Bijbelcursus Les 14

Deel 14A: Niets in het Oude Testament is overbodig

Bij het lezen van het Oude Testament komen we soms gedeelten tegen waarvan we de zin niet direct inzien: bijvoorbeeld lange geslachtsregisters, waarin moeilijk uit te spreken namen staan. Het lijkt dan ook heel begrijpelijk om deze stukken maar over te slaan. Maar deze, en ook andere ogenschijnlijk nietszeggende delen, hebben een functie: ze vertellen ons over de trouw van God en over de komst van Jezus en zijn reddingswerk.

We zullen aan de hand van een aantal voorbeelden zien dat God niets overbodigs in het Oude Testament heeft laten opschrijven.

Geslachtsregisters: waarschuwing én goed nieuws

In Genesis 4:17-26 staan twee korte geslachtsregisters. Het zijn de geslachtsregisters van Kaïn en van Set, de zonen van Adam en Eva. Dat geeft meteen te denken: waarom wordt er onderscheid gemaakt tussen zonen van dezelfde vader? Dat komt omdat ze beiden een totaal verschillend leven leiden: Kaïn en zijn nakomelingen leven zonder God, Set en zijn nakomelingen leven met God (zie Deel 3B).
Het verschil tussen deze twee geslachten is goed te zien aan hun manier van leven. Nadat Adam en Eva uit het paradijs zijn gezet, begint de strijd om het bestaan. De mens is voortaan overgeleverd aan zonde, ziekte en dood.

Kaïns nakomelingen proberen zichzelf staande te houden. Ze zullen het wel redden zonder God. En eendracht maakt macht. Ze zoeken bescherming bij elkaar. Nog tijdens Kaïns leven ontstaan de eerste nederzettingen, de voorlopers van de steden. In die nederzettingen voelen de nakomelingen van Kaïn zich redelijk veilig. Want voor de nakomelingen van Kaïn geldt het recht van de sterkste. Lamech is daar het sprekende voorbeeld van: degene die hem iets aandoet, zal het met de dood moeten bekopen.
Die instelling maakt mensen hard tegenover elkaar. Tegelijk komt het leven uiterlijk tot bloei: ambacht, kunst en cultuur komen tot hoge ontwikkeling. Ze maken het leven gemakkelijker en aangenamer. Maar de mensen danken God niet voor al die welvaart. Ze zijn God vergeten. Ze leven alleen voor zichzelf.
Over het nageslacht van Set valt weinig interessants te vertellen. De nakomelingen van Set leveren geen belangrijke bijdragen aan de ontwikkeling van kunst en cultuur, zoals de nakomelingen van Kaïn. Toch vertelt de bijbel ons één bijzonderheid over Sets nakomelingen: ze roepen de naam van God aan. Ook zij komen bij elkaar. Niet om bescherming bij elkaar te zoeken, maar om God te vragen om hulp. En om Hem te bedanken voor alles wat Hij doet en geeft. Ze erkennen dat ze van God afhankelijk zijn en ze verwachten alles van Hem. Ze nemen niet het recht in eigen handen, maar ze laten hun leven leiden door God.

Twee stambomen, die twee verschillende levensstijlen laten zien. Vanaf de opstand van de mens tegen God tot de dag van vandaag is die tegenstelling blijven bestaan. Er zijn mensen die zichzelf willen redden in het leven en er zijn mensen die weten dat alleen God hun leven redden kan.
De twee levenswegen die de stambomen in Genesis 4 laten zien, komen we in de bijbel wel vaker tegen. Ze vormen onder andere het onderwerp van Psalm 1.

Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen, die de weg van zondaars niet betreedt, bij spotters niet aan tafel zit, maar vreugde vindt in de wet van de HEER en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht. Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water. Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet. Alles wat hij doet komt tot bloei.

Zo niet de wettelozen! Zij zijn als kaf dat verwaait in de wind. Wettelozen houden niet stand waar recht heerst, zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen. De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen, de weg van de wettelozen loopt dood. .’

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 1

 

Filmpje: Psalm 1 (Sons of Korah)

In het eerste boek van Kronieken komen we weer een geslachtsregister tegen. (1 Kronieken 1:1-27) Dit register loopt van Adam tot en met Abraham. Op het eerste gezicht lijkt het een gewoon geslachtsregister. Maar als we goed lezen, valt meteen iets op in het eerste vers: de stamboom van Kaïn is hier niet meer opgenomen. Zijn nageslacht is door de zondvloed van de aardbodem verdwenen. God heeft de rollen omgedraaid. Degenen die dachten God niet nodig te hebben, heeft God niet nodig om de toekomst voor te bereiden.

God heeft de wereld zwaar gestraft door de zondvloed. Maar al het water van de zondvloed heeft de zonde niet weggewassen. De mensen blijven zondig. Bepaalde namen uit het geslachtsregister herinneren de lezer daaraan. De namen Noach en Cham bijvoorbeeld (Zie deel 4B).
Uit het geslachtsregister blijkt ook dat het aantal mensen dat God wil dienen, maar klein is. Veel geslachten vergeten God en willen niets weten van de redding die Jezus brengen zal. Maar het geslachtsregister uit 1 Kronieken 1 laat ook zien dat het werk van God doorgaat. Uit het geslacht van Abraham zal de redder geboren worden. En als Jezus zijn reddingswerk gedaan heeft, mogen alle volken van de aarde op die redding een beroep doen.

Geslachtsregisters zijn op het eerste gezicht misschien saaie opsommingen van namen. Toch hebben ze ons iets te zeggen.Want al die namen herinneren ons aan geschiedenissen die we in de bijbel kunnen lezen. Ze herinneren ons eraan hoe de mensen in de tijd van de bijbel hun leven inrichtten: met of zonder God. Ze vertellen ook hoe zelfs mensen die bij God wilden horen, zich telkens weer van Hem afkeerden. De geslachtsregisters laten heel duidelijk zien dat de redding van zonde en dood onmogelijk door een mens gebracht kan worden. Maar geslachtsregisters zeggen ook hoe goed God is: hoe Hij altijd weer verder ging met zondige mensen. Hoe Hij ervoor zorgde dat de lijn naar de beloofde redder niet verbroken werd. En hoe Hij de geschiedenis zó leidde, dat zijn Zoon geboren kon worden. Ook om ons te kunnen redden.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Kronieken 1:1-27

De tabernakel: God wil wonen bij de mensen

We hebben nu de functie van geslachtsregisters bekeken. Maar er staan nog andere gedeelten in het Oude Testament die volstrekt overbodig lijken. De uiterst nauwkeurige beschrijving van de bouw van de tabernakel bijvoorbeeld. Wanneer het volk Israël op weg is naar Kanaän vindt bij de berg Sinaï de verbondssluiting tussen God en Israël plaats. Nadat God aan Israël de tien geboden heeft gegeven, klimt Mozes de berg Sinaï op om God te ontmoeten. Tijdens deze ontmoeting vertelt God Mozes dat Hij bij het volk wil wonen. Daarom moet het volk de tabernakel bouwen.

In Exodus 25-28 beschrijft God nauwkeurig hoe die tabernakel er uit moet zien (Zie schema bij kaart 4 in Wegwijzer). Die beschrijving is zo nauwkeurig, dat wij ons makkelijk een voorstelling van de tabernakel kunnen maken. Tot in de kleinste details wordt de tent beschreven. Zelfs de lussen en de haken, waarmee de tentkleden aan elkaar vastgemaakt moeten worden, zijn geteld. Ook de voorwerpen die in de tabernakel komen te staan, moeten precies gemaakt worden zoals God dat voorschrijft. Die nauwkeurige beschrijving heeft een bedoeling. Want de Israëlieten mogen niet zelf bedenken hoe ze God zullen dienen. God zelf bepaalt dat. Hij is het die voorschrijft hoe de tent en de voorwerpen die daarbij horen, eruit moeten zien.

Exodus 35-39 lijkt wel een herhaling te zijn van wat er in Exodus 25-28 staat. In deze hoofdstukken wordt precies beschreven hoe de tabernakel en de voorwerpen die daarin komen te staan, gemaakt worden. Deze beschrijving is bijna woordelijk gelijk aan de beschrijving in Exodus 25-28. We kunnen daaruit opmaken dat de aanwijzingen die God gegeven heeft, exact zijn opgevolgd. Voor ons lijkt dat overbodig: de mededeling dat het werk is uitgevoerd zoals God heeft opgedragen, was toch wel voldoende geweest?
Toch heeft de herhaling een bedoeling. Uit deze herhaling blijkt dat de Israëlieten God gehoorzamen. Ze maken alles precies zoals God het heeft voorgeschreven. Ze laten daarmee zien dat ze God willen dienen op de manier die Hij heeft bepaald.
Want dat is niet altijd zo geweest. In Exodus 32 wordt verteld dat het volk eens zelf een manier bedacht heeft om God te dienen. Tijdens de veertig dagen die Mozes bij God op de berg Sinaï was, maakten ze een gouden kalf. Dat kalf moest God voorstellen. Op die manier probeerden de Israëlieten God onder handbereik te krijgen. Maar dat was niet de manier waarop God gediend wilde worden!
Uit Exodus 35-39 blijkt dat de Israëlieten zich bekeerd hebben. Ze houden zich nu aan de regels die God gegeven heeft. Ze bouwen de tabernakel precies volgens zijn voorschriften. En wanneer ze dat gedaan hebben, maakt God van de tabernakel zijn woonplaats.

De nauwkeurige voorschriften voor de bouw van de tabernakel en de bijna woordelijke herhaling bij de uitvoering van deze voorschriften, blijken dus een boodschap te bevatten. We kunnen eruit leren dat het God is die bepaalt hoe de gelovigen Hem moeten dienen. En wanneer mensen God dienen op de manier die Hij van hen vraagt, zal Hij hen zegenen. Hij komt dan bij hen wonen. In de tijd van het Oude Testament kwam God bij de mensen wonen in de tabernakel; in onze tijd wil God bij ons komen wonen door de Heilige Geest.

De verdeling van het land: God zorgt voor zijn volk

Nog een voorbeeld van overbodig lijkende informatie is het uitgebreide verslag van de verdeling van het land Kanaän in het boek Jozua (Zie schema bij kaart 5 in Wegwijzer). Hoofdstuk 13:1-7 vermeldt dat God aan Jozua opdracht geeft het nog niet veroverde land alvast onder de stammen te verdelen. Het vervolg van hoofdstuk 13 tot en met hoofdstuk 21 beschrijft welk gebied aan welke stam wordt toegewezen. De grenzen worden nauwkeurig vastgesteld aan de hand van dorpen en steden. Het lijkt wel een beschrijving voor het kadaster!
Voor ons lijkt dat nogal overdreven: na vers 7 was een opmerking dat Jozua het land inderdaad verdeelde, wel genoeg geweest. Toch laat juist een gedeelte als dit ons zien hoe God is. Want allereerst blijkt hoe betrouwbaar God is. God heeft al aan Abraham beloofd:

‘Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en ik zal hun God zijn’.
(Genesis 17:8)

Abraham beleeft dat moment niet. Maar de belofte gaat over op zijn nakomelingen. Daarom wordt het te verdelen land een erfdeel genoemd . En nog vóór het land veroverd is, wordt het erfdeel al toegewezen. Heel terecht eindigt het verslag van de verdeling dan ook met de woorden:

‘Hij brak niet één van de beloften die hij Israël had gedaan. Hij deed ze alle gestand’.
(Jozua 21:45)

Uit de gedetailleerde beschrijving blijkt ook de zorg van God voor zijn volk. Hij heeft aandacht voor elke stam apart. Er moeten nog grote stukken land veroverd worden, maar daarna zorgt God ervoor dat ieder op zijn eigen plek geen gebrek hoeft te lijden. Het land wordt eerlijk verdeeld, elke stam krijgt wat hij nodig heeft.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 17:8, Jozua 21:45

Opmerkzaamheid gevraagd

Uit de voorbeelden die we bekeken hebben, blijkt dat we overbodig lijkende bijbelgedeelten niet moeten overslaan. Ze vragen ook onze aandacht. We moeten ons juist afvragen: waarom laat God iets herhalen? Of: waarom is dit gedeelte zo uitgebreid verteld? Komt er misschien een belofte uit, of wil God ons iets leren?
Alles wat God in het Oude Testament heeft laten opschrijven, is bedoeld om Hem beter te leren kennen. Zelfs in stukken die ons op het eerste gezicht niet boeiend genoeg lijken om te lezen, ontdekken we God. Zo hebben we in dit deel gezien dat Hij de geschiedenis leidt, dat Hij dichtbij ons wil wonen en dat Hij voor zijn kinderen zorgt. En als we weten dat God zijn eigen Zoon ervoor over heeft gehad om ons te redden van zonde en dood, dan willen wij Hem toch helemaal leren kennen?

Filmpje: De bijbel is het allermooiste geschenk

 

Vragen

  1. In Ezra 2 vinden we een lijst van namen van mensen die naar Jeruzalem terugkeren om de tempel te herbouwen. Veel van de mensen die op deze lijst staan, moeten straks dienst doen bij de tempel.
    1. Waarom is het belangrijk dat iemand zijn afkomst met behulp van een geboorteregister kan aantonen? Zie: Exodus 28:1; zie ook deel 9A
    2. Kunnen we uit Ezra 2:59-62 een conclusie trekken ten aanzien van de vraag hoe de teruggekeerde mensen het leven in Israël weer willen beginnen?

 


Deel 14B: God laat zijn volk niet los

Omdat de Israëlieten zich ondanks vele waarschuwingen van de profeten niet wilden bekeren, heeft God hen tenslotte gestraft: ze zijn weggevoerd naar Assyrië. Maar ook voor de Judeeërs loopt het uiteindelijk uit op een ballingschap.

De ballingschap van Juda

De Judeeërs laten de profeten die God stuurt maar praten. Ze komen niet tot inkeer. God heeft eeuwenlang geduld met hen. Maar uiteindelijk straft Hij Juda. Hij doet dat door middel van Nebukadnessar, de koning van Babel.
Nebukadnessar valt Juda aan en behaalt de overwinning (2 Koningen 24:1-18). Een aantal jaren betalen de Judeeërs hem belasting. Dan komen ze in opstand. Nebukadnessar treedt hard op: hij rooft de tempel en het paleis van de koning leeg, en neemt alle mensen die iets te betekenen hebben gevangen. Hij brengt ze naar Babel, de hoofdstad van het land dat Babylon of Babylonië werd genoemd – het tegenwoordige Irak (Zie kaart 7 in Wegwijzer). Alleen de allerarmste mensen blijven in Juda achter. Nebukadnessar stelt een koning over hen aan: Sedekia, een nakomeling van David. Sedekia is een koning die doet ‘ wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals Jojakim’.
Sedekia blijkt niet veel te hebben geleerd van wat er is gebeurd (2 Koningen 24:20-25:26). Na acht jaar komt ook hij in opstand tegen Babel. Nebukadnessar grijpt hardhandig in. Jeruzalem en de tempel worden compleet verwoest. De mensen die nog niet waren weggevoerd, worden nu ook naar Babel gebracht. Sedekia wordt zwaar gestraft. Zijn zoons worden voor zijn ogen vermoord. Dat is het laatste wat hij ziet: daarna worden zijn ogen uitgestoken en wordt hij geboeid naar Babel weggevoerd.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Koningen 24:1-18, 2 Koningen 24:19, 2 Koningen 24:20 – 25:26

God belooft redding

Het lijkt erop dat dit het einde zal worden voor Gods volk. De inwoners van Israël en Juda zijn weggevoerd uit hun land. Je zou verwachten dat het volk van God nu langzamerhand zal opgaan in andere volken. Maar God heeft het zijn volk al eeuwen voor de ballingschap laten weten: er is een toekomst voor Israël. De wegvoering zal niet het einde betekenen. Profeten als Jesaja en Amos hebben niet alleen de straf aangekondigd, maar mochten ook lang van tevoren spreken over het moment dat God zou zeggen: ‘Het is genoeg’. God heeft hen als het ware een blik laten slaan in de tijd van de ballingschap.

Jesaja mocht mensen al oproepen om Gods volk te troosten. De straf is genoeg geweest:

‘Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan, omdat zij een dubbele straf voor haar zonden van de HEER heeft ontvangen’.
(Jesaja 40:1-2)
spreekt Jeruzalem moed in: ‘zeg tegen Jeruzalem dat God van haar houdt’. Met Jeruzalem wordt hier Gods volk bedoeld.

Het boek Jesaja begint met een rechtszaak, zoals we zagen in de vorige deel. Aarde en hemel zijn getuigen wanneer God zijn volk aanklaagt. Maar aarde en hemel zullen ook de getuigen zijn als Jahwe zijn volk weer in genade aanneemt en het troost:

‘Juich, hemel! Jubel, aarde! Bergen, breek uit in gejuich! De HEER heeft zijn volk getroost, hij heeft zich over de armen ontfermd.’
(Jesaja 49:13)

Ook de profeet Amos kondigde naast straf redding aan:

‘Ik zal het lot van mijn volk Israël ten goede keren. Zij zullen hun verwoeste steden herbouwen en erin wonen, ze zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken, ze zullen tuinen aanleggen en de vruchten ervan eten.’
(Amos 9:14)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Jesaja 40:1-2, Jesaja 49:13, Amos 9:14

God houdt zijn volk vast

Niet alleen in de eeuwen vóór de ballingschap hebben profeten redding aangekondigd. Ook tijdens de ballingschap laat God aan zijn volk zijn liefde blijken. Hij stuurt hun ook dan profeten. Ezechiël bijvoorbeeld. Hij mag de mensen in Babel vertellen dat de ballingschap maar tijdelijk zal zijn. God belooft:

‘Ik leid jullie weg bij die volken ik breng jullie bijeen uit die landen, en laat je naar je eigen land terugkeren’
(Ezechiel 36:24)

Ezechiël waarschuwt de mensen: God brengt jullie niet terug omdat jullie zo goed zijn (Ezechiel 36:19-24). Hij zal jullie terugbrengen om de andere volken te laten zien hoe machtig en heilig Hij is. Toen jullie in ballingschap gingen, hebben jullie Gods naam in opspraak gebracht. De volken waar jullie kwamen, spotten: ‘Dat is nu het volk van Jahwe, maar toch moesten ze uit zijn land vandaan! Kennelijk is die Jahwe heel wat minder machtig dan de goden van Babel!’ Het heeft God diep gegriefd dat zijn naam zo door het slijk werd gehaald. Wanneer God jullie terugbrengt, doet Hij dat niet vanwege jullie, maar vanwege zijn naam (Ezechiel 36:25-26).
Ezechiël voorzegt ook dat God meer zal doen dan zijn volk terugbrengen. Hij zal nieuwe mensen van hen maken. Hij zal hun een nieuw hart geven. In plaats van een hart van steen zullen ze een warm kloppend hart krijgen. Ze zullen een andere instelling krijgen tegenover God en tegenover elkaar.

God belooft:

‘Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. Jullie zullen in het land wonen dat ik aan je voorouders gegeven heb, jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn’
(Ezechiel 36:27)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Ezechiel 36:24, Ezechiel 36:19-24, Ezechiel 36:25-26, Ezechiel 36:2

Daniël

Een andere profeet die optreedt tijdens de ballingschap is Daniël. Daniël is nog jong wanneer hij naar Babel wordt gevoerd. In Babel krijgt hij samen met drie van zijn vrienden een belangrijke positie aan het hof van koning Nebukadnessar.

Lezen: Daniel 2
2:2 Chaldeeën: een groep waarzeggers.
2:4 Aramees: hier begint een gedeelte dat geschreven is in de Aramese taal (een taal die verwant is aan het Hebreeuws).

Koning Nebukadnessar heeft een droom gehad die hem zeer verontrust. Hij meent dat die droom een bepaalde betekenis moet hebben, en ontbiedt alle mensen die zich bezighouden met astrologie en toekomstvoorspelling. Zij moeten zijn droom uitleggen. Maar dat niet alleen: ze moeten hem eerst vertellen wat de koning gedroomd heeft. Wanneer ze dat niet kunnen, zal de koning hen als bedriegers aan de kaak stellen: ze zullen op een afschuwelijke manier ter dood gebracht worden.
Geen van de waarzeggers is in staat te vertellen wat de koning gedroomd heeft. Er wordt daarom een massa-executie aangekondigd. Ook Daniël en zijn vrienden zullen gedood worden. Maar God verhindert dat dat gebeurt. Hij zorgt ervoor dat Daniël kan vertellen wat de koning gedroomd heeft en dat hij kan uitleggen wat die droom betekent: er zal een eind komen aan het machtige Babylonische rijk. Er zal een ander wereldrijk voor in de plaats komen. Maar ook dat rijk zal niet blijven bestaan – en ook de rijken die er op volgen niet. Uiteindelijk zullen alle wereldrijken verbrijzeld worden door het koninkrijk van God. Nebukadnessar is diep onder de indruk. Van Daniël – maar vooral van de God van Daniël. Hij begrijpt dat Daniëls God de God is die over alles en iedereen regeert

Tekstverwijzingen en citaten uit: Daniel 2

De terugkeer

Wat God via Daniël en andere profeten heeft beloofd, gebeurt. Nadat het Babylonische rijk zeventig jaar bestaan heeft, wordt het veroverd door het Perzische rijk. God gebruikt de koning van Perzië, Kores, om zijn volk weer terug te laten gaan. Er gebeurt op die manier precies wat God al door de profeet Jesaja heeft laten voorzeggen (Jesaja 45:1-7).

Lezen: Ezra 1:1-11

Ieder die bij Gods volk hoort, mag dus terug. Dat geldt niet alleen voor degenen die in het tweestammenrijk woonden, maar ook voor mensen uit het tienstammenrijk. Het Perzische rijk omvat namelijk ook het gebied waar de inwoners van het tienstammenrijk een paar honderd jaar geleden zijn heengevoerd.
God zorgt ervoor dat zijn volk niet met lege handen thuis hoeft te komen. Koning Kores draagt zijn onderdanen op de Israëlieten goud, zilver, huisraad en vee mee te geven. Daarnaast geven ze vrijwillig dingen mee voor de tempel. Kores zorgt er bovendien voor dat alles wat Nebukadnessar uit de tempel had geroofd, weer mee terug naar Jeruzalem gaat. Lang niet alle mensen gaan terug naar Jeruzalem. Veel mensen zijn in Babel geboren en voelen zich er thuis. Ze willen er blijven wonen. De mensen die wel gaan, zijn God heel erg dankbaar. Ze hebben het gevoel dat ze dromen. En niet alleen zij zijn onder de indruk. Ook de mensen uit andere volken, die eerst dachten dat Israëls God minder machtig was dan de goden van Babel, staan nu versteld. Dat blijkt uit een lied dat de Israëlieten later zongen:

‘Toen de HEER het lot van Sion keerde, was het of wij droomden, een lach vervulde onze mond, onze tong brak uit in gejuich. Toen zeiden alle volken: De HEER heeft voor hen iets groots verricht’
(Psalm 126:1-2)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Ezra 1:1-11, Psalm 126:1-2

De herbouw van de tempel

Bijna 50.000 Israëlieten zijn onder leiding van Zerubbabel, een nakomeling van David, en de hogepriester Jozua naar hun land teruggekeerd (Ezra 2,3). Snel begint men met de herbouw van de tempel. Er wordt een altaar gebouwd, zodat de priesters in ieder geval weer offers kunnen brengen. Daarna worden de fundamenten van de tempel gelegd. Wanneer dat werk klaar is, wordt er een groot feest gevierd, waarbij het hele volk aanwezig is. Er wordt muziek gemaakt en gezongen om God te danken en te loven. Tot in de wijde omtrek is te horen hoe blij het volk is over wat Jahwe gedaan heeft. Maar al snel na deze feestdag komt de bouw van de tempel voor lange tijd stil te liggen (Ezra 4). De Samaritanen

, een volk dat tijdens de ballingschap in het land heeft gewoond, werken de herbouw tegen.
Na een aantal jaren stuurt God profeten naar zijn volk toe: Haggaï en Zacharia (Haggai 1:4 en 8). Ze roepen de mensen op om verder te gaan met de bouw van de tempel. ‘Jullie wonen in mooi betimmerde huizen, terwijl Gods huis nog een ruïne is! Dat kan toch niet? Ga de bergen in, kap hout, en bouw de tempel weer op!’Het volk luistert naar de profeten, en gaat met enthousiasme aan de slag. En na enkele jaren is het werk voltooid: de tempel staat er weer. Met een feest wordt de tempel ingewijd (Ezra 6:13-22).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Ezra 2,3,4, Haggai 1:4 en 8, Ezra 6:13-22

De herbouw van de stadsmuren

De tempel is nu herbouwd, maar Jeruzalem is nog steeds een stad zonder muren: iedere vijand kan er zonder moeite binnenvallen (Nehemia 1:1-3). De Israëlieten worden daar van alle kanten om bespot (Nehemia 2:1-10). Maar dan zorgt God ervoor dat Nehemia, een Israëliet die een functie heeft aan het Perzische hof, tot landvoogd over Juda wordt aangesteld. Nehemia krijgt van de koning van Perzië toestemming om naar Juda te gaan en de muren van Jeruzalem te restaureren.
Nehemia pakt het werk grondig aan (Nehemia 2:6). Samen met andere Israëlieten begint hij met het herstel van de muren en van de stadspoorten. Ondanks spot van omstanders (‘Die muur daar stort al in als er een vos op springt!’) (Nehemia 4 en 6) ondanks tegenwerking, en ondanks het feit dat men de Israëlieten verdacht probeert te maken bij de Perzische regering, kunnen de Israëlieten de stadsmuren in korte tijd herbouwen. Wanneer de muren voltooid zijn, is het voor iedereen zichtbaar: Israël heeft weer een veilige plaats om te wonen (Nehemia 8). De voltooiing van de bouw wordt gevierd met een groot feest, dat een hele week duurt. Op dit feest leest Ezra, een schriftgeleerde

, uren achter elkaar voor uit de eerste vijf bijbelboeken, waarin Gods wetten beschreven staan. Zo houdt hij de mensen voor dat ze alleen veilig zijn wanneer ze zich aan Gods geboden houden.
De toehoorders zijn diep onder de indruk (Nehemia 9-10). Ze zijn bedroefd over alles wat ze verkeerd hebben gedaan, en ze bekennen hun zonden tegenover God. Alle mensen die ernst willen maken met het verbond, leggen een eed af en verplichten zich op die manier om alle geboden en voorschriften van God uit te voeren. Het volk maakt zo een nieuw begin met het leven in dienst van God, de koning van Israël.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Nehemia 1:1-3, Nehemia 2:1-10, Nehemia 2:6, Nehemia 4 en 6, Nehemia 8, Nehemia 9-10

Filmpje: Nehemia bouwt de stadsmuren weer op (Engels)

Wachten op de redder

Israël is terug in het land dat God aan Abraham en zijn nakomelingen had beloofd. Maar dat betekent niet dat daarmee alles goed is. De Israëlieten hebben bijvoorbeeld geen eigen koning. Het verlangen naar de redder die beloofd is, wordt daarom steeds groter. God heeft via profeten als Micha en Jesaja al veel over hem verteld. De mensen uit deze tijd weten heel wat meer over hem dan Adam en Eva wisten. Micha zegt bijvoorbeeld:

‘Uit jou, Bethlehem in Efrata, te klein om tot Juda’s geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden., in de dagen van weleer’.
(Micha 5:1)

Uit wat Micha hier zegt kunnen de Israëlieten een aantal dingen afleiden over de toekomstige redder: hij zal geboren worden in Bethlehem, de plaats waar David ook vandaan kwam. Hij zal, net als David, een nakomeling zijn van Jakobs zoon Juda. Hij zal koning worden over Israël. En: hij zal meer dan een gewoon mens zijn. Van een gewoon mens kun je immers niet zeggen dat zijn oorsprong in de eeuwigheid ligt. Zo hebben de profeten meer dingen over de beloofde redder mogen onthullen. Maar wanneer hij zou komen, wist niemand. Het was voor iedereen afwachten.

De volgende keer meer over de uiteindelijke komst van de beloofde redder.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Micha 5:1

Vragen

  1. God laat zijn volk niet los
    1. Hoe kijken buitenlanders tijdens de ballingschap aan tegen de God van Israël? Zie hiervoor Ezechiel 36:19-21; maar zie ook Daniel 2:47. Kun je deze twee soorten reacties verklaren?
    2. Wat is de reactie op Israëls terugkeer? Zie Psalm 126:1-2.
  2. Ballingschap
    1. De ballingschap is bedoeld als straf.
    2. De ballingschap is bedoeld als medicijn.
      Met welke bewering ben je het eens? Licht je keus toe.
  3. God heeft door middel van zijn profeten veel bekend gemaakt over de beloofde redder.
    1. Wat konden de Israëlieten over hem afleiden uit Jesaja 9:5-6?
    2. Wat konden ze afleiden uit Jesaja 53:5-7?

Deel 14C: De kerk: een gemeenschap

In dit deel besteden we aandacht aan de vraag waarom de apostolische geloofsbelijdenis de kerk ‘de gemeenschap van de heiligen’ noemt. Daarna behandelen we de vraag: hoe kun je weten of een kerk ook een goede kerk is?

De gemeenschap van de heiligen

De apostolische geloofsbelijdenis noemt de kerk ‘de gemeenschap van de heiligen’. Wat wordt daarmee bedoeld?

Twee dingen:

  • De kerk is een gemeenschap van mensen die bij Jezus Christus horen.
  • De kerk is een gemeenschap van mensen die bij elkaar horen.

Bij Jezus horen

De kerk is een gemeenschap van mensen die bij Jezus Christus horen, van mensen die hun heil bij Hem zoeken. Dankzij Jezus’ werk gelden deze mensen voor God niet langer als slecht, als schuldig. Door hun band met Jezus gelden ze voor God als ‘heiligen’: als mensen die aan Gods kant staan, mensen die bij God passen (Efeziers 1:1).
Heiligen zijn geen heilige boontjes, of mensen op wie niets valt aan te merken (1 Korintiers 6:11). Heiligen zijn mensen die van zichzelf even slecht zijn als ieder ander, maar met wie iets gebeurd is: ze zijn schoongewassen met het bloed van Jezus Christus (Efeziers 1:4). Ze zijn dankzij Jezus ‘rein’ geworden.

Tussen Jezus en de kerk is er een zeer sterke band (Efeziers 5:22-33). De bijbel vergelijkt die band wel met de verhouding tussen een man en een vrouw. Zoals in een goede relatie een man zijn vrouw liefheeft en alles voor haar over heeft, zo heeft Jezus alles over voor zijn kerk. Hij heeft er zelfs zijn leven voor over gehad. Zoals een man en vrouw die van elkaar houden, alles met elkaar delen, zo delen Jezus en zijn kerk alles met elkaar. Jezus houdt dat wat Hij met zijn werk verdiend heeft, niet voor zichzelf. Hij geeft het aan zijn kerk. Iedereen die bij de kerk hoort, mag weten dat hij alles zal krijgen wat Jezus verdiend heeft. Jezus belooft hem:

  • de vergeving van zijn zonde (2 Korintiers 5:19)
  • de opstanding van zijn lichaam (Johannes 6:40)
  • het eeuwige leven (Johannes 3:36)

(Deze drie zaken worden behandeld in deel 17C).

Maar dat is nog niet alles. Jezus geeft daarnaast ook nog andere geschenken aan zijn kerk (1 Korintiers 12). Alle kerkleden krijgen van Jezus bepaalde gaven. Die gaven kunnen heel verschillend van aard zijn. Sommige mensen hebben veel wijsheid, anderen kunnen goed leiding geven, sommige mensen hebben veel geld, anderen hebben veel vrije tijd. Al die dingen zijn geschenken die Jezus Christus – via de Heilige Geest – aan zijn kerk geeft.
Met welk doel krijgen de kerkleden deze gaven? Dat wordt duidelijk wanneer we kijken naar het andere aspect van het kerk-zijn: het feit dat de kerkleden een gemeenschap vormen met elkaar.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Efeziers 1:1, 1 Korintiers 6:11, Efeziers 1:4, Efeziers 5:22-33, 2 Korintiers 5:19, Johannes 6:40, Johannes 3:36, 1 Korintiers 12

Bij elkaar horen

De kerk is niet alleen een gemeenschap van mensen die bij Jezus Christus horen – het is ook een gemeenschap van mensen die bij elkaar horen. En dat verklaart waarom Jezus de kerkleden allerlei gaven geeft: om er elkaar mee te helpen. Het is dus niet de bedoeling dat christenen op zichzelf blijven staan met de gaven die ze gekregen hebben. Ze moeten kijken hoe ze er anderen mee kunnen helpen. Hoe ze anderen kunnen helpen met hun geld, met hun vrije tijd, met hun gave om te luisteren, om de bijbel uit te leggen, om bezig te zijn met hun handen.

De bijbel vergelijkt de kerk met een lichaam (1 Korintiers 12:27). Zoals een lichaam één levend geheel vormt, zo vormen Jezus Christus en de kerk samen één levend geheel. Jezus is te vergelijken met het hoofd van een lichaam (Kolossenzen 1:18). Hij bestuurt alles. Hij leidt de kerk. De kerkleden zijn te vergelijken met allerlei lichaamsdelen: sommige mensen zijn ‘hand’, anderen zijn ‘oor’, ‘oog’ of ‘voet’ (1 Korintiers 12:12-31).

In een lichaam heeft ieder onderdeel een andere functie; en ieder onderdeel is onmisbaar (Romeinen 12:4-8). Zo is het ook in de kerk. Iedere gelovige is verschillend. Ieder heeft weer andere gaven gekregen. Iedere gave is belangrijk; en iedereen kan zijn gave in de kerk gebruiken. Ieder kerklid is onmisbaar voor het functioneren van de gemeente als geheel. De kerkleden hebben elkaar nodig om samen het lichaam van Jezus Christus te kunnen zijn.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Korintiers 12:27, Kolossenzen 1:18, 1 Korintiers 12:12-31, Romeinen 12:4-8

Filmpje: Gelovigen hebben elkaar nodig

Welke kerk?

Uit de bijbel blijkt dat het voor een gelovige zeer belangrijk is om bij de kerk te horen. Maar bij welke kerk moet je je aansluiten? Er zijn in Nederland meer dan honderd verschillende kerken. Wat is de goede kerk? Waar moet je zijn als je God wilt dienen? Of kun je overal terecht, als je je er maar thuis voelt?
Volgens veel mensen maakt het eigenlijk niets uit van welke kerk je lid bent. ‘We geloven toch allemaal in dezelfde God. Als je in de hemel komt, vraagt God echt niet bij welke kerk je hebt gehoord!’, wordt vaak gezegd.
Sommige mensen vinden het zelfs goed dat er zoveel verschillende soorten kerken zijn. Ieder mens beleeft zijn geloof op zijn eigen manier. Er zijn mensen die graag veel zingen in de kerk; er zijn mensen die modern zijn ingesteld; en er zijn mensen die van ouderwetse preken houden. Iedereen is anders. Iedereen moet naar een kerk kunnen gaan waar hij zich thuis voelt.

De bijbel over de kerk

Maar hoe begrijpelijk deze gedachtegang ook is – toch klopt hij niet. In de bijbel wordt nergens gezegd dat het goed is dat er veel verschillende kerkgemeenschappen zijn. Integendeel. Jezus, het hoofd van de kerk, heeft juist gebeden dat de christenen allemaal één zouden zijn (Johannes 17:20-23). Zoals Hij en zijn Vader één zijn. Er moet één kudde schapen zijn, onder leiding van de ene herder, Jezus (Johannes 10:16).
Dat betekent dat christenen nooit zullen mogen berusten in het feit dat er zoveel verschillende kerkgemeenschappen zijn. Ze zullen er alles aan moeten doen om een eind te maken aan de verdeeldheid en te komen tot eenheid.

Aan de andere kant maakt de bijbel ook duidelijk dat eenheid nooit ten koste zal mogen gaan van de trouw aan Jezus. Een kerk die Jezus Christus trouw wil blijven, zal geen eenheid kunnen vormen met een kerk die Jezus niet volgt. Want het kan voorkomen dat een kerk Jezus niet volgt. Om terug te komen op de vergelijking van de kerk met een schaapskudde: een herder kan met zijn kudde een verkeerde weg inslaan (Jeremia 23:1-2). Op die manier kan hij de schapen die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd, de ondergang in jagen. Zo kan ook een kerk een verkeerde kant opgaan – onder invloed van slechte leiders. Een paar voorbeelden uit de bijbel.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 17:20-23, Johannes 10:16, Jeremia 23:1-2

Slechte herders

In de tijd van het Oude Testament moesten de priesters aan de Israëlieten, de leden van de kerk, laten zien hoe ze God moesten dienen (1 Samuel 2:12-17). Maar soms waren er priesters die juist deden wat God uitdrukkelijk verboden had. En daarmee gaven ze het volk van God het verkeerde voorbeeld. Hetzelfde geldt voor de koningen van Israël. Zij moesten het volk voorgaan in het dienen van God. Sommige koningen deden dat ook. Maar veel koningen leefden alsof God niet bestond. Ze gingen hun volk dan juist voor op het verkeerde spoor (1 Koningen 16:30-33).
Onder priesters of koningen die God ongehoorzaam waren, ging het vaak mis met Gods volk. Een groot deel van de kudde liep dan onder leiding van een slechte herder de verkeerde kant op (Ezechiel 34:1-6).

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Samuel 2:12-17, 1 Koningen 16:30-33, Ezechiel 34:1-6

De goede herder

Ook in Jezus’ tijd kwam dit voor. Jezus is vaak fel opgetreden tegen de godsdienstige leiders van zijn tijd (Matteus 23:13-36). Hij beschuldigde hen ervan dat ze slechte herders waren en dat ze de kudde niet goed verzorgden. Tegenover deze mensen zei Jezus: ‘Ik ben de goede herder.’ (Johannes 10:11) En dat zei Hij niet alleen; Hij liet het ook zien. Hij gaf zelfs zijn leven om zijn schapen te redden van de ondergang.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 23:13-36, Johannes 10:11

Trouwe onderherders

In het vorige C-deel hebben we het al gehad over de ‘onderherders’, die in opdracht van Jezus voor de kudde zorgen. De bijbel stelt eisen aan zulke mensen (2 Timoteus 3:14-17). De mannen die de leiding hebben in de kerk, moeten bijvoorbeeld trouw zijn aan hun opdracht. Ze mogen niet hun eigen inzichten verkondigen aan de kerkleden (Galaten 1:6-9). Ze moeten de mensen vertellen wat er in de bijbel staat. Niet meer en niet minder dan dat.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Timoteus 3:14-17, Galaten 1:6-9

Mondige kerkleden

Schapen hebben maar weinig verstand. Ze volgen hun herder ook als hij een verkeerde weg inslaat. Met kerkleden is dat anders (Handelingen 17:10-11). Die zijn heel goed in staat om hun herders te beoordelen. Aan de hand van de bijbel kunnen ze zien of de predikant Gods Woord op een goede manier uitlegt – of dat hij dingen vertelt die niet in de bijbel staan, en daar misschien zelfs tegen in gaan (Hebreeen 13:9). Een predikant die bepaalde bijbelgedeeltes niet serieus neemt, of die dingen goed noemt die God fout heeft genoemd, is geen goede herder (1 Johannes 4:1). Het is levensgevaarlijk om achter zo’n herder aan te blijven lopen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 17:10-11, Hebreeen 13:9, 1 Johannes 4:1

Zoeken naar de kerk

Vaak is het zo dat we bij het beoordelen van een bepaalde kerk afgaan op de leden ervan. Zijn ze aardig, zijn ze eerlijk, zijn ze gastvrij? Dat is niet zo vreemd. Van echte christenen mag je verwachten dat ze leven zoals God dat in de bijbel heeft voorgeschreven.
Aan de andere kant moeten we niet vergeten dat ook christenen nog iedere dag te vechten hebben tegen zichzelf, tegen hun slechte natuur (Romeinen 7:13-26). De satan probeert voortdurend vat op hen te krijgen. Daarom leven christenen vaak niet op het hoge niveau dat God van hen verwacht (Efeziers 6:11-12). Ook in de kerk komen mensen voor met een onprettig karakter. Ook in de kerk zijn mensen die vreselijke misstappen begaan of begaan hebben. Als het goed is, vechten ze daartegen. Maar dat is van de buitenkant niet altijd te zien.
Hoe de mensen van een bepaalde kerk zijn, is belangrijk. Maar het zegt niet alles. Het is daarom onjuist om alleen op de mensen af te gaan. Op die manier zou je – vanwege de aardige mensen – terecht kunnen komen in een kerk die toch de verkeerde kant opgaat.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Romeinen 7 : 13-26, Efeziers 6:11-12

Drie kenmerken

Maar wat bepaalt dan wél of een kerk een goede kerk is? Is er iets waaraan je de kerk van Jezus Christus wél duidelijk kunt herkennen? Ja. Uit de bijbel kunnen we drie kenmerken afleiden waaraan de kerk moet voldoen:

  1. Men gaat er goed om met de bijbel.
  2. Men gaat er goed om met de sacramenten: de doop en het avondmaal.
  3. Men gaat er goed om met de tucht.

Hieronder kijken we naar het eerste kenmerk; in de volgende deel behandelen we de andere twee kenmerken waaraan je de kerk kunt herkennen

Goed omgaan met de bijbel

Het eerste kenmerk waaraan je de kerk van Jezus Christus kunt herkennen, is dus: gaat men er goed om met de bijbel? Dat is meteen het beslissende punt. De andere twee kenmerken zijn beide hierop terug te voeren.
Hoe moet er in de kerk worden omgegaan met de bijbel? Op de manier waarop God dat in de bijbel aan ons voorschrijft (Galaten 1:8). In de kerk moet de bijbel van de eerste tot de laatste bladzij als Gods Woord aanvaard worden (Openbaring 22:18-19). Er mag niets aan de bijbel worden toegevoegd en er mag niets uit worden weggelaten.

In de kerk van Jezus Christus moet de bijbel het voor het zeggen hebben. Op ieder punt. Voor de predikant en de ouderlingen betekent dat dat ze datgene wat in de bijbel staat op een zuivere manier moeten uitleggen. Ze moeten niet op hun eigen mening afgaan, maar de bijbel voor zichzelf laten spreken. Ze moeten bijbelteksten niet uit hun verband halen, maar de bijbel echt tot zijn recht laten komen. Wanneer een predikant een preek houdt, moet hij kunnen zeggen: ‘Dit wil God van ons. Kijk maar daar en daar, en vergelijk het maar met dat bijbelgedeelte.’

Dat de bijbel het in de kerk voor het zeggen moet hebben, betekent ook iets voor de kerkleden. Zij moeten luisteren naar wat God in de bijbel tot hen zegt. Ze moeten zich erdoor laten gezeggen.

Tot zover het eerste kenmerk waaraan de kerk te herkennen valt. In het volgende deel meer over de andere twee punten.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Galaten 1:8, Openbaring 22:18-19

 

Filmpje: Waarom naar de kerk?

 

Meer lezen over de kerk? Klik hier

Vragen

  1. De kerk is te vergelijken met een lichaam. Kun je dat uitleggen? Zie hiervoor 1 Korintiers 12:27, Kolossenzen 1:18 en Romeinen 12:4-8 Romeinen 12:8 barmhartig is: medelijden en liefde tonen.
    1. ‘Als de kerk waarvan je lid bent de verkeerde kant opgaat, moet je eruit stappen en een kerk zoeken die wél Jezus volgt.’
    2. ‘Als de kerk waarvan je lid bent de verkeerde kant opgaat, mag je er niet weggaan. Je zou je zieke moeder toch ook niet in de steek laten?’ Met welke stelling ben jij het eens? Waarom?