Bijbelcursus Les 16

Deel 16A: De evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas

De eerste vier boeken van het Nieuwe Testament worden evangeliën genoemd. Deze boeken brengen het goede nieuws dat de redder van de wereld geboren is. Ze beschrijven zijn leer en zijn daden, en vertellen dat zijn lijden, sterven en opstanding mensen bevrijdt van zonde en dood.

In opdracht van Jezus

Wanneer Jezus met zijn werk begint, kiest Hij twaalf mannen uit om met Hem mee te gaan. Deze mannen, die in de bijbel de discipelen, leerlingen, worden genoemd, mogen getuigen zijn van het werk dat Jezus doet (Lukas 24:47,48, Johannes 15:27). Nadat Jezus naar de hemel is teruggegaan, moeten zij doorvertellen wat ze van Hem gehoord en gezien hebben. Jezus’ leerlingen voeren die opdracht ook uit: ze brengen hun boodschap aan Joden en niet-Joden.
Veel mensen komen tot geloof en worden christen. Al vroeg ontstaat er onder verschillende groepen christenen behoefte aan een geschreven verslag van Jezus’ leven en werk. En zo ontstaan de evangeliën.
Omdat de eerste drie evangeliën, die van Matteüs, Marcus en Lucas, zoveel op elkaar lijken, behandelen we ze in één deel. In de volgende deel behandelen we het vierde evangelie, dat van Johannes.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lukas 24:47,48, Johannes 15:27

Overeenkomsten en verschillen

Het eerste wat opvalt als we de evangeliën lezen, is dat ze geen van allen een volledige levensbeschrijving van Jezus geven. Over Jezus’ jeugd wordt maar heel weinig geschreven (Lukas 2:40-52). Het grootste deel van de evangeliën gaat over de drie jaar dat Jezus in het openbaar optrad, en over het einde van zijn leven. We kunnen daaruit opmaken dat de evangeliën niet als biografieën bedoeld zijn.
In de eerste drie evangeliën wordt niet expliciet vermeld met welke bedoeling ze nu precies geschreven zijn. Om daar achter te komen moeten we naar de inhoud van de evangeliën kijken.

Wanneer we de drie evangeliën lezen, merken we dat de schrijvers de bedoeling hebben gehad de geschiedenis van Jezus te beschrijven aan de hand van zijn woorden en daden (Handelingen 1:1). Jezus’ lijden en sterven krijgen daarbij veel aandacht.
De evangelieschrijvers willen dat hun lezers gaan begrijpen dat dát het doel is van de komst van Gods Zoon. Hij is naar de aarde gekomen om te lijden en te sterven. En om zo de mensen te kunnen redden.
De evangeliën zijn geen boeken met een gesloten einde. Ze vertellen het begin van de geschiedenis van Jezus. Jezus gaat na zijn leven op aarde vanuit de hemel immers verder met zijn werk. Hij stuurt de Heilige Geest en zorgt ervoor dat talloze mensen in Hem gaan geloven. En voor mensen die Jezus willen volgen, zijn de evangeliën nog steeds hét middel om Jezus te leren kennen.
De evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas beschrijven dus feiten uit het leven van Jezus. Maar hoe betrouwbaar is de weergave van die feiten? Wanneer het om de woorden van Jezus gaat, komen de evangeliën sterk overeen. Maar dat is anders met de gebeurtenissen die daaromheen worden verteld. Een gebeurtenis die we bij de ene schrijver wel aantreffen, komen we bij de andere soms niet tegen. En het komt voor dat één bepaalde gebeurtenis door twee schrijvers heel verschillend opgeschreven lijkt te zijn.
Toch moeten we dit soort verschillen niet als een teken van onbetrouwbaarheid opvatten. We moeten bedenken dat Jezus drie jaar lang door Israël is getrokken, en dat Hij in die drie jaar praktisch elke dag aan het werk was. Hij heeft op allerlei verschillende plaatsen hetzelfde onderwijs gegeven en onderweg heeft Hij veel wonderen gedaan: talloze zieke mensen zijn door Hem genezen. De evangelieschrijvers hebben een keus gemaakt uit de vele wonderen die Jezus had gedaan. Wanneer er in twee evangeliën verteld wordt over de genezing van een blinde man, hoeft het dus niet dezelfde man te betreffen. Het kan heel goed over een andere gebeurtenis gaan, op een andere plaats of op een eerder of later tijdstip.
Wat we wel uit de evangeliën kunnen opmaken, is dat de ene schrijver de geschiedenis van Jezus soms in een ander licht stelt dan de anderen. We zullen daarom nagaan wie de schrijvers van de evangeliën zijn, voor wie ze hun evangelie geschreven hebben, en wat het kenmerkende van hun evangelie is.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lukas 2:40-52, Handelingen 1:1

Het evangelie zoals Matteüs dat beschreven heeft

  • De schrijver Matteüs

Matteüs, die ook wel Levi genoemd wordt, was van beroep tollenaar. Vandaag zouden we zeggen dat hij een belastingontvanger was (Matteus 9:9-13). Iemand met zo’n beroep was niet erg geliefd bij zijn volksgenoten. Tollenaars stonden in dienst van de Romeinse bezetter en inden vaak meer geld dan ze mochten vragen en stopten dat in hun eigen zak. Daarom werden ze algemeen beschouwd als verachtelijke mensen. Toch kiest Jezus deze man uit om zijn leerling te worden.

  • Matteüs’ eerste lezers

Matteüs heeft zijn evangelie oorspronkelijk voor de christelijke Joden geschreven.

  • Kenmerkend voor Matteüs’ evangelie

De christelijke Joden voor wie Matteüs zijn evangelie schrijft, leven te midden van volksgenoten die niet geloven dat Jezus de beloofde redder is. Dat is misschien de reden waarom Matteüs voortdurend aantoont dat Jezus’ komst en zijn daden al voorspeld zijn in het Oude Testament. Matteüs laat in zijn boek eerst zien dat Jezus van Abraham afstamt (Matteus 1:1): Jezus is de beloofde nakomeling van Abraham in wie alle geslachten van de wereld gezegend zullen worden (zie deel 15B). Matteüs laat vervolgens in zijn evangelie zien dat de beloften en profetieën uit het Oude Testament werkelijkheid zijn geworden met de komst van Jezus. Steeds weer toont Matteüs aan dat Jezus door zijn daden en woorden allerlei profetieën uit het Oude Testament vervult. Matteüs zegt dan: ‘Opdat vervuld zou worden het woord van de profeet…’ (Matteus 1:22)

Matteüs verwijst telkens naar allerlei teksten uit het Oude Testament. Dat doet hij niet zomaar. Jezus zelf is hem daarin voorgegaan. We zien dat in de vele gesprekken tussen Jezus en de Farizeeën en schriftgeleerden, die Matteüs in zijn evangelie opgenomen heeft. Deze mensen willen niet geloven dat Jezus de beloofde redder is. Voortdurend hopen ze Jezus op een leugen te kunnen betrappen of proberen ze Hem vast te praten. Jezus verdedigt zichzelf dan niet, maar wijst hen naar het Oude Testament. Telkens weer laat Jezus zien dat wat Hij doet al wordt aangekondigd in het Oude Testament:

‘Hebt u niet gelezen wat David deed…’ (Matteus 12:3)

‘En hebt u niet in de wet gelezen…’ (Matteus 12:5)

‘Als u begrepen had, wat bedoeld wordt met…’ (Matteus 12:7)

Matteüs legt in zijn evangelie duidelijk aan zijn lezers uit dat Jezus degene is op wie al eeuwen gewacht is. Maar hij wijst er tegelijk op dat, wanneer de Joden niet willen geloven dat Jezus de beloofde redder is, de niet-Joden in hun plaats Gods Koninkrijk zullen binnengaan. Het verhaal over de buitenlandse sterrenkundigen die de pas geboren Jezus hebben opgezocht en geëerd, is daar een voorbeeld van (zie deel 15B). Ook Jezus zelf maakt dit meermalen door middel van gelijkenissen duidelijk (Matteus 21:33-43).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 9:9-13, Matteus 1:1, Matteus 1:22, Matteus 12:3, Matteus 12:5, Matteus 12:7, Matteus 21:33-43

Het evangelie zoals Marcus dat beschreven heeft

  • De schrijver Marcus

Marcus hoorde niet tot de kring van de twaalf leerlingen van Jezus. We kennen Marcus ook niet uit de evangeliën. We komen hem voor het eerst tegen in het boek Handelingen (Handelingen 12:12). Marcus moet al vroeg contact met de groep leerlingen gehad hebben, want hij gaat met een van de eerste zendingsreizen mee (Handelingen 12:25).

  • Marcus’ eerste lezers

Marcus heeft zijn evangelie voor jonge christelijke kerken geschreven.

  • Kenmerkend voor Marcus’ evangelie

Het evangelie van Marcus is het kortste van de vier. Marcus slaat de geboorte van Jezus over. Hij begint zijn evangelie op het moment dat Johannes de Doper optreedt (Marcus 1:1-8). Marcus vertelt dat Jezus door Johannes gedoopt wordt, en hoe Hij daarna met zijn werk begint (zie deel 16B).
Marcus is een evangelie waar vaart in zit. Dat is onder andere te merken aan het feit dat telkens de uitdrukking meteen (= direct) is gebruikt. Daardoor komen de gebeurtenissen nog indrukwekkender over.

Marcus heeft in zijn evangelie de herinneringen van Petrus opgeschreven. Hij besteedt daarbij veel aandacht aan de wonderen die Jezus doet (zie deel 18B). Jezus geneest zieken, drijft duivelse geesten uit en laat zelfs mensen uit de dood opstaan. Marcus vertelt ook hoe de mensen reageren op de wonderen die Jezus doet. Ze zijn hoogst verbaasd. Ze zeggen: ‘Zoiets hebben wij nog nooit gezien! (Marcus 2:12) Marcus vertelt: En zij waren geweldig onder de indruk.’
Het is natuurlijk heel logisch dat er zo gereageerd werd. Marcus veroordeelt die verbazing op zich ook niet. Maar wel probeert Marcus zijn lezers duidelijk te maken dat het niet alleen bij verbazing moet blijven. Ze mogen niet stil blijven staan bij de wonderen die Jezus doet. Jezus wil niet dat de mensen zijn wonderen gaan zien als op zichzelf staande gebeurtenissen. Daarom verbiedt Hij mensen zelfs vaak om te vertellen dat ze door Hem genezen zijn:

  • Hij beval de omstanders om aan niemand te vertellen wat er gebeurd was (Marcus 7:36)
  • Hij verbood hun op strenge toon om met niemand hierover te spreken (Marcus 8:30)

Jezus is geen gewoon mens die bewonderd wil worden om de bijzondere dingen die Hij doet. Hij is de Zoon van God die naar de wereld is gestuurd om mensen te redden. Hij wil dat de mensen in Hem gaan geloven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 12:12, Handelingen 12:25, Marcus 1:1-8, Marcus 6:45, Marcus 2:12, Marcus 7:37, Marcus 7:36, Marcus 8:30

Het evangelie zoals Lucas dat beschreven heeft

  • De schrijver Lucas

Lucas was een arts van niet-Joodse afkomst. Nadat hij christen geworden was, heeft hij meegeholpen om het evangelie te verbreiden.

  • Lucas’ eerste lezers

Lucas schrijft zijn evangelie voor Grieks-sprekende Romeinen die christen geworden zijn. Hij draagt zijn evangelie op aan een zekere Teofilus, een hoge Romeinse ambtenaar. Speciaal voor hem heeft Lucas nauwkeurig onderzoek gedaan naar alles wat Jezus gedaan en gezegd heeft (Lukas 1:1-3).

  • Kenmerkend voor Lucas’ evangelie

Een groot deel van Lucas’ evangelie bestaat uit een verslag van de laatste voetreis die Jezus en zijn twaalf leerlingen gemaakt hebben: een reis van de landstreek Galilea naar de stad Jeruzalem (Zie kaart 8 in Wegwijzer), waar Jezus gekruisigd zal worden. De andere schrijvers hebben aan deze reis niet zoveel aandacht besteed. We vinden daarom in Lucas’ evangelie onderwerpen die in de andere evangeliën niet beschreven staan. Lucas laat in dat reisverslag nadrukkelijk zien dat Jezus niet alleen macht heeft over ziekte en dood, maar dat Hij ook de redder is van levens die door de zonde verloren dreigen te gaan. En de redding die Jezus brengt is voor iedereen. Ook voor de mensen die door anderen met de nek aangekeken worden.

‘ Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. Maar zowel de farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’
(Lucas 15:1-2)

Lucas beschrijft bijvoorbeeld hoe Jezus Zacheüs ontmoet (Lukas 19:1-10). Zacheüs is het hoofd van de belastingontvangers, die ten koste van zijn eigen volksgenoten rijk is geworden. Daarom staat hij zeer slecht bekend bij de Joden. Maar Jezus gaat bij hem op bezoek. En Zacheüs gaat in Jezus geloven. Hij bekeert zich. En dat laat hij ook direct zien: hij belooft Jezus dat hij de helft van zijn geld aan de armen zal geven, en dat hij al het geld dat hij mensen teveel heeft laten betalen, viervoudig zal vergoeden.
Tegen de mensen die het verkeerd vinden dat Jezus bij Zacheüs naar binnen is gegaan, legt Jezus uit waarom Hij dat gedaan heeft: ‘De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was’. (Lukas 19:10)

 

Filmpje: Zacheüs


Ook de gelijkenis van de verloren zoon uit hoofdstuk 15 onderstreept met welk doel Jezus op aarde gekomen is: ieder mens mag, wat hij ook aan verkeerde dingen gedaan heeft, bij God terugkomen. En God zal hem met open armen ontvangen.

Lucas heeft ook een vervolg op zijn evangelie geschreven: het boek Handelingen der Apostelen. In dit boek lezen we dat het begin van de geschiedenis van Jezus een vervolg gekregen heeft (zie deel 21-24B). Jezus’ leerlingen brengen het goede nieuws over Jezus onder andere naar Rome, het centrum van het Romeinse wereldrijk.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lukas 1:1-3, Lukas 15:1-2, Lukas 19:1-10, Lukas 19:10

Filmpje: De verloren zoon

 

Vragen

  1. Wat is de bedoeling van de eerste drie evangeliën?
  2. Kun je kort beschrijven waar elk van deze drie evangeliën een eigen accent legt?
  3. Lucas begint het geboorteregister van Jezus bij Adam, de ‘vader’ van de mensheid.
    Kun je verklaren waarom juist Lucas bij Adam begint?


Deel 16B: Jezus begint met zijn werk

In het A-deel hebben we gekeken naar het kenmerkende van de eerste drie evangeliën. In deze en de volgende B-delen gaan we nader in op de inhoud van de evangeliën. We beginnen bij een gebeurtenis die plaatsvond in Jezus’ jeugd.

Jezus in de tempel

Lezen: Lucas 2:40-52
2:40 Gods genade rustte op hem: Hij stond bij God in de gunst.

Drie maal per jaar moesten de Israëlitische mannen naar Jeruzalem om daar ter ere van God feest te vieren (Deuteronomium 16:16). Een van die feesten was het Pascha of paasfeest. Jozef gaat niet alleen naar dit feest: Maria en Jezus gaan met hem mee. Wanneer de feestweek voorbij is, keren de mensen in grote groepen terug naar hun woonplaats. Het is niet vreemd dat Jozef en Maria hun zoon pas na een dag missen. Ze denken waarschijnlijk dat Hij bij familieleden of vrienden is.
Wanneer ze ontdekken dat Jezus zich niet bij het reisgezelschap bevindt, worden ze erg ongerust. Ze keren meteen terug naar Jeruzalem. Daar vinden ze hun zoon, druk in gesprek met een aantal schriftgeleerden. Maria en Jozef zijn verbijsterd wanneer ze Jezus zien praten alsof er niets aan de hand is. Maria zegt: ‘Je vader en ik zijn vreselijk ongerust geweest! We hebben je overal gezocht!’ Maar Jezus antwoordt: ‘Waarom hebt u eigenlijk naar mij gezocht? U kon toch weten dat ik bezig moest zijn met de dingen van mijn vader?’
‘De dingen van mijn vader’ – dat zal Jozef en Maria vreemd in de oren geklonken hebben. Het is duidelijk dat Jezus met ‘mijn vader’ niet Jozef, maar God bedoelt. Hij zegt hier in feite dat niet Jozef, maar God zijn eigenlijke vader is. Wat is er natuurlijker voor Jezus dan dat Hij in Gods huis is, en daar alles over Hem te weten probeert te komen!
Jozef en Maria wisten natuurlijk dat Jezus méér was dan een gewoon kind. Maar blijkbaar was die wetenschap in de loop van de jaren wat op de achtergrond geraakt. Door deze gebeurtenis worden ze er weer aan herinnerd. Even zien ze iets van Jezus’ afkomst: Hij is de zoon van God.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lukas 2:40-52, Deuteronomium 16:16

Johannes de heraut

Jezus zal zich ruim dertig jaar hebben voorbereid op het werk dat Hem te wachten staat. In deze tijd is Hij bezig met het Oude Testament en leert Hij wat God, zijn vader, van Hem verwacht. Pas na die tijd neemt Hij zijn taak als redder op zich. Maar voordat Hij dat doet, moet Hij eerst gedoopt worden.

Lezen: Matteus 3
3:1 woestijn: geen zandvlakte, maar eerder een woeste, onbewoonde wildernis.
3:2 Koninkrijk van de hemel: het koninkrijk van God, waarop alle Joden wachtten. Zie ook de woordenlijst in Wegwijzer.
3:12 wan: werktuig om het graan te zuiveren van het kaf.

In de tijd dat er nog geen kranten, radio en televisie waren, werd de komst van een koning vaak aangekondigd door een heraut. Deze heraut, die voor de koning uitging, zorgde ervoor dat de mensen er klaar voor waren om hem te ontvangen.
De heraut die voor Jezus uitgaat, is Johannes, de zoon van Zacharias en Elisabet. Johannes roept – net als iedere andere heraut zou doen – de mensen op zich voor te bereiden op de komst van de koning. Maar hij is geen gewone heraut. Dat is alleen al te zien aan zijn kleren: met zijn eenvoudige haren mantel en zijn leren riem ziet hij er eerder uit als een boeteprofeet. Het is ook te zien aan zijn sobere levenswijze. Johannes eet, net als andere woestijnbewoners, geroosterde of gekookte sprinkhanen en honing.
Dat Johannes geen gewone heraut is, blijkt ook uit de plaats waar hij de mensen toespreekt. Hij komt niet naar ze toe, zoals je van een heraut zou verwachten. Hij gaat niet naar Jeruzalem of andere plaatsen. Hij laat de mensen naar hém toekomen. Ze moeten, als ze iets willen horen over de koning en zijn koninkrijk, naar de rivier de Jordaan gaan, naar het woestijngebied.
Ook aan Johannes’ boodschap is te merken dat hij niet zomaar een heraut is. Hij roept de mensen niet op de straten van hun stad te versieren en hun mooie kleren aan te doen. Hij roept ze op zich te bekeren. Hij maakt de mensen duidelijk: jullie zijn er niet klaar voor om de koning te ontvangen. Jullie moeten een radicale verandering ondergaan.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 3

Johannes de Doper

Er komen zeer veel mensen op Johannes af: alle mensen uit Jeruzalem, de landstreek Judea en het gebied rond de rivier de Jordaan gaan naar de woestijn om naar Johannes te luisteren (Matteus 3:5-12). Opvallend is dat Johannes niet alleen tot de mensen spreekt, maar dat hij ze ook doopt. De doop is de Joden niet onbekend. Iedere heiden

die in deze tijd in God gaat geloven en bij het Joodse volk wil horen, moet naast de besnijdenis ook de doop ondergaan. De doop beeldt uit dat zijn oude, zondige leven als vuil van hem wordt afgewassen. In de ogen van de Joden is de doop dus bestemd voor mensen die nog niet bij God horen. Maar nu moeten ook Joden zich laten dopen. Ook zij moeten erkennen dat ze van zichzelf niet bij God passen, en dat ze een nieuw leven moeten beginnen. Het bijzondere is dat veel Joden deze vernedering willen ondergaan. Zeer veel van de mensen die naar Johannes zijn komen luisteren, bekennen hun zonden en laten zich dopen.
Niet alleen gewone mensen komen op Johannes af (Matteus 3:7-10). Er komen ook veel Farizeeën en en Sadduceeën naar de plaats waar Johannes doopt. De Farizeeën en Sadduceeën, die zich streng aan allerlei geboden houden, verwachten misschien dat Johannes hen met veel eerbetoon zal ontvangen en zal zeggen dat zij echt geen doop nodig hebben. Maar Johannes kondigt hun juist Gods straf aan. Hij ziet heel goed dat ze zich niet echt willen bekeren. Achter hun vrome gedrag zit een heel verkeerde instelling. Ze denken dat het met hen wel goed zit: ze stammen immers af van Abraham, met wie God een verbond gesloten had. Johannes waarschuwt hen om niet op die familieband te vertrouwen. Zoals je van een vruchtboom goede vruchten mag verwachten, zo verwacht God van nakomelingen van Abraham dat ze zich tot Hem bekeren. Wanneer ze dat niet doen, zal het slecht met hen aflopen: God zal hen straffen.

Johannes maakt de mensen duidelijk dat het niet om hemzelf gaat (Matteus 3:11-12). Hij is maar een heraut. Degene om wie het gaat, is zo belangrijk, dat Johannes niet eens bevoegd is om het aller-nederigste werk voor Hem te doen. De mensen denken dat Johannes heel wat is. Maar degene om wie het gaat, is veel sterker dan Johannes. Dat is al te zien aan de doop. Johannes heeft de mensen ondergedompeld in water; maar Hij zal mensen als het ware onderdompelen in de Heilige Geest. Hij zal de mensen door de Heilige Geest van binnen veranderen. En de mensen die dat niet willen, zullen worden gestraft: ze zullen worden ‘gedoopt met vuur’. Of, met een beeld uit de oogsttijd: de mensen die Hem als koning beschouwen, zijn als graan, dat veilig wordt opgeborgen in een schuur. De anderen zijn als waardeloos kaf, dat verbrand zal worden.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 3:5-12, Matteus 3:7-10, Matteus 3:11-12

De koning komt

De koning die Johannes aankondigt, houdt geen grootse intocht in Jeruzalem (Matteus 3: 13-17); er vindt geen feestelijke troonsbestijging plaats. Op een dag staat Hij tussen alle andere mensen in naar Johannes te luisteren. Geen van de omstanders weet dat Hij degene is om wie het gaat.

Jezus is dan ook geen gewone koning. Tijdens zijn leven op aarde zal het meestal helemaal niet zichtbaar zijn dat Hij koning is en dat Hij Gods Zoon zelf is. Eens heeft Hij uitgelegd dat Hij niet op aarde is gekomen om zich te laten dienen, maar om zélf te dienen,en zijn leven te geven tot redding van het leven van vele mensen (Marcus 10:45).

Jezus wil zich, net als alle andere mensen, laten dopen. Johannes protesteert wanneer hij dat hoort. Hoe zou hij Jezus kunnen dopen? Jezus, de koning die hij heeft aangekondigd, hoeft zijn oude leven toch niet te laten afwassen en een nieuw leven te beginnen!
Toch geeft Jezus aan Johannes de opdracht Hem te dopen. Hij laat op die manier zien dat Hij één wil zijn met de zondige mensen. Het is zelfs zo dat Hij de zonden van al die mensen op zich neemt. Je zou kunnen zeggen: het vuil dat van de mensen die gedoopt werden, afgespoeld is, kleeft vanaf nu aan zijn lichaam.
Dat Jezus door zich te laten dopen Gods wil uitvoert, blijkt meteen. Wanneer Hij, na gedoopt te zijn, weer opstaat uit het water, breekt de hemel open. De Heilige Geest verschijnt in de gestalte van een duif

en daalt op Jezus neer. En God zelf verklaart dat Jezus zijn Zoon is en dat Hij van Hem houdt.

Op dit moment heeft God zelf Jezus gezalfd (zie deel 5C). Normaal werden mensen die een belangrijke taak kregen met olie gezalfd. Die olie was een teken van de Heilige Geest. Maar Jezus wordt met de Geest zélf gezalfd (Jesaja 61:1). Vanaf nu is Hij aangesteld voor de taak die God Hem heeft gegeven, en is Hij er klaar voor.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 3:13-17, Marcus 10:45, Jesaja 61:1

Filmpje: Johannes de Doper

 

Het werk begint

Lezen: Matteus 4:1-11
4:2 vasten

: hier: een middel om zich geestelijk te kunnen concentreren; om stand te kunnen houden in de strijd.
4:3 de beproever: de satan of duivel.
4:5 de heilige stad: Jeruzalem.

Meteen nadat Jezus gedoopt is, wordt Hij door de Heilige Geest naar de woestijn gestuurd. Veertig dagen lang bidt en vast Hij daar in alle afzondering.
Uit de bijbelboeken Marcus (Marcus 1:13) en Lucas (Lucas 4:2) weten we dat Jezus gedurende die veertig dagen door de satan op de proef wordt gesteld. Voortdurend probeert de satan Jezus ertoe te brengen God ontrouw te worden. Na veertig dagen krijgt Jezus honger. En juist op dat moment begint de satan met zijn laatste en zwaarste aanval. Op drie verschillende manieren probeert hij de verzwakte Jezus ertoe te brengen zijn dienst aan God op te zeggen.

  1. Hij sluit aan bij Jezus’ honger. Voordat Jezus de woestijn inging, heeft God gezegd dat Jezus zijn zoon is (Matteus 3:17). Als dat waar is, kan Jezus alles: ook brood maken uit de stenen die Hij ziet liggen. Maar Jezus gaat niet in op de verleiding om aan de duivel te laten zien dat Hij echt Gods zoon is. Hij maakt hem vanuit de bijbel duidelijk dat Hij zijn macht niet op deze manier mag misbruiken (Deuteronomium 8:3). Net zoals God aan de Israëlieten in de woestijn brood heeft gegeven door één enkel woord te spreken, zo kan Hij ook zijn zoon te eten geven door te spreken. Jezus vertrouwt op zijn Vader, en wacht tot Hij Hem brood geeft.
  2. De satan sluit aan bij Jezus’ vertrouwen op God. Hij neemt Hem mee naar Jeruzalem. Daar daagt hij Jezus uit van de tempel af te springen. Hij haalt er zelfs een bijbeltekst bij. Jezus hoeft niet bang te zijn, want er staat in de bijbel dat de engelen er voor zullen zorgen dat Hij zich niet zal bezeren! (Psalm 91:11,12) Jezus weigert op die manier zijn vertrouwen op God te bewijzen (Deuteronomium 6:16). Hij toont vanuit de bijbel aan dat je God niet zomaar op de proef mag stellen. Je mag Gods macht niet vanuit een verkeerde houding gaan uitproberen.
  3. Tenslotte probeert de satan Jezus ertoe te brengen om in één keer alle macht naar zich toe te trekken. Wat God Hem via een zware weg van lijden en sterven wil geven, kan Jezus nu op een heel makkelijke manier in zijn bezit krijgen. Het enige wat Hij hoeft te doen is een knieval voor de satan te maken. Hij moet dus één moment lang de satan als God beschouwen, en erkennen dat hij de heerser van de wereld is. Jezus gaat niet op deze verleiding in. Hij geeft de satan het bevel weg te gaan. Hij mag niet voor hem knielen: een mens mag alleen God aanbidden (Deuteronomium 6:13).

De satan laat Jezus dan met rust. Voor het moment geeft hij de strijd op. God stuurt engelen naar Jezus toe om Hem te dienen. Dat wil zeggen: om Hem eten te brengen. Jezus wordt niet beschaamd in zijn vertrouwen op God.

Deze gebeurtenis lijkt op dat wat er in het paradijs gebeurde (Genesis 3:1-6). In het paradijs probeerde de satan Eva tot opstand tegen God te brengen. Toen lukte zijn opzet: Eva geloofde de satan en werd God ongehoorzaam. Nu probeert de satan bij Jezus hetzelfde te bereiken. Daarmee staat de redding van de mensen op het spel. Wanneer Jezus toe zou geven, zou alles verloren zijn. Maar Jezus reageert zoals Eva en Adam hadden moeten reageren. Hij blijft God trouw, wat de satan ook zegt.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Marcus 1:13, Lucas 4:2, Matteus 3:17, Deuteronomium 8:3, Psalm 91:11,12, Deuteronomium 6:16, Deuteronomium 6:13, Genesis 3:1-6

Filmpje: Verzoeking in de woestijn

 

Jezus, het licht in het donker

Lezen: Matteus 4:12-22

Uit het bijbelboek Johannes weten we dat Jezus eerst in het gebied Judea (Zie kaart 8 in Wegwijzer) heeft gewerkt (Johannes 1-3). Johannes de Doper trad toen ook nog op. Maar op een gegeven moment wordt Johannes gevangen genomen. Jezus trekt dan naar Galilea, een achteraf gelegen gebied in het noorden van Israël. Van daaruit begint Hij een jaar van grote activiteit.
De profeet Jesaja had dat al aangekondigd (Jesaja 8:23 – 9:1). Het noordelijke deel van het rijk, waartoe ook de stammen Zebulon en Naftali horen, was het eerst door God gestraft: het was het eerst in ballingschap gegaan. Maar later toont God juist aan dit gebied op een bijzondere manier zijn liefde: Jezus, het licht van de wereld, maakt dit gebied tot zijn werkbasis.

Jezus blijft niet alleen. Hij kiest twaalf mannen uit om zijn leerlingen te zijn. Zij mogen Hem voortaan vergezellen. Matteüs vertelt hoe Jezus aan zijn eerste vier leerlingen komt. Hij zegt gewoon tegen ze dat ze Hem moeten volgen. En ze laten hun werk en hun familie in de steek en gaan met Hem mee.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 4:12-22, Johannes 1-3, Jesaja 8:23 – 9:1

Vragen

  1. Jezus begint met zijn werk
    1. Waarom doopt Johannes de mensen? (Zie hiervoor ook de term waarmee Lucas de doop beschrijft, Lucas 3:3).
    2. Waarom wil Johannes Jezus niet dopen?
    3. Waarom moet hij Jezus toch dopen?
  2. Bekering
    1. Uit wat voor soort dingen kan blijken dat de mensen zich echt bekeren? Zie hiervoor Lucas 3:10-14. (In Lucas 3 wordt dezelfde geschiedenis beschreven als in Matteus 3).
      Hem: Johannes.
      3:12 meester: een titel waarmee men een godsdienstleraar aansprak.
    2. Uit wat voor dingen zouden mensen vandaag kunnen laten blijken dat ze ernst maken met hun bekering tot God?

3               Paradijs en woestijn

  1. Kun je overeenkomsten noemen tussen dat wat er in het paradijs gebeurde (Genesis 3:1-6, zie ook deel 2B) en dat wat er in de woestijn gebeurde? (Matteus 4:1-11)
  2. Wat zijn de verschillen?
  3. Waarom wordt Jezus de Christus genoemd? Zie hiervoor deel 5C.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 3:3, Lucas 3:10-14, Matteus 4:1-11

Deel 16C: De kerkdienst

In de vorige drie delen hebben we het gehad over de kerk. Wat is de kerk, en hoe weet je of een kerk ook werkelijk de kerk van Jezus Christus is? In dit deel zullen we kijken naar wat er in de kerk gebeurt.

 

Filmpje: Waarom naar de kerk?

Waarom gaan mensen naar de kerk

Iedere zondag komt de gemeente van Jezus Christus bij elkaar. Waarom? Niet omdat de kerkleden zulke goede vrienden van elkaar zijn dat ze elkaar iedere zondag twee keer willen zien. Niet omdat ze een gemeenschappelijke hobby hebben. De enige reden is het feit dat Christus hen bij elkaar brengt. We zeggen wel: Christus roept hen naar de kerk toe. Mensen van de meest uiteenlopende karakters, opleidingen en leeftijden – mensen die uit zichzelf nooit twee maal per zondag bij elkaar zouden komen, komen naar de kerk. Omdat Jezus Christus wil dat ze daar komen.

Al die mensen horen bij elkaar (1 Johannes 5:1-2). Ze zijn allemaal gered door Jezus Christus. Ze zijn allemaal opgenomen in Gods verbond. Ze zijn kinderen van God de Vader. Daarom zijn ze als broers en zussen van elkaar (1 Timoteus 5:1-2). Zo spreekt de predikant ze ook aan: als ‘broeders en zusters in de Here Jezus Christus’ (dat wil zeggen: dankzij het werk van Jezus Christus).
En hoewel de kerkleden elkaar misschien nooit uit zichzelf zouden hebben uitgekozen als vrienden, gaan ze toch van elkaar houden (1 Johannes 3:11-17). Daar zorgt de Heilige Geest voor (Galaten 5:22). Jezus Christus houdt zoveel van hen, dat Hij zijn leven voor hen gegeven heeft. De liefde van Jezus Christus maakt dat de gelovigen op hun beurt ook elkaar gaan liefhebben.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Johannes 5:1-2, 1 Timoteus 5:1-2, 1 Johannes 3:11-17, Galaten 5:22

Wat gebeurt er in de kerk?

De kerkdienst is een ontmoeting. Zo op het oog is het alleen een ontmoeting van kerkleden. Maar het is meer: het een ontmoeting is tussen God en de gemeente. God zelf is door de Heilige Geest aanwezig in de kerkdienst. Hij spreekt tot zijn kinderen – bijvoorbeeld wanneer er uit de bijbel gelezen wordt. En zijn kinderen geven Hem antwoord. Door te zingen en door te bidden bijvoorbeeld. De kerkdienst is eigenlijk een gesprek tussen God de Vader en zijn kinderen.

Hoe gaat het er in de kerkdienst nu precies aan toe? Dat is niet overal hetzelfde. Toch zijn er veel elementen die in kerkdiensten over de hele wereld terugkomen. In dit deel gaan we die elementen een voor een bij langs.

Erkenning van afhankelijkheid

In de meeste reformatorische kerken begint de kerkdienst met een uiting van vertrouwen in God. De predikant vraagt de gemeente op te staan. Soms zegt hij daarbij: ‘Verheft uw harten tot God.’ Dat wil zoveel zeggen als: laten we onze aandacht helemaal op God richten. Dan zegt hij namens de gemeente:

‘Onze hulp is in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft.’
‘(Psalm 124:8)

Met deze woorden, die uit Psalm 124 komen, erkennen de gemeenteleden dat ze helemaal afhankelijk zijn van God, de schepper van hemel en aarde. Van Hem moeten ze het hebben. Zonder Hem zijn ze niets.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 124:8

Gods groet

Daarna mag de predikant namens God tot de gemeente spreken. Hij zegt:

‘Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.’
(1 Korintiers 1:3)

Zoals iemand een vriend die hij tegenkomt zou begroeten, zo groet God – via de predikant, zijn dienaar – de gemeente. Aan het begin van de kerkdienst is het al te zien: God is aanwezig. Hij wil contact hebben met zijn kinderen. Hij wenst ze genade en vrede toe. Overigens kan de predikant ook een andere bijbeltekst gebruiken om de gemeente namens God te begroeten (Romeinen 1:7, Openbaring 1:4-5).

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Korintiers 1:3, Romeinen 1:7, Openbaring 1:4-5

Filmpje: Votum en Groet

 

De wet

Tijdens de reis door de woestijn heeft God aan de Israëlieten de wet gegeven (Exodus 20:1-17). Diezelfde wet wordt in de meeste reformatorische kerken nog steeds iedere zondag voorgelezen. In de wet hoort de gemeente God tot zich spreken.
Wanneer de gemeenteleden Gods geboden horen, merken ze hoezeer ze tekort zijn geschoten in het dienen van God. Hun leven werd ook in de week die achter hen ligt niet altijd beheerst door liefde voor God en voor hun naaste. Iedere dag weer zijn ze God op allerlei punten ongehoorzaam geweest (Romeinen 3:20). De wet is als het ware een spiegel die de mensen laat zien hoe zondig ze zijn.
Toch hoeft de voorlezing van de wet de mensen niet moedeloos te maken (Romeinen 7: 13-26). Want ze weten dat God niet stil zal blijven staan bij alles wat ze verkeerd hebben gedaan. Wanneer ze God daar om vragen, zal Hij hun verkeerde daden vergeven. Want Jezus Christus is voor hun zonden gestraft (Handelingen 10:43).

De wet houdt de gemeenteleden niet alleen een spiegel voor, maar laat hun ook zien hoe ze God hun dankbaarheid kunnen tonen. De gemeenteleden weten dat God hen gered heeft uit de macht van de zonde en de dood. Dat is iets waarvoor ze Hem heel erg dankbaar zijn (Romeinen 6:10-14). En die dankbaarheid kunnen ze uiten door hun best te doen om te leven zoals hun Vader het graag heeft: volgens de regels van de wet.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 20:1-17, Romeinen 3:20, Romeinen 7: 13-26, Handelingen 10:43, Romeinen 6: 10-14

De geloofsbelijdenis

Niet alleen de wet, maar ook de geloofsbelijdenis heeft een plaats in de kerkdienst. Al bijna tweeduizend jaar lang hebben kerkleden overal ter wereld de apostolische geloofsbelijdenis aanvaard als een betrouwbare samenvatting van de bijbel. En iedere zondag leggen de gemeenteleden door middel van deze geloofsbelijdenis gezamenlijk een verklaring af: dit is wat we geloven. Hier staan we voor (Romeinen 10:9-11). Aan deze God horen we toe.
De geloofsbelijdenis kan door de predikant worden voorgelezen of door de hele gemeente worden gezongen of opgezegd. Wanneer de geloofsbelijdenis door de predikant wordt voorgelezen, zingt de gemeente daarna een psalm of gezang om haar instemming met de belijdenis te betuigen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Romeinen 10:9-11

Het gebed

Een belangrijk onderdeel van de kerkdienst is het gebed. In het gebed treedt de gemeente heel direct in contact met God. De gemeente komt als het ware Gods troonzaal binnen om daar te spreken met de koning van hemel en aarde. In het gebed danken en loven de gemeenteleden God, die de wereld heeft gemaakt en hen heeft willen redden uit de dood (Psalm 148). Ze vragen God om vergeving van hun zonden; ze vragen Hem of Hij met zijn Heilige Geest bij hen wil zijn en hen tot andere mensen wil maken (Lucas 11:13). Ook bidt de gemeente voor mensen die het moeilijk hebben of ziek zijn, en voor mensen die leven in gebieden waar oorlog of honger heerst . De gemeente vraagt God of Hij ervoor wil zorgen dat veel mensen zich tot Hem bekeren (1 Timoteus 2:1-2).
Het gebed wordt vaak afgesloten met de woorden: ‘Dit vragen we U in de naam van Jezus Christus’. Daarmee wordt bedoeld: we weten dat we niet verdienen dat U ons geeft wat we U gevraagd hebben (Johannes 16:23-24). Wilt U het ons geven om wat Jezus voor ons gedaan heeft.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 148, Lucas 11:13, 1 Timoteus 2:1-2, Johannes 16: 23-24

Het zingen

Tijdens de kerkdienst wordt veel gezongen. De 150 psalmen die in het Oude Testament staan, zijn allemaal op rijm en muziek gezet. Naast de psalmen zijn er ook gezangen: liederen die meestal niet rechtstreeks uit de bijbel komen, maar die door leden van de kerk zelf gemaakt zijn.
Na vrijwel ieder onderdeel van de kerkdienst worden er een paar coupletten van een psalm of gezang gezongen, vaak als een antwoord op wat God gezegd heeft.
Zo kan er na de voorlezing van de wet bijvoorbeeld een psalm of gezang worden gezongen waarin de gemeente antwoord geeft op dat wat God in de wet heeft gezegd. Dat kan een psalm zijn waarin de mensen tegenover God erkennen dat ze schuldig zijn en waarin ze Hem om vergeving vragen (Psalm 51). Maar het kan ook een psalm of gezang zijn waarin de gemeenteleden zingen dat ze blij zijn met Gods wet en graag willen leven zoals God het van hen vraagt (Psalm 119).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 51, Psalm 119

Bijbellezen

De bijbellezing is een belangrijk onderdeel van de kerkdienst. Hierin spreekt God immers zelf tot zijn gemeente. De predikant leest één of meer gedeeltes uit de bijbel voor. Een aantal verzen uit het gelezene vormen de tekst waarover de preek zal gaan.

De preek

Een groot gedeelte van de kerkdienst wordt gevuld met de preek. Een preek is een toespraak waarin de predikant een bepaald bijbelgedeelte uitlegt. Hij laat de gemeenteleden zien wat Christus hun in dat bijbelgedeelte te zeggen heeft, en wat dat voor hen betekent.
Ook de preek is een belangrijk onderdeel van de kerkdienst. Uit de bijbel weten we dat God de prediking gebruikt om mensen tot geloof te brengen (Romeinen 10:17). In het bijbelboek Handelingen lezen we bijvoorbeeld vaak over mensen die na het horen van een uitleg over wat er in de bijbel staat tot geloof in God komen (Handelingen 8:26-40).
Maar God gebruikt de prediking niet alleen om mensen tot geloof te brengen, maar ook om het geloof van zijn kinderen sterker te maken. Gemeenteleden kunnen niet zonder de wekelijkse preken. Ze hebben het nodig om steeds weer te horen over alles wat God gedaan en beloofd heeft.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Romeinen 10:17, Handelingen 8: 26-40

Doop

Soms vindt er tijdens een kerkdienst een doopsbediening plaats (Marcus 16:16). Aan iemand die tot geloof in Jezus Christus is gekomen en gedoopt wil worden, worden een aantal vragen gesteld. De predikant vraagt hem (of haar) of hij in God gelooft, of hij alles gelooft wat er in de bijbel staat, en of hij wil leven als een kind van God. Wanneer degene die tot geloof is gekomen deze vragen met ‘ja’ beantwoordt, wordt hij gedoopt: een teken dat zijn zonden afgewassen zijn en dat de Heilige Geest in hem wil wonen (Handelingen 22:16).
In het geval dat er een kind gedoopt wordt vraagt de predikant aan de ouders of zij alles geloven wat er in de bijbel staat, en of zij hun kind christelijk zullen opvoeden. Wanneer de ouders hierop ‘ja’ zeggen, wordt hun kind gedoopt. God belooft door middel van de doop aan het kind dat het bij Hem mag horen (Handelingen 2:39).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Marcus 16:16, Handelingen 22:16, Handelingen 2:39

Avondmaal

Een aantal maal per jaar wordt tijdens de kerkdienst het avondmaal gevierd. De gemeente denkt dan terug aan het lijden en sterven van Jezus Christus (1 Korintiers 11:23-26). De predikant legt eerst uit waarom Jezus het avondmaal heeft ingesteld en wat de betekenis ervan is. Daarna danken de mensen God, omdat Hij hen heeft gered van de dood, door zijn Zoon in hun plaats te straffen. Vervolgens wordt het avondmaal gevierd.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Korintiers 11:23-26

De collecte

In de meeste reformatorische kerken vindt tijdens de kerkdienst een collecte plaats. De gemeenteleden weten dat ze alles wat ze hebben, aan God te danken hebben. Ook hun inkomsten. Daarom offeren ze een gedeelte van wat ze hebben weer aan God. Om te laten zien dat ze Hem dankbaar zijn voor zijn gaven (Exodus 23:15).
De opbrengst van de collecte wordt de ene keer besteed aan kerkleden die het op financieel gebied moeilijk hebben. De andere keer bijvoorbeeld aan een bepaalde instantie die mensen helpt, of aan de zending

.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 23:15

De zegen

Aan het eind van de kerkdienst mag de predikant namens God de zegen aan de mensen geven. Hij heft zijn handen op, en legt ze als het ware op de hoofden van de gemeente- leden. En hij zegt:

‘De genade van de Heer Jezus Christus,

de liefde van God

en de eenheid met de Heilige Geest zij met u allen.’
(2 Korintiers 13:13)

Zo verzekert God zijn kinderen: Ik wil uw God zijn, en u mag mijn volk zijn. Ik blijf bij u met mijn liefde. (Net als bij de groet kan ook bij de zegen een andere bijbeltekst gebruikt worden). (Numeri 6:24-26)

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Korintiers 13:13, Numeri 6:24-26

Vragen

  1. De kerkdienst is in zekere zin een gesprek tussen God en de gemeente.
    1. In welke onderdelen van de kerkdienst is God aan het woord?
    2. In welke onderdelen is de gemeente aan het woord?
  2. Vaak wordt de preek beschouwd als het belangrijkste onderdeel van de kerkdienst.
    Is dat terecht? Motiveer je antwoord.