Bijbelcursus les 15

Deel 15A: De wereld van het Nieuwe Testament

In de vorige zes delen hebben we stilgestaan bij het Oude Testament. De zes delen die nu volgen, gaan over het Nieuwe Testament. We beginnen ook hier met een inleidend deel.

Tussen Oude en Nieuwe Testament

Tussen het laatste boek van het Oude Testament, Maleachi, en het eerste boek van het Nieuwe Testament, Matteüs, ligt een periode van zo’n 400 jaar. Een periode waarin veel gebeurd is in Israël en in de wereld om Israël heen. In het bijbelboek Daniël worden sommige van die gebeurtenissen al aangekondigd (Daniel 2). Zo mag Daniël profeteren over de opkomst en ondergang van allerlei machtige wereldrijken. Voor een goed begrip van het Nieuwe Testament is het belangrijk iets te weten over de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de tijd tussen het Oude en Nieuwe Testament. We kijken eerst naar het wereldgebeuren en de gevolgen daarvan voor Israël. Daarna wordt een overzicht van het godsdienstige leven van Israël in de tijd van het Nieuwe Testament gegeven.

  • Het Perzische Rijk (559-331 voor Christus)
    In de tijd van de ballingschap werd het Babylonische wereldrijk overwonnen door het Perzische (536 voor Christus). De Joden kregen van de Perzische koning Cyrus (Kores) toestemming om terug te gaan naar Israël. Dat betekende niet dat Israël vanaf dat moment weer van de Joden was: het land bleef onderdeel van het grote Perzische wereldrijk.
  • Het Macedonische Rijk (331-323 voor Christus)
    Het Perzische rijk heeft zo’n 200 jaar bestaan. Toen werd het veroverd door Alexander de Grote, de jonge koning van Macedonië en Griekenland. Hij deed er alles aan om de Griekse taal en cultuur in alle landen van zijn wereldrijk in te voeren. Uit de vermenging van de Griekse met de oosterse cultuur ontstond het zogenaamde Hellenisme (Hellas = Griekenland). Het Hellenisme is eeuwenlang de cultuur van de landen rond de Middellandse Zee gebleven. Dankzij Alexander de Grote werd het Grieks een wereldtaal: het werd in al deze landen gesproken. Vandaar ook dat het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven is.
  • Egyptische en Syrische overheersing (± 300-164 voor Christus)
    Alexander stierf plotseling op drieëndertigjarige leeftijd. Na zijn dood viel zijn enorme rijk in vier delen uiteen. Twee van deze delen waren Egypte en Syrië – de landen ten zuiden en ten noorden van Israël. Deze landen hebben beide een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Israël. Israël werd eerst door Egypte en later door Syrië overheerst. De Syrische overheersing is een zware periode voor Israël geweest. Zo probeerde de Syrische koning Antiochus IV de Joden de Hellenistische godsdienst op te dringen. Hij liet Jeruzalem voor een deel verwoesten en wijdde de tempel aan de Griekse god Zeus. Hij dwong de Joden aan deze afgod te offeren. Joden die zich verzetten, werden vervolgd en gemarteld.
  • De vrijheidsstrijd (164-104 voor Christus)
    In die tijd ontstond er een vrijheidsstrijd in Israël. Een groep mannen, die zich de Makkabeeën noemde, begon een guerrillastrijd tegen de Syrische overheersing. Het lukte ze verschillende Syrische legers te verslaan en Jeruzalem te heroveren. De tempel werd ontdaan van alles wat met de Griekse godsdienst te maken had, en werd weer in gebruik genomen voor de dienst aan God. In de loop van de jaren werd ook de rest van het land heroverd. Na eeuwen van overheersing was Israël eindelijk weer een vrij land. Ook de streken Samaria en Galilea, het oude tienstammenrijk (Zie kaart 8 in Wegwijzer), waar al zo’n 600 jaar niet-Joden woonden, gingen weer bij Israël horen. De inwoners van deze streken werden, soms onder dwang, tot het Jodendom bekeerd. Verder werd Idumea, het gebied ten zuiden van Judea, veroverd. Ook de inwoners van deze streek, de Edomieten, werden gedwongen de Joodse godsdienst aan te nemen. Israël heeft in deze tijd ongeveer de omvang die het ook in de tijd van de koningen David en Salomo had.
  • Israël onder de Romeinen (vanaf 63 voor Christus)
    Israëls onafhankelijkheid duurt niet lang. In het jaar 63 voor Christus wordt het land veroverd door de Romeinen. Israël wordt een deel van het enorme Romeinse wereldrijk. Het heeft wel een eigen koning, maar die staat in dienst van de Romeinse keizer. In de tijd van Jezus’ geboorte is Herodes de Grote koning over Israël (37 voor Christus – 4 na Christus). Herodes de Grote is niet bepaald geliefd onder de Joden. Ten eerste omdat hij afkomstig is uit een Edomitische familie. Hij is dus een verre afstammeling van Esau. Bovendien is hij een wrede koning. Hij is zo achterdochtig, dat hij een paar van zijn zonen laat vermoorden als hij ze van opstandige plannen verdenkt. Ook enkele van zijn vrouwen laat hij doden. Verder heft hij zware belastingen, straft hij iedere vorm van verzet op een bloedige manier af en laat hij afgodstempels bouwen in buitenlandse steden. Hij probeert de Joden te vriend te houden door de tempel in Jeruzalem te vernieuwen en er gebouwen bij te laten maken. Maar het lukt hem niet de Joden daarmee voor zich te winnen. Ze blijven hem zien als een buitenlander en als een vriend van de bezetter.

Na de dood van Herodes wordt het land verdeeld onder drie van zijn zonen (4 na Christus). Archelaüs wordt koning over Judea en Samaria; Herodes Antipas wordt koning over Galilea en Perea; Filippus krijgt het te zeggen over het gebied ten noordoosten van het meer van Galilea (Zie kaart 8 in Wegwijzer). Koning Archelaüs blijft niet lang aan de macht. Hij is zo wreed en tiranniek dat zijn onderdanen aan Augustus, de keizer van het Romeinse Rijk, om zijn afzetting vragen (6 na Christus). Archelaüs wordt ter verantwoording geroepen. Keizer Augustus zet hem af en verbant hem naar Gallië. Judea en Samaria komen voortaan rechtstreeks onder Romeins bestuur te staan. Over dit gebied regeert voortaan een Romeinse stadhouder. Een van die stadhouders is Pontius Pilatus, de man die Jezus ter dood veroordeeld heeft (33 na Christus).
In de tijd dat Jezus op aarde werkt, bestaat Israël dus uit drie delen en wordt het bestuurd door drie verschillende machtshebbers.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Daniel 2

Godsdienstige groeperingen

In de tijd van het Nieuwe Testament ziet Israël er op allerlei gebieden heel anders uit dan in de tijd voor de ballingschap. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende godsdienstige groeperingen, die veel invloed hebben op het Joodse leven.

  • De Farizeeën

Een partij die hoog in aanzien staat bij de Joden is die van de Farizeeën. De Farizeeën vormen een groep van zeer vrome, serieuze mensen uit allerlei lagen van de bevolking: priesters, boeren, kooplui en handwerklieden. Kenmerkend voor hen is dat ze hun best doen alle wetten die God gegeven heeft, nauwkeurig te gehoorzamen. Ook houden ze zich heel precies aan de ‘mondelinge overlevering’: de voorschriften die er in de loop van de eeuwen zijn bijbedacht, en die van vader op zoon zijn doorgegeven. Een voorbeeld van hun trouw aan de wet: God heeft de Israëlieten gevraagd een tiende deel van hun inkomsten aan Hem te geven. De meeste Joden houden zich niet al te nauwkeurig aan deze wet. Maar de Farizeeën zijn zo precies in het onderhouden van dit gebod, dat ze zelfs van de opbrengst van hun tuinkruiden een tiende deel weggeven (Matteus 23:23). Ook houden de Farizeeën zich heel precies aan het gebod om op de sabbatdag geen werk te doen. Om ervoor te zorgen dat ze dit gebod nooit zullen overtreden, hebben ze heel precies bepaald wat wél en wat geen werk is. Zo is het bijvoorbeeld wél toegestaan om een luis te doden, maar het doden van een vlo is verboden. Een vlo blijft namelijk niet stilzitten; het doden van een vlo is dus een soort jacht. De Farizeeën hebben meer dan vijfhonderd van dit soort bepalingen. Eten koken, een olielamp aansteken, een wandeling maken van meer dan 800 meter, meer dan één letter schrijven, iets van de ene plaats naar de andere dragen: allemaal zaken die volgens de Farizeeën niet thuishoren op de sabbat.

  • De Sadduceeën

De Sadduceeën zijn afkomstig uit de hogere kringen van het volk. Ze houden zich streng aan de wetten die God gegeven heeft. De mondelinge overlevering, die de Farizeeën zo belangrijk vinden, erkennen zij niet. Zij houden het bij de geschreven wetten van Mozes. In tegenstelling tot de Farizeeën geloven zij niet in het bestaan van duivels en engelen (Matteus 22:23-33). Ook geloven ze niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood.

  • De schriftgeleerden

Een belangrijke groep is die van de schrift- of wetgeleerden, mensen die het Oude Testament – de Schrift – grondig kenden en konden uitleggen. Schriftgeleerden hielden zich bezig met rechtspraak en met bijbelonderwijs. Iemand die schriftgeleerde wilde worden, moest een lange studie doorlopen bij een rabbi, een leraar (Lucas 2:46). Deze rabbi onderwees zijn leerlingen door middel van gesprekken in de wetten van God (Johannes 18:20). Schriftgeleerden werden meestal niet voor hun werk betaald. Zij hadden daarom ook hun gewone werk. Veel van de schriftgeleerden hoorden bij de partij van de Farizeeën.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 23:23, Matteus 23:23-33, Lucas 2:46, Johannes 18:20

Het godsdienstige leven

In de tijd waarin Jezus geboren wordt, is het godsdienstige leven in Israël goed georganiseerd.

  • De tempel

De tempel in Jeruzalem is weer het middelpunt van het land. De Joden komen van heinde en verre naar Jeruzalem om er offers te brengen of om er een van de belangrijke feesten te vieren. Handelaars hebben daar op ingespeeld: op het plein voor de tempel zijn offerdieren te koop. Iemand die een offer wil brengen, hoeft dus niet met zijn koe of schaap de lange voetreis naar Jeruzalem te maken. In de tempel doen veel mensen dienst. In de eerste plaats is er de hogepriester. Hij heeft in deze tijd een belangrijke positie. Niet alleen binnen de tempel, maar ook in de rechtspraak. Onder de hogepriester staan de overpriesters, die – net als de hogepriester – afkomstig zijn uit voorname Sadducese families. Net als de hogepriester hebben ook zij een taak in de rechtspraak. Verder zijn er de priesters: het zijn er duizenden in deze tijd. De meesten van hen wonen niet in Jeruzalem. Ze zijn verdeeld over 24 afdelingen (Lucas 1:8-9). Iedere afdeling mag eens in een bepaalde tijd een week dienst doen in de tempel. Behalve priesters doen ook duizenden Levieten eens in de zoveel tijd dienst bij de tempel. Zij verrichten hulpdiensten en zorgen voor de tempelzang en -muziek.

 

  • De synagoge

Overal in Israël staan synagogen. Een synagoge is te vergelijken met een kerkgebouw. Een paar keer per week komen de Joden bij elkaar en wordt er een dienst gehouden. In zo’n dienst wordt er voorgelezen uit de boeken van het Oude Testament. De meeste mensen hebben zelf thuis geen bijbel, dus is dit voor hen de enige manier om te horen wat God te zeggen heeft. Het gelezen bijbelgedeelte wordt uitgelegd door een van de aanwezigen, vaak door een schriftgeleerde (Lucas 4:16-17). Verder wordt er gebeden en worden er psalmen gezongen.

  • De feesten

Israël kent vier grote feesten, die ieder jaar gevierd worden.
Het eerste is het Pascha of paasfeest: de herinnering aan de bevrijding van Israël uit Egypte (Exodus 12). Duizenden Israëlieten trekken ter gelegenheid van dit feest naar Jeruzalem (Zie deel 10B). Iedere familie laat in de tempel een lam slachten. Het vlees van het lam wordt ‘s avonds gegeten. Verder eten de mensen bittere kruiden: een herinnering aan de bittere tijd in Egypte. Bij het feestmaal horen ook ongezuurde (niet gerezen) broden. Deze broden herinneren aan de nacht waarin de Israëlieten moesten vluchten. Ze hadden toen geen tijd om het brood te laten rijzen. Tijdens de maaltijd zingt de familie psalmen.

Vijftig dagen na het paasfeest wordt het pinksterfeest of wekenfeest gevierd (Exodus 23:16). Het pinksterfeest is een oogstfeest: de Israëlieten komen met de eerste opbrengst van het land naar de tempel. Ze geven deze zogenaamde ‘eerstelingen’ aan God om Hem op die manier te danken voor de oogst. Op het pinksterfeest wordt ook teruggedacht aan de tijd dat God de tien geboden aan zijn volk gegeven heeft.

In de herfst is er de Grote Verzoendag: de dag waarop een met zonden beladen bok de woestijn in wordt gestuurd (Leviticus 16). Dat is een teken van het feit dat God de zonden van zijn volk vergeven heeft, en dat er niets meer tussen God en de mensen instaat.

Enkele dagen na de Grote Verzoendag wordt het Loofhuttenfeest gevierd (Leviticus 23:34-44). Ter gelegenheid van dit feest wonen de Israëlieten een week lang in kleine hutten van takken en bladeren: een herinnering aan de reis door de woestijn. Tijdens het feest vindt een feestelijke optocht plaats en wordt God gedankt voor de wijnoogst.

In de volgende delen gaan we verder met de inhoud van de boeken van het Nieuwe Testament.

 

Filmpje: De joodse feesten

 

 

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 1:8-9, Lucas 4:16-17, Exodus 12, Exodus 23:16, Leviticus 16, Leviticus 23:34-44

Vragen

  1. Wie regeert er over Israël in de tijd dat Jezus geboren wordt, en wie in de tijd dat Hij sterft?
  2. Welke godsdienstige groeperingen kent Israël in de tijd van het Oude Testament? Vertel kort iets over deze groepen.
  3. Leg uit wat Jezus de schriftgeleerden en Farizeeën in Matteüs 23:23-28 verwijt.


Deel 15B: De redder wordt geboren

Al aan het begin van de geschiedenis heeft God beloofd dat er eens iemand zou komen die de satan zou verslaan. Aan die belofte houdt Hij zich. Ruim 500 jaar nadat de Joden zijn teruggekomen uit de ballingschap wordt Jezus, de redder, geboren; een feit dat in onze tijd nog ieder jaar met kerstfeest gevierd wordt. In de nieuwtestamentische bijbelboeken Matteüs en Lucas worden de gebeurtenissen rond de geboorte van Jezus uitvoerig beschreven. In dit deel kijken we eerst naar wat Lucas, daarna naar wat Matteüs vertelt.

Zacharias en Elisabet

Lucas begint zijn boek met de beschrijving van een bejaard echtpaar: Zacharias en Elisabet (Lucas 5:5-7). Ze hebben geen kinderen. Elisabet is onvruchtbaar.
Op een dag moet Zacharias, die priester is, naar Jeruzalem om daar een tijdlang dienst te doen in de tempel (Lucas 1:8-17). Zoals gebruikelijk wordt er geloot wie van de priesters de tempel binnen mag gaan om daar een wierookoffer

aan God te brengen. Het lot valt op Zacharias. Hij mag het Heilige binnengaan om daar de wierook aan te steken.
Wanneer Zacharias in de tempel bezig is met het brengen van het offer, verschijnt er ineens een engel naast het altaar. Zacharias schrikt enorm. Maar de engel verzekert hem dat hij niet bang hoeft te zijn. Hij zegt tegen Zacharias: ‘God heeft uw gebed verhoord. Uw vrouw Elisabet zal een zoon krijgen. U moet hem Johannes noemen. Veel mensen zullen blij zijn om zijn geboorte. God heeft een belangrijke taak voor hem. Hij zal hem daarom vanaf zijn geboorte vervullen met de Heilige Geest. Uw zoon zal vele Israëlieten terugbrengen naar de Heer, hun God. En hij zal als een heraut voor de Heer uitgaan.’

Zacharias heeft moeite om deze boodschap te geloven (Lucas 1:18-22). Zijn vrouw en hij zijn veel te oud om kinderen te kunnen krijgen. ‘Hoe kan ik weten dat dit waar is?’, vraagt hij aan de engel. De engel antwoordt: ‘Ik ben Gabriël, een van Gods hoogste dienaren. God heeft mij naar u toegestuurd om u dit goede nieuws te brengen. Maar u gelooft mij niet. U zult een teken krijgen waardoor u er zeker van kunt zijn: u zult niet meer kunnen spreken tot het moment waarop alles wat ik heb gezegd, gebeurd is.’
Wanneer Zacharias de tempel uitgaat, is hij stom. Hij kan geen woord meer zeggen – zoals de engel hem al had aangekondigd. Wanneer Zacharias zijn dienst als priester vervuld heeft, gaat hij weer naar huis (Lucas 1:23-25). En wat de engel gezegd heeft, gebeurt: Elisabet wordt zwanger.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 1:5-25, Lucas 5:5-7, Lucas 1:8-17, Lucas 1:18-22, Lucas 1:23-25

De engel komt bij Maria

Lezen: Lucas 1:26-38
1:26 in de zesde maand: namelijk van Elisabets zwangerschap.
1:28 je bent begenadigd: jij die Gods gunst zult ondervinden.
1:31 Jezus: ‘Jahwe redt’.
1:32 de Allerhoogste: God.
1:33 het volk van Jakob: het volk Israël.

Een paar maanden later verschijnt de engel Gabriël ook aan Maria, een familielid van Elisabet (Zie deel 6C). Gabriël vertelt Maria dat ze zwanger zal worden en een zoon zal krijgen. Het kind zal Zoon van God genoemd worden. God zelf zal hem koning maken, zoals zijn voorvader David was. En hij zal voor altijd regeren over Israël.
Maria vraagt hoe het mogelijk is dat ze zwanger zal worden: ze heeft nog nooit gemeenschap met een man gehad. Ze is nog niet getrouwd. Gabriël antwoordt haar dat de Heilige Geest ervoor zal zorgen dat ze zwanger wordt. Dan aanvaardt Maria de taak die God haar geeft. Ze stelt zich helemaal ter beschikking van God, die haar wil gebruiken om zijn Zoon geboren te laten worden.
Hoewel Maria er niet om vraagt, krijgt ze een teken van God – een bevestiging van de waarheid van Gabriëls woorden. In haar familie is er ook iemand anders zwanger. Iemand van wie geen mens het verwacht zou hebben: Elisabet, die niet alleen te oud is om kinderen te krijgen, maar van wie ook bekend is dat ze onvruchtbaar is. Een duidelijk bewijs dat God aan het werk is. God, die ervoor kan zorgen dat een bejaarde, onvruchtbare vrouw een kind krijgt, kan er ook voor zorgen dat Maria een kind krijgt.

Maria bezoekt Elisabet

Kort daarna gaat Maria op weg naar de stad waar Zacharias en Elisabet wonen (Lucas 1:39-56). Ze wil het teken dat God haar gegeven heeft met eigen ogen aanschouwen. Wanneer ze het huis van Zacharias en Elisabet binnengaat en de zwangere Elisabet begroet, gebeurt er iets bijzonders. Het kindje dat Elisabet verwacht, begint te trappelen in haar schoot. En Elisabet wordt vervuld met de Heilige Geest. Ze roept uit: ‘Je bent de gelukkigste van alle vrouwen, en gelukkig is het kind dat je draagt! Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer mij komt opzoeken!’
Maria antwoordt haar door een loflied te zingen ter ere van God, die haar op zo’n bijzondere manier in dienst heeft genomen. Ze bezingt hoe God machtige mensen van de troon stoot en nederige mensen een ereplaats geeft, en hoe Hij zich het lot van Israël heeft aangetrokken, zoals Hij al lang geleden beloofd had.

Maria blijft drie maanden logeren bij Zacharias en Elisabet (Lucas 1:56). Waarschijnlijk tot het kind van Elisabet geboren is. Dan gaat ze weer naar huis.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 1:39-56, Lucas 1:56

De geboorte van Johannes

Elisabet krijgt een zoontje (Lucas 1:57-80). Ze noemt het jongetje, zoals de engel haar man heeft opgedragen, Johannes: ‘Jahwe is genadig’. Buren en familieleden protesteren wanneer ze die naam horen. Ze vinden dat Elisabet haar zoon Zacharias moet noemen, naar zijn vader. Niemand in de familie heet Johannes. Ze vragen Zacharias, die nog steeds niet kan spreken, wat hij ervan vindt. Zacharias pakt een lei en schrijft daarop: Johannes is zijn naam. En vanaf dat moment kan hij ineens weer spreken. Hij dankt en looft God. En de Heilige Geest zorgt ervoor dat Zacharias kan profeteren over de toekomst: ‘Dank aan God! Hij is zijn volk komen verlossen. Hij zorgt voor redding, zoals Hij dat al aan Abraham gezworen heeft. Jij, mijn kind, zult profeet genoemd worden. Je zult een profeet zijn van de Allerhoogste: je zult voor de Heer uitgaan. Je zult voor hem de weg effenen door zijn volk te leren inzien dat het gered zal worden. Je zult de mensen laten zien dat God hun zonden vergeeft.’

Uit de woorden van Zacharias blijkt dat Johannes een bijzondere taak zal krijgen. In de volgende deel zal duidelijk worden wat die taak precies inhoudt.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 1:57-80

De geboorte van Jezus

Lezen: Lucas 2: 1 – 20
2:4 de stad van David: de stad waar David vandaan kwam.
2:12 dit zal het teken zijn: hieraan kunt u het kind herkennen.
vrede: een goede verhouding met God en de mensen.

De redder die God beloofd had, zou in de plaats Bethlehem geboren worden (Micha 5:1). Dat had de profeet Micha aangekondigd (Zie deel 14B). Maar het lijkt erop dat het kind dat Maria verwacht, geboren zal worden in Nazareth – de plaats waar Maria en haar verloofde Jozef wonen.
Maar dan worden Jozef en Maria gedwongen naar Bethlehem te gaan. (Zie kaart 8 in Wegwijzer) Keizer Augustus besluit een volkstelling te houden. Alle inwoners van zijn rijk – en dus ook alle Joden – moeten naar de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan komen. Jozef, een afstammeling van David, moet daarom op reis naar Bethlehem. De inmiddels hoogzwangere Maria gaat met hem mee. En zo wordt Jezus, haar zoon, geboren in de plaats die de profeet Micha al genoemd had.
Maria brengt haar kind ter wereld in een stal. In de herberg van Bethlehem is geen plaats. Het zal er waarschijnlijk erg druk zijn geweest met al die mensen die zich kwamen inschrijven. Maria wikkelt haar pasgeboren kind in doeken, zoals dat in die tijd gebruikelijk is bij baby’s. En ze legt hem in een voederbak voor dieren.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Micha 5:1

De engelen en de herders

De eerste mensen die het nieuws over de geboorte van dit kind horen, zijn herders. Ze houden ‘s nachts in de buurt van Bethlehem de wacht bij hun kudden. Plotseling staat er een engel bij hen. Een helder licht – het teken van Gods aanwezigheid – omstraalt hen. De herders worden verschrikkelijk bang, maar de engel stelt hen gerust. Hij zegt tegen hen dat hij groot nieuws heeft waar heel het volk blij mee zal zijn: zojuist is Christus, de redder geboren! Dat betekent dat er een eind is gekomen aan de lange periode van wachten. God heeft gedaan wat Hij beloofd heeft.
Ineens staat er bij de engel een grote groep andere engelen. Ze loven God omdat Hij dit kind, de redder van de mensen, geboren heeft laten worden:

‘Eer aan God in de hoogste hemel, en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft’
(Lucas 2:14)

De engelen roepen met hun lied iedereen op om God te eren om wat Hij gedaan heeft. En ze bezingen het feit dat er vrede komt onder de mensen die bij God in de gunst staan. Deze mensen zullen, dankzij het kind dat pas geboren is, mogen leven in een goede verhouding met God. Even plotseling als ze gekomen waren, zijn de engelen weer verdwenen en is het weer donker op het veld. De herders gaan onmiddellijk op weg om het kind op te zoeken. In Bethlehem gekomen, vinden ze Jozef, Maria en Jezus: een baby die in een voederbak ligt. Ze zijn ervan overtuigd dat het waar is wat de engel tegen hen gezegd heeft: dat dit onaanzienlijke kindje de langverwachte redder van de mensen is. Wanneer ze teruggaan naar hun kudden, loven en danken ze God voor wat Hij gedaan heeft.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 2:14

Filmpje: Nativity story

 

Jezus’ voorouders

Niet alleen Lucas, maar ook de schrijver Matteüs vertelt in zijn boek over de geboorte van Jezus (Matteus 1:1-17). Matteüs begint zijn boek met een stamboom. Daarin laat hij zijn lezers zien wie de voorouders zijn van de redder die God heeft gegeven. De lezers die Matteüs bij het schrijven van zijn boek in de eerste plaats op het oog had, de Joden, kennen al deze namen en de geschiedenissen die erachter schuil gaan. Deze stamboom laat hun zien hoe God de geschiedenis van Israël zo geleid heeft, dat Jezus geboren kon worden. Matteüs toont in zijn stamboom onder andere aan dat Jezus een nakomeling is van Abraham. Abraham en zijn vrouw konden geen kinderen krijgen. Dat ze uiteindelijk toch een zoon kregen, was alleen aan God te danken. Het was God die ervoor zorgde dat het volk waaruit Jezus geboren zou worden, kon ontstaan. Als het aan de mensen had gelegen, was de familie uitgestorven voor er sprake had kunnen zijn van een volk.
Iets anders dat de stamboom laat zien, is dat Jezus een nakomeling is van David (Matteus 1:1 en 6). Hij is dus van koninklijke bloede. Uit het vervolg van Matteüs blijkt heel duidelijk dat Jezus zélf ook koning is. Hij is gekomen om zijn volk redden. Niet van de Romeinse overheersing, maar uit de macht van de satan (Matteus 1:21).

De stamboom van Jezus bestaat niet uit voorbeeldige mensen. Namen als Tamar, Rachab en David herinneren daar aan. Tamar: een vrouw die als hoer verkleed haar schoonvader Juda verleidde (Genesis 38). Rachab: een Kanaänitische hoer (Jozua 6:25). David: de man die overspel pleegde met een getrouwde vrouw, en de echtgenoot van die vrouw vervolgens liet vermoorden. (2 Samuel 11) Het zijn namen die lijken te misstaan in een stamboom. Maar God wilde ook deze mensen gebruiken. Ook zij mochten schakels zijn in de lijn naar Jezus, de redder.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 1:1-17, Matteus 1:1 en 6, Matteus 1:21, Genesis 38, Jozua 6:25, 2 Samuel 11

Herodes probeert Jezus te doden

Na deze stamboom geeft Matteüs een verslag van de gebeurtenissen rond Jezus’ geboorte. Zo beschrijft hij onder meer hoe Jezus als baby ternauwernood aan de dood ontkwam.

Lezen: Matteüs 2:1-12
wierook en mirre: kostbare harssoorten die lekker ruiken als ze verbrand worden.

Een aantal ‘wijzen’, astrologen uit een land ten oosten van Israël, komen aan in Jeruzalem. Ze hebben op de een of andere manier aan een bepaalde ster gezien dat de koning waar alle Joden op gewacht hebben, geboren is. Dat ze hem in Jeruzalem zoeken, spreekt vanzelf: dat is immers de plaats waar de koning van de Joden thuishoort.
Maar wanneer ze in Jeruzalem informeren, blijken de mensen van niets te weten. Koning Herodes schrikt geweldig wanneer hij iets hoort over een koning van de Joden. Hij begrijpt dat het om de langverwachte Christus moet gaan. Onmiddellijk laat hij uitzoeken waar die vandaan moet komen. Schriftgeleerden en overpriesters vertellen hem dat de Christus in Bethlehem geboren zal worden (Micha 5:1).
Herodes bedenkt meteen een plan om zijn concurrent uit de weg te ruimen. Hij informeert wanneer de wijzen de ster voor het eerst gezien hebben. Aan de hand daarvan kan hij bepalen hoe oud de koning moet zijn. Onder het voorwendsel dat hij de koning ook eer wil gaan bewijzen, vraagt hij de mannen op de terugweg bij hem langs te gaan en hem te vertellen waar de koning verblijf houdt.
De astrologen reizen naar Bethlehem. Het is vreemd dat inwoners van Jeruzalem gewoon thuisblijven. Het bericht dat de Christus geboren is, zou voor de Joden groot nieuws moeten zijn. Maar terwijl buitenlanders het nieuws zo belangrijk vonden dat ze er een lange reis voor over hadden, nemen de Joden het bericht niet serieus. Zelfs de priesters en de schriftgeleerden komen niet in beweging.

Nadat ze Jezus bezocht hebben, keren de astrologen op waarschuwing van God langs een andere route terug naar hun land. Herodes is woedend als hij dat merkt. Hij laat alle jongetjes in Bethlehem die nog geen drie jaar oud zijn, doden. Zo denkt hij zijn toekomstige concurrent uit te kunnen schakelen. Maar zijn plan lukt niet. God heeft Jozef en Maria opgedragen naar Egypte te vluchten. Daar blijven ze wonen tot Herodes dood is. Pas dan keren ze terug naar Israël. Ze vestigen zich in de plaats Nazareth.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Micha 5:1

Vragen

  1. De engel Gabriël kondigt zowel aan Zacharias als aan Maria de geboorte van een kind aan.
    1. Zie je een overeenkomst tussen dat wat Zacharias en Elisabet zal overkomen en dat wat Maria zal overkomen?
    2. Wat is het verschil?
  2. Jezus’ geboorte roept allerlei verschillende reacties op.
    1. Wat is de reactie van de herders (Lucas 2:15-20); van de buitenlandse astrologen (Matteüs 2:1-2 en vers 11); van de Joden (Matteüs 2:3-5); van koning Herodes (Matteüs 2:3-8 en vers 16)?
    2. Welke reactie treft jou het meest? Waarom?
  3. Kun je aangeven wat Genesis 3:15 te maken heeft met de geschiedenis die in Matteüs 2 beschreven wordt?
  4. Wat vind je van de manier waarop het kerstfeest in onze tijd gevierd wordt? Heb je een idee hoe het anders zou kunnen? Zie ook het filmpje

 

Filmpje: Christmas Spirit – the right way

 

Deel 15C: De kerk: leven bij doop en avondmaal

De kerk van Christus is te herkennen aan drie punten: men gaat er goed om met de bijbel, met de sacramenten en met de tucht. Bij het eerste punt stonden we stil in de vorige deel. In dit deel houden we ons bezig met de twee andere punten.

Goed omgaan met de sacramenten

Een kenmerk van de kerk van Jezus Christus is dat men zich er houdt aan de regels die God in de bijbel gegeven heeft met betrekking tot dat wat we de sacramenten noemen. Wat zijn sacramenten? Het zijn zichtbare hulpmiddelen, die God heeft gegeven om ons geloof sterker te maken. Een sacrament heeft twee functies:

  • Het is een teken. Je kunt de sacramenten vergelijken met tekeningen die een boek verduidelijken. Het zijn als het ware de illustraties bij het goede nieuws over onze redding.
  • Het is een garantiebewijs. God zelf wil ons door middel van de sacramenten zichtbare en tastbare bewijzen geven dat Hij ons écht onze zonden vergeeft en ons het eeuwige leven zal geven. Jezus heeft, toen Hij op aarde was, twee sacramenten ingesteld: de doop en het avondmaal. We kijken eerst naar de instelling en de betekenis van de doop; daarna naar de instelling en de betekenis van het avondmaal.

De instelling van de doop

Vlak voordat Jezus naar de hemel ging, heeft Hij zijn leerlingen opgedragen om alle volken tot zijn volgelingen te maken, en om de mensen die in Hem zouden gaan geloven, te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Matteus 28:19). Hij beloofde: ‘Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld’ (Marcus 16:16)

Wie in Jezus gelooft, moet worden gedoopt ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’. Dat betekent: hij komt voortaan op naam te staan van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Hij is voortaan eigendom van God. God verbindt zich aan hem. Wie gedoopt wordt, krijgt de belofte:

  • dat God de Vader hem als zijn kind wil beschouwen, en altijd voor hem zal zorgen (Romeinen 8:15-17).
  • dat Gods Zoon ervoor zal zorgen dat zijn zonden hem worden vergeven (Handelingen 2:38).
  • dat de Heilige Geest in hem zal wonen en ervoor zal zorgen dat hij een ander mens wordt (Titus 3:5).

De doop is een ingrijpende gebeurtenis in het leven van een mens (Kolossenzen 2:11-12). Iemand die gedoopt wordt, krijgt daarmee de verzekering dat de drie-enige God een altijddurend verbond met hem is aangegaan (Jesaja 54:10).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 28:19, Marcus 16:16, Romeinen 8:15-17, Handelingen 2:38, Titus 3:5, Kolossenzen 2:11-12, Jesaja 54:10

De doop: teken en garantiebewijs

We zagen dat een sacrament twee functies heeft. Het is een teken: het verduidelijkt dat wat God beloofd heeft. En het is een garantiebewijs: het geeft zekerheid. Hoe blijkt dat bij de doop?

  • De doop is een teken. Bij de doop wordt iemand ondergedompeld in water, of er wordt, om die onderdompeling uit te beelden, wat water over zijn hoofd heengegoten. Daarmee wordt uitgebeeld: zoals het water het vuil van ons lichaam afwast, zo wast God met Jezus’ bloed onze zonden weg (Handelingen 22:16). De doop is dus een zichtbaar teken van wat God bij ons doet (1 Korintiers 6:11).
  • De doop is een garantiebewijs. God geeft ons door de doop zekerheid over wat Hij beloofd heeft (Marcus 16:16). Even zeker als degene die gedoopt wordt, het water voelt, zo zeker zal God doen wat Hij beloofd heeft. Degene die gedoopt is, hoeft er nooit aan te twijfelen: God wil zijn zonden vergeven en hem het eeuwige leven geven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 22:16, 1 Korintiers 6:11, Marcus 16:16

De doop: verboden voor kinderen?

De kerk van Jezus Christus is onder andere te herkennen aan de manier waarop er wordt omgegaan met de doop. Het gaat dan om de vraag: worden bij het dopen de regels gevolgd die de bijbel ons daarvoor gegeven heeft? Wordt er over de doop gedacht op de manier waarop de bijbel erover spreekt?
Dit zijn belangrijke vragen. Want als je nagaat hoe er door christenen uit allerlei kerken over de doop wordt gedacht, kom je opmerkelijke verschillen tegen. Een van die verschillen is de manier waarop er gedacht wordt over de vraag: mogen de kinderen ook gedoopt worden? We staan hieronder kort stil bij dit onderwerp.

Volgens sommige christenen is de doop alleen iets voor volwassenen. Het is volgens hen verkeerd om ook kleine kinderen te laten dopen. Jezus heeft immers gezegd: ‘Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.’ (Marcus 16:16) Een baby gelooft nog niet – dus hij mag niet gedoopt worden.
Nu staat er in de bijbel nergens met zoveel woorden: ook kleine kinderen moeten gedoopt worden. Maar dat betekent niet dat we daarom de zogenaamde ‘kinderdoop’ moeten afwijzen. Wanneer je de hele bijbel in rekening brengt, merk je heel duidelijk dat het Gods bedoeling is dat ook de kinderen van gelovigen gedoopt worden. Want God wil geen enkelingen redden, Hij wil hele families redden. Dat was al zo in de tijd van het Oude Testament. God zei tegen Abraham:

‘Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen.’
(Genesis 17:7)

God ging dus een verbond aan met Abraham én met zijn nakomelingen. En dat blijft zo in de tijd van het Nieuwe Testament. Ook daar belooft God dat Hij zich wil verbinden aan gelovigen én hun kinderen (Handelingen 2:39).
Natuurlijk is het zo dat mensen die op latere leeftijd over Jezus Christus horen, pas gedoopt worden wanneer ze in Hem zijn gaan geloven. Zo heeft Jezus dat bevolen, en zo gebeurt dat ook steeds in het Nieuwe Testament.
Maar wanneer mensen die in Jezus zijn gaan geloven, gedoopt worden, worden niet alleen zijzelf gedoopt. Ze worden gedoopt ‘met hun huisgenoten’ (Handelingen 16:15), dat wil zeggen: met hun gezin, met hun kinderen. God laat de kinderen van mensen die in Hem zijn gaan geloven niet aan hun lot over (Handelingen 16:33). Hij wil ook hén redden. Daarom mogen ook zij gedoopt worden. Als een teken van het feit dat God voor hen gekozen heeft. Als een garantie van het feit dat God hun zonden wil vergeven en hen wil redden.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Marcus 16:16, Genesis 17:7, Handelingen 2:39, Handelingen 16:15, Handelingen 16:33

Filmpje: Dooplied van Sela

 

De instelling van het avondmaal

In de nacht voordat God het volk Israël uit Egypte zou bevrijden, moesten alle Israëlieten het Pascha vieren (Exodus 12) (Zie deel 10B). Ze moesten een lam slachten, en het bloed van dat lam aan hun deurposten smeren. Wanneer ze dat deden, zouden ze worden gered van de dood. Hierna moesten ze met hun gezin een feestelijke maaltijd houden. Van tevoren mochten ze vieren dat God hen uit Egypte zou bevrijden.
Het Pascha werd vanaf die nacht ieder jaar gevierd (Matteus 26:17-29). Tot in de tijd van Jezus toe. Op de avond waarop Jezus gearresteerd zou worden, vierde Hij met zijn leerlingen voor de laatste maal het Pascha. Die avond heeft Hij in plaats van het Pascha het avondmaal ingesteld (1 Korintiers 11:23-26). Voortaan hoefde er geen lam meer geslacht te worden. Jezus zelf zou als een paschalam gedood worden. En zijn dood zou voor de mensen die in Hem geloofden, de redding betekenen.
Jezus gaf zijn leerlingen de opdracht om voortaan ter herinnering aan Hem het avondmaal te vieren. Ze moesten dan een stukje brood eten en wijn drinken. Brood als teken van Jezus’ gekruisigde lichaam; wijn als teken van Jezus’ bloed, dat wil zeggen van zijn lijden en dood. De opdracht om het avondmaal te vieren gold niet alleen voor Jezus’ speciale leerlingen, maar ook voor alle andere mensen die in Jezus geloven. Daarom wordt in de kerk nog steeds regelmatig het avondmaal gevierd. Iedereen die gedoopt is en die verklaard heeft dat hij bij Jezus Christus wil horen, en zich daar ook naar gedraagt, mag aan het avondmaal deelnemen. Hij mag eten van het brood en drinken van de wijn. En hij mag weten: het offer dat Jezus Christus gebracht heeft, geldt ook voor mij.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 12, Matteus 26:17-29, 1 Korintiers 11: 23-26

Filmpje: Het laatste avondmaal

 

Avondmaal: teken en garantiebewijs

Net als de doop is ook het avondmaal een sacrament. Wat houdt dat in?

  • Het avondmaal is een teken van het feit dat Jezus zichzelf voor ons heeft opgeofferd (Johannes 6:53-58). Wie avondmaal viert, ziet voor zijn ogen dat het brood in stukjes wordt gebroken en wordt uitgedeeld: het is een illustratie van het feit dat Jezus zichzelf aan ons geeft.
  • Het avondmaal is ook een garantiebewijs (1 Korintiers 10:16-17). Een gelovige raakt het brood aan en proeft het; en hij drinkt de wijn. Even zeker is het dat Jezus voor zijn zonden gestorven is, en dat God hem zijn zonden wil vergeven en hem het eeuwige leven wil geven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 6:53-58, 1 Korintiers 10:16-17

Het avondmaal: een offer aan God?

De kerk van Jezus Christus is ook te herkennen aan de manier waarop er wordt omgegaan met het avondmaal. Gebeurt dat zoals God het in de bijbel heeft voorgeschreven? Of wordt er aan het avondmaal een andere inhoud gegeven?
Op het punt van het avondmaal komen, net als op het punt van de doop, onbijbelse opvattingen voor. Naar een van die opvattingen kijken we hier.

Volgens de officiële leer van de rooms-katholieke kerk is het avondmaal of de mis eigenlijk een offer van de kerk aan God. En dan niet een offer dat alleen uit brood en wijn bestaat; het offer dat de kerk brengt bestaat uit Jezus Christus zélf. Wanneer in de kerk brood en wijn worden geofferd, wordt daarmee in feite Jezus Christus geofferd. Want Jezus is tijdens de mis zelf lichamelijk aanwezig in het brood en in de wijn.
Volgens de rooms-katholieke kerk is het belangrijk dat Jezus steeds weer ten offer gebracht wordt. Want christenen zondigen steeds weer opnieuw. Daarom moet de verhouding met God ook telkens opnieuw hersteld worden.

Wanneer we de bijbel hier op na lezen, zien we echter dat deze opvatting niet klopt. Het avondmaal is geen offer dat de kerk aan God brengt. Het is een geschenk dat Jezus Christus aan de kerk heeft gegeven (1 Korintiers 11:20). Door middel van het avondmaal wil Hij de gelovigen op het hart binden dat Hij écht voor hen gestorven is.
Ook is het niet zo dat tijdens het avondmaal Jezus ten offer gebracht zou worden. Jezus heeft één offer gebracht – en dat was voldoende. Er mag en kan geen enkel offer toegevoegd worden aan het offer dat Jezus aan het kruis heeft gebracht. Het is ook niet nodig: Jezus’ offer is voldoende om al onze zonden te vergeven (Hebreeen 10:10 en 14). De verhouding met God kan steeds weer hersteld worden door het ene offer dat Jezus heeft gebracht (Hebreeen 9:26). Iedere keer wanneer we berouw hebben over onze zonden en een beroep doen op Jezus’ offer, vergeeft God ons wat we verkeerd hebben gedaan.
Dat Jezus lichamelijk aanwezig zou zijn in het brood en de wijn is ook een misvatting. Jezus is niet meer lichamelijk aanwezig op de aarde: Hij is immers naar de hemel gegaan (Hebreeen 10:12). Jezus is wel aanwezig tijdens het avondmaal – maar dan niet lichamelijk, maar geestelijk (Matteus 18:20).

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Korintiers 11:20, Hebreeen 10:10 en 14, Hebreeen 9:26, Hebreeen 10:12, Matteus 18:20

Filmpje: Waarom rituelen?

Goed omgaan met de tucht

Er is nog een derde kenmerk waaraan de kerk van Jezus Christus herkend kan worden: de manier waarop er wordt omgegaan met de tucht.
Wat is tucht? Wanneer je het beeld van een kudde schapen gebruikt, zou je kunnen zeggen: tucht is het terugroepen van een schaap dat dreigt te verdwalen (Matteus 18:12-14). Kerkleden en ouderlingen proberen een medekerklid dat van God wegdwaalt, terug te roepen (1 Timoteus 5:20). Met waarschuwingen en vermaningen (2 Tessalonicenzen 3:14-15). En als het nodig is zelfs met strafmaatregelen: iemand die absoluut niet terug wil keren van zijn verkeerde weg, mag bijvoorbeeld het avondmaal niet meevieren. Dat is niet om wraak te nemen. Het is bedoeld om iemand extra op het hart te binden: Je bent op een weg waarop je Jezus Christus kwijtraakt. Keer terug! Want alleen bij Jezus is het leven te vinden.

De tucht is geen populair onderwerp. En dat is niet zo vreemd: niemand houdt van strafmaatregelen. In veel kerken is de tucht dan ook afgeschaft. In de praktijk betekent dat dat je in zulke kerken kunt denken en kunt leven zoals je wilt. Ook wanneer je daarmee tegen de bijbel ingaat, zal je niets in de weg worden gelegd.
Toch blijkt uit de bijbel duidelijk dat de tucht niet moet worden afgeschaft (Matteus 18:15-18). Jezus zelf heeft de kerk de opdracht gegeven om tucht uit te oefenen. Want Hij houdt van zijn kerk. Hij wil niet dat de mensen die Hij van de dood gered heeft, zichzelf in de ondergang storten. Daarom heeft Hij de tucht gegeven, als een redmiddel tegen de ondergang.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 18:12-14, 1 Timoteus 5:20, 2 Tessalonicenzen 3:14-15, Matteus 18:15-18

De kerk van Jezus Christus

De manier waarop men omgaat met de bijbel, de sacramenten en de tucht: aan die drie zaken kun je zien of je te maken hebt met de kerk van Jezus Christus, of met een kerk die de verkeerde kant opgaat. Vooral op het punt van de doop en het avondmaal zal het niet altijd makkelijk zijn om te zien of een kerk de bijbel volgt. Maar het is de moeite waard om je in deze zaken te verdiepen, en er de bijbel op na te slaan. Want het gaat uiteindelijk om de kerk van Jezus Christus – de kudde van de goede herder.

Vragen

  1. De doop
    1. Wat maakt de doop duidelijk?
    2. Wat garandeert de doop?
  2. Volgens de leer van de rooms-katholieke kerk veranderen brood en wijn tijdens de mis in het lichaam en bloed van Jezus Christus. Deze leer is gebaseerd op wat er staat in Matteus 26:26: ‘En terwijl zij spraken, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zei: ‘Neemt, eet, dit is mijn lichaam.’
    Mag je uit de woorden ‘dit is mijn lichaam’ inderdaad afleiden dat het brood tijdens het avondmaal verandert in het lichaam van Jezus? Wat hebben teksten als Johannes 6:35, Johannes 8:12a, Johannes 10:7 en Johannes 15:1 in dit verband te zeggen?