper, wordt nog steeds gebruikt voor degenen die geld inzamelen en uitdelen aan de mensen die dat nodig hebben. Diakenen zorgen er ook voor dat ze op de hoogte zijn van bepaalde problemen onder kerkleden. Ze zorgen ervoor dat mensen de hulp krijgen die ze nodig hebben. Daarbij schakelen ze vaak andere kerkleden in.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 21:15-17, Handelingen 2:42, Handelingen 14:23, Titus 1:5-9, 1 Timoteus 5:17, 1 Timoteus 3:8-13

Gewone mensen

Ouderlingen, predikanten en diakenen: het zijn allemaal gewone mensen. Gewone kerkleden, even zondig als iedereen, met dezelfde rechten en plichten als iedereen. Het enige verschil met andere kerkleden is dat zij van Christus een speciale taak hebben gekregen: ze moeten de gemeente besturen en verzorgen.
Het is niet zo dat alleen zij een taak hebben (Hebreeen 3:12-13). Alle kerkleden hebben de opdracht elkaar te helpen verder te komen in het geloof. Ieder kerklid moet iemand die verkeerd leeft, terechtwijzen. (1 Tessalonicenzen 5:12-15) Iedereen moet de mensen die het moeilijk hebben, helpen. De kerkleden kunnen dat ook. Want de Heilige Geest werkt niet meer alleen in mensen die een speciale opdracht van God hebben gekregen. (Zie deel 12C) Hij werkt in alle gelovigen.
Ouderlingen en diakenen gaan de gemeenteleden vóór in het zorgen voor de kerk. Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld de predikant het hoofd is van de kerk. Het hoofd van de kerk – dat is Christus. Hij is de ‘opperherder’, degene die het over de christenen te zeggen heeft. Maar hij gebruikt mensen om – onder Hem – leiding te geven aan de kerk.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Hebreeen 3:12-13, 1 Tessalonicenzen 5:12-15

De kerk is onmisbaar

Ook na zijn hemelvaart is Jezus actief betrokken gebleven bij zijn kerk. In de kerk is zijn stem als het ware nog hoorbaar. In de kerk horen christenen hoe Jezus wil dat ze leven. Ze merken zijn liefde en zorg voor hen. Als ze het moeilijk hebben, worden ze bemoedigd. Als ze aan het afdwalen zijn, worden ze teruggeroepen. Als ze verdriet hebben, worden ze getroost. Al is Jezus in de hemel – nog steeds beschermt en verzorgt Hij de mensen die bij Hem horen.
Uit de bijbel blijkt dat de kerk onmisbaar is voor de gelovigen. Lid zijn voor de kerk is voor alle christenen van levensbelang. Want in de kerk zijn ze onder de veilige hoede van Jezus Christus.

De kerk is heilig

De apostolische geloofsbelijdenis noemt de kerk ‘een heilige, algemene, christelijke kerk’. Daarmee noemt de belijdenis dus twee eigenschappen van de christelijke kerk: heiligheid en algemeenheid.

De kerk van Jezus Christus wordt in de eerste plaats heilig genoemd (1 Petrus 2:9-10). Maar klopt dat wel? Is de kerk wel zo heilig? Gaat het er in de kerk werkelijk altijd heilig aan toe? Nee, dat niet. Maar dat wordt hier ook niet bedoeld. Wanneer we zeggen dat de kerk heilig is, zeggen we daarmee allereerst dat de kerk bij God hoort. God de Vader heeft zich aan de kerk verbonden. Zijn Zoon heeft de leden van de kerk gered door zijn leven voor hen op te offeren (Efeziers 5:25-27) En zijn Geest werkt in hen. Omdat de heilige God de kerkleden uit de dood heeft gered en aan zijn kant heeft gezet, mogen we de kerk heilig noemen (1 Petrus 1:2).
Dat betekent natuurlijk niet dat de mensen er in de kerk maar op los kunnen gaan leven, vanuit het idee: met ons zit het wel goed (1 Petrus 1:16). Wie bij God hoort, moet ook heilig gaan leven. (Zie deel 12C) Heiligheid is dus niet alleen een kenmerk van de kerk; het is ook een opdracht aan de leden van de kerk.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Petrus 2:9-10, Efeziers 5:25-27, 1 Petrus 1:2, 1 Petrus 1:16

De kerk is algemeen

De kerk is behalve heilig ook algemeen. Dat betekent: de kerk is niet gebonden aan een bepaalde tijd. En de kerk is ook niet gebonden aan een bepaalde plaats, een bepaald land of een bepaald volk (Johannes 3:16). De kerk bestaat uit gelovigen uit de hele wereld (Johannes 10:16).

De kerk is dus niet iets van vandaag of gisteren. De kerk is er altijd geweest. Vanaf het eerste begin. Adam en Eva hoorden bij de kerk; Abel, Set, Enos en Noach hoorden erbij (Genesis 4:26). Iedereen die God diende, maakte deel uit van de kerk. Vanaf de tijd van Abraham bestond de kerk voornamelijk uit Israëlieten. De kerk bestond vanaf toen dus uit leden van één volk: de afstammelingen van Abraham. Alle Israëlieten hoorden bij God en dienden Hem. Daarom werd het volk Israël vaak het volk van God genoemd. Het volk van God – dat is een ander woord voor de kerk.
Hoorden alle Israëlieten tot de kerk? Nee, er waren uitzonderingen. Mannen die zichzelf niet wilden laten besnijden en mensen die bepaalde misdaden hadden begaan, hoorden er bijvoorbeeld niet bij. Zij werden uit de kerk verbannen.
En aan de andere kant konden mensen die niet van Israëlitische afkomst waren, tóch bij de kerk gaan horen: wanneer ze in God geloofden en zich wilden laten besnijden, werden ze in Gods volk opgenomen (Exodus 12:48).

Toch kun je wel zeggen dat de kerk in de tijd van het Oude Testament voornamelijk uit Israëlieten bestond. Maar dat veranderde in de tijd van het Nieuwe Testament.
Nadat Jezus naar de hemel was gegaan en nadat de Heilige Geest was gekomen, werden mensen uit alle volken opgeroepen om zich tot de levende God te bekeren. De Heilige Geest zorgde ervoor dat talloze mensen over de hele wereld in Jezus Christus gingen geloven. Met elkaar gingen zij één volk vormen: het volk van God (1 Petrus 2:9-10). Daarmee loste God de belofte in die Hij aan Abraham gegeven had (Genesis 17:4-7). God had aan Abraham beloofd dat hij ‘vader van een menigte volken’ zou worden. En dat is gebeurd. Christenen uit alle volken worden door God als nakomelingen van Abraham beschouwd (Romeinen 4:1-12). Niet omdat ze dat van nature zijn, maar omdat ze hetzelfde geloof hebben als Abraham (Galaten 3:26-29). Een christen is een ‘kind van Abraham’ omdat hij, net als Abraham, in God gelooft, en zijn vertrouwen helemaal op Hem stelt.
In de tijd van het Oude Testament mochten alle natuurlijke afstammelingen van Abraham bij Gods volk horen. Na de komst van de Heilige Geest horen alle ‘geloofsafstammelingen’ van Abraham tot het volk van God, de kerk.

De kerk is er altijd geweest en zal altijd blijven bestaan. Daar zorgt God voor. Dat laat al zien hoe belangrijk de kerk is. In de volgende deel komen we terug op het belang van de kerk. Ook houden we ons dan bezig met de vraag: wat is de goede kerk? Aan welke kenmerken kun je de kerk van Jezus Christus herkennen?

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 3:16, Johannes10:16, Genesis 4:26, Exodus 12:48, 1 Petrus 2:9-10, Genesis 17:4-7, Romeinen 4:1-12, Galaten 3:26-29

 

Meer lezen over de kerk? Op deze site vind je veel informatie!

Vragen

  1. Wat zegt het beeld van een schaapskudde over de kerk?
  2. Geen christen kan zonder de kerk. Waarom niet?
  3. De kerk wordt in de geloofsbelijdenis een heilige, algemene, christelijke kerk genoemd. Leg (kort) uit wat de geloofsbelijdenis daarmee over de kerk wil zeggen.