Bijbelcursus Les 17

Deel 17A: Het evangelie van Johannes

In het vorige deel hebben we de eerste drie evangeliën behandeld. Dit deel is in zijn geheel aan het evangelie van Johannes gewijd. Dit evangelie heeft een heel eigen karakter. Het is anders opgezet dan de andere drie evangeliën en ook de inhoud is anders. Johannes beschrijft bijvoorbeeld veel toespraken en gesprekken van Jezus die niet in de andere evangeliën staan.

  • De schrijver Johannes

Johannes is een van de leerlingen van Jezus. Voordat hij Jezus’ leerling werd, werkte hij samen met zijn broer Jakobus in het vissersbedrijf van hun vader Zebedeüs. Toen Jezus Johannes en Jakobus uitnodigde om Hem te volgen, verlieten ze het bedrijf om ‘vissers van mensen’ te worden (Marcus 1:19-20). Johannes noemt in zijn evangelie zijn eigen naam niet. Wanneer hij het over zichzelf heeft, schrijft hij: ‘de leerling van wie Jezus veel hield’ (Johannes 13:23, 21:20). Johannes is ook de schrijver van de gelijknamige brieven en van het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes.

  • Voor wie Johannes zijn evangelie schrijft

Johannes schrijft zijn evangelie voor christenen die van niet-Joodse afkomst zijn. Hij wil deze mensen versterken in hun geloof. Ze leven namelijk in een omgeving waarin allerlei onjuistheden over Jezus verteld worden. Sommige mensen zeggen dat Jezus niet echt God zou zijn. Andere mensen zeggen juist dat Jezus wel God is, maar niet echt mens. Johannes wil de christenen wapenen tegen deze dwaalleer.

  • Het doel van Johannes’ evangelie

Johannes wil zijn lezers op het hart drukken dat Jezus werkelijk de Christus is, de Zoon van God.

‘Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God , en opdat u door te geloven leeft door zijn naam’.
(Johannes 20:30 en 31)

  • Kenmerkend voor Johannes’ evangelie
    Wanneer we het evangelie van Johannes lezen, valt daarin een aantal dingen op:

    • De bijzondere inleiding,
    • De inhoud, die op veel punten verschilt van de inhoud van de andere evangeliën,
    • De vele tegenstellingen,
    • De beelden die Jezus voor zichzelf gebruikt.

We gaan deze dingen een voor een langs.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Marcus 1:19-20, Johannes 13:23, Johannes 21:20, Johannes 20:30-31

De inleiding

Johannes begint zijn boek anders dan de andere evangelieschrijvers. Matteüs en Lucas beginnen hun evangelie met een beschrijving van Jezus’ geboorte, maar Johannes zet zijn evangelie in bij de schepping:

‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is er door ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.’
(Johannes 1:1-3)

Het begin van Johannes’ evangelie doet sterk denken aan het begin van het boek Genesis. In Genesis lezen we dat God ‘in het begin’ de hemel en de aarde gemaakt heeft. Hij schiep de hemel en de aarde door te spreken. Toen God zei: ‘Er moet licht zijn’, ontstond het licht (Psalm 33:9). Alles wat er bestaat, is ontstaan door Gods woord.
Johannes grijpt op Genesis terug. Hij maakt ons duidelijk dat Gods Zoon – die hij hier het Woord noemt – aanwezig was bij de schepping. Gods Zoon was al in het begin bij God, en Hij was God. En Hij had een belangrijke taak bij de schepping. Hij was er helemaal bij betrokken. Zelfs zozeer dat Johannes kan zeggen: alles wat er bestaat, is geworden door het Woord, door het spreken van Gods Zoon (Psalm 33:6).

Al in het begin van zijn evangelie zegt Johannes dus waar het op staat: Jezus Christus is niet zomaar een mens. Hij is God. Hij was er al voordat de tijd bestond. Alles wat er bestaat, bestaat dankzij Hem. En alleen bij Hem is het leven te vinden. Wie in Hem gelooft, mag weten dat hij werkelijk een kind van God is:

‘Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden’.
(Johannes 1:12)

Johannes zegt in zijn inleiding ook:

‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond …
‘(Johannes 1:14)

Daarmee geeft Johannes aan dat Gods Zoon echt mens geworden is. Hij had geen schijnlichaam zoals in Johannes’ dagen wel beweerd wordt, maar Hij is echt ‘vlees’ geworden. Dat wil zeggen dat Hij net zo echt mens werd als andere mensen. Jezus werd ook moe, kende verdriet en pijn en was sterfelijk. Hij was een echt mens. En Hij, de Zoon van God, woonde onder ons.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 1:1-3, Psalm 33:9, Psalm 33:6, Johannes 1:12, Johannes 1:14

De inhoud

Het begin van Johannes’ evangelie verschilt nogal van het begin van de andere drie evangeliën. Dat geldt ook voor de inhoud. Veel van de gebeurtenissen die Matteüs, Marcus en Lucas vermelden, laat Johannes weg. Hij beschrijft voornamelijk gebeurtenissen, gesprekken en toespraken die we in de andere evangeliën niet vinden. Blijkbaar wilde hij met zijn boek een aanvulling geven op de andere drie.

De eerste drie evangeliën vertellen vooral over Jezus’ optreden in Galilea, het noorden van Israël (Zie kaart 8 in Wegwijzer). Johannes vertelt ons juist veel over Jezus’ werk in het zuiden van Israël, in Jeruzalem en omgeving. Johannes vertelt ons ook over een gebeurtenis die zich afspeelt in Samaria, een streek tussen Judea en Galilea in. De Samaritanen – die geen echte Joden waren, maar een vermenging van Joden en mensen uit andere volken – waren niet erg geliefd bij de Joden. Een Jood hoorde niet met Samaritanen om te gaan. Maar Jezus stoort zich niet aan die regel (Johannes 4:1-42). Als Hij in Samaria is en dorst krijgt, vraagt Hij een Samaritaanse vrouw om water. De vrouw reageert verbaasd omdat een Joodse man aan haar, een Samaritaanse vrouw, om water vraagt. En dan vertelt Jezus haar over het ‘levende water’ dat Hij de mensen te drinken geeft. Als iemand van dát water drinkt, zal hij nooit meer dorst krijgen.

Johannes vertelt ons ook veel over de laatste gesprekken die Jezus met zijn leerlingen heeft gevoerd (Johannes 14-16). Jezus vertelde zijn leerlingen hoe ze als volgelingen van Hem met elkaar om moesten gaan. Hij vertelde hun dat ze alleen via Hem bij God konden komen. Hij vertelde hun over de Heilige Geest die zou komen wanneer Hij weer naar zijn Vader terug ging. En Hij bad voor hen tot zijn Vader.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 4: 1-42, Johannes 14-16

Tegenstellingen

Het evangelie van Johannes is een evangelie waarin veel tegenstellingen voorkomen. Jezus maakt op allerlei manieren duidelijk hoe belangrijk het is om in Hem te geloven. Wie in Hem gelooft, leeft niet meer in de duisternis, maar in het licht. Hij zal niet sterven, maar mag eeuwig leven (Johannes 12:25). Hij is niet blind, maar hij kan zien (Johannes 9:39-41).

Andere tegenstellingen die Jezus in dit verband gebruikt, zijn:

  • aards en hemels (Johannes 3:12)
  • voedsel dat vergaat en voedsel dat blijvend is (Johannes 6:27)
  • gewoon water waarvan je weer dorst krijgt en levend water dat Jezus geeft (Johannes 4: 13-14)
  • leugen en waarheid (Johannes 8:44)
  • veroordelen en redden (Johannes 12:47).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 12:25, Johannes 9:39-41, Johannes 3:12, Johannes 6:27, Johannes 4:13-14, Johannes 8:44, Johannes 12:47

Beelden die Jezus voor zichzelf gebruikt

Johannes laat in zijn evangelie zien hoe Jezus, ondanks de vijandschap die er tegen Hem bestaat, niet ophoudt uit te leggen welke betekenis Hij heeft voor het leven van zijn volgelingen. Hij doet dat vaak door allerlei beelden voor zichzelf te gebruiken. We zullen daarvan een aantal voorbeelden geven.

  • Ik ben het brood van het leven (Johannes 6:22-59)

Mensen hebben brood nodig om te kunnen leven. Daarom zorgde God ervoor dat het volk Israël tijdens de reis naar het land Kanaän te eten kreeg (Zie deel 10B). Hij liet iedere nacht korrels uit de hemel regenen waarvan de Israëlieten brood konden bakken. Deze korrels, ook wel ‘manna’ genoemd, zorgden ervoor dat de Israëlieten de reis door de woestijn konden overleven. Jezus vergelijkt zichzelf met het manna. Ook Hij is ‘brood uit de hemel’. Zoals God met het manna de Israëlieten van de dood heeft gered, heeft Hij nu zijn Zoon naar de aarde laten gaan om de mensen van de eeuwige dood te redden. Het manna hield het aardse leven in stand, maar Jezus geeft hemels leven dat blijft tot in eeuwigheid.

  • Ik ben het licht van de wereld (Johannes 8:12)

Jezus noemt zichzelf het ‘licht van de wereld’. Mensen die zonder Hem leven, leven in de duisternis. Maar wie Jezus volgt, hoeft niet langer in het donker rond te lopen. Hij bezit het licht van een nieuw leven dat niet vergaat.

 

 

Filmpje: Light of the world

 

  • Ik ben de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14:6)

Er is maar één manier om bij God te komen. En dat is via Jezus. Jezus is ‘de weg, de waarheid en het leven’. Wie Jezus kent, kent de waarheid. En wie in Jezus gelooft, mag bij God komen en krijgt het eeuwige leven.

Andere beelden die Jezus voor zichzelf gebruikt, zijn:

  • Ik ben de goede herder (Johannes 10:11-16)

Ik ben de deur van de schapen ( Johannes 10:7-9)

  • Ik ben de opstanding en het leven (Johannes 11: 25-26)
  • Ik ben de ware wijnstok (Johannes 15:1-8).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 6:22-59, Johannes 8:12, Johannes 14:6, Johannes 10:11-16, Johannes 10:7-9, Johannes 11:25-26, Johannes 15:1-8

Een complete geschiedenis

Het evangelie van Johannes is een waardevolle aanvulling op de andere drie. Johannes neemt in zijn evangelie gesprekken en uitspraken van Jezus op, waarin de betekenis van Jezus nog duidelijker wordt uitgelegd. Met het lezen van één evangelie krijgen we een goed beeld van Jezus’ geschiedenis op aarde. Wanneer we ze alle vier gelezen hebben, is het beeld compleet.

 

Vragen

  1. Welke belangrijke informatie geeft Johannes al meteen aan het begin van zijn evangelie? Zie Johannes 1:1-18.
  2. Beeldspraak
    1. Wat is het doel van de tegenstellingen die Jezus gebruikt?
    2. Wat wil Jezus laten zien met de beelden die Hij voor zichzelf gebruikt?
  3. Waarom is het beter alle vier evangeliën te lezen dan één?

 


Deel 17B: Jezus’ boodschap: het koninkrijk van God

Jezus trekt het gebied Galilea rond met een belangrijke boodschap. Hij vertelt aan alle mensen dat Gods koninkrijk dichtbij is. In korte tijd wordt Hij een bekendheid. Naast zijn twaalf leerlingen reizen er ook veel andere mensen met Hem mee: ze willen niets van zijn woorden missen. In dit deel besteden we aandacht aan het onderwijs dat Jezus geeft.

 

De Bergrede

Op een dag houdt Jezus voor zijn leerlingen en voor andere mensen die willen luisteren, een lange toespraak over het koninkrijk van God (Matteüs 5-7). Hij legt uit welke mensen erbij horen, en wat de grondwet van het rijk is. Met behulp van allerlei voorbeelden maakt Hij duidelijk hoe de burgers van het rijk van God zich wel en niet moeten gedragen. Ook vertelt Hij op wat voor manier de mensen mogen spreken met God. Deze toespraak wordt ‘de Bergrede’ genoemd. Dit omdat Jezus zijn redevoering op een berg gehouden heeft. Een aantal onderdelen uit de Bergrede bekijken we hier nader.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteüs 5-7

De burgers van Gods koninkrijk

In het begin van de Bergrede vertelt Jezus hoe het koninkrijk van God of ‘het hemelrijk’ eruit zal zien. En Hij vertelt ook voor wie het is – wie de burgers van dit rijk mogen zijn.

Lezen: Matteus 5:1-12

5:3 koninkrijk van de hemel: het koninkrijk van God.

Elk vers uit dit gedeelte bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel begint telkens met het woord ‘zalig’. In dat onderdeel wordt verteld welke mensen in Gods rijk thuis horen. In het tweede onderdeel wordt iets verteld over het koninkrijk zelf.
Wanneer je alle kenmerken van het koninkrijk achter elkaar zet, zie je hoeveel geluk de burgers ervan te wachten staat:

  • God zelf zal hen troosten (Matteus 5:4-9). Ook het ergste verdriet zal voorbij zijn.
  • God zal hun de aarde geven als erfenis.
  • God zal ervoor zorgen dat de mensen ‘verzadigd worden van gerechtigheid’.
  • God zal hun genade bewijzen.
  • Ze zullen God mogen zien – iets wat nu nog onmogelijk is.
  • God zal hen als zijn kinderen beschouwen en zal hun vader zijn.

Maar wie mogen er bij dit rijk horen? Dat staat in het eerste onderdeel van ieder vers. Jezus zegt tegen de mensen die zitten te luisteren hoe hun leven eruit moet zien als ze bij het rijk van God willen horen:

  • Ze moeten ‘arm zijn van geest’ (Matteus 5: 3-9). Dat betekent: ze moeten zich tegenover God gedragen als een bedelaar. Zoals een bedelaar voor zijn lichamelijk levensonderhoud op anderen is aangewezen, moeten zij tonen dat ze in geestelijk opzicht helemaal op God zijn aangewezen. Aan Hem moeten ze vragen om genade, geloof en vergeving.
  • Ze moeten treuren: bedroefd zijn over de zonde in de wereld, over de macht van de satan.
  • Ze moeten zachtmoedig zijn: niet met geweld voor hun eigen rechten vechten, maar vriendelijk zijn tegenover andere mensen.
  • Ze moeten ‘honger en dorst hebben naar gerechtigheid’. Dat wil zeggen: ze moeten inzien dat ze zelf niet rechtvaardig zijn, en – als een bedelaar – God vragen hen te ‘verzadigen van gerechtheid’: hen andere, rechtvaardige mensen te maken.
  • Ze moeten barmhartig zijn: andere mensen die het moeilijk hebben, helpen.
  • Ze moeten ‘rein van hart’ zijn: er mogen in hun hart geen onzuivere gedachten en bedoelingen leven.
  • Ze moeten vredestichters zijn: ze moeten niet uit zijn op strijd, maar zelfs tegenover vijanden vredelievend zijn.

Jezus waarschuwt de mensen dat het niet altijd makkelijk zal zijn om een burger van Gods rijk te zijn: ze lopen grote kans om uitgescholden, vervolgd en belasterd te worden. Maar zelfs als dat gebeurt, hebben ze reden om blij te zijn. Het is namelijk een duidelijk bewijs dat ze bij Jezus Christus horen. En hun beloning ligt al klaar bij God.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 5:1-12, Matteus 5: 4-9, Matteus 5:3-9

Filmpje: De zaligsprekingen

 

De wet van Gods koninkrijk

In de Bergrede maakt Jezus ook duidelijk wat de grondwet is van Gods koninkrijk (Matteus 5:17-48). Jezus schrijft geen nieuwe wetten uit. De wet die God aan Israël heeft gegeven, geldt ook in het rijk van God. Maar Hij laat de mensen wel zien dat ze op een heel andere manier met Gods geboden moeten omgaan dan ze gewend zijn. God is er niet tevreden mee als mensen zich uiterlijk aan zijn geboden houden. Mensen kunnen zich schijnbaar precies aan de wet houden en toch lijnrecht tegen Gods bedoelingen ingaan.
Jezus maakt dat duidelijk aan de hand van een aantal voorbeelden (Matteus 5:27-28). Iemand kan zich zijn leven lang houden aan het gebod ‘Pleeg geen overspel.’ Maar voor God heeft dat geen waarde wanneer hij ondertussen wel naar andere vrouwen kijkt en graag wat met hen zou willen beginnen. Iemand kan denken dat hij zich houdt aan het gebod ‘U zult uw naaste liefhebben.’ (Matteus 5:43-48), maar wanneer hij onder ‘naasten’ alleen zijn volksgenoten verstaat, heeft dat voor God geen waarde. God wil dat de onderdanen van zijn rijk ook hun vijanden liefhebben en bidden voor degenen die hen vervolgen. Ze moeten laten zien dat ze kinderen zijn van God, die voor goede én slechte mensen zorgt.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 5:17-48, Matteus 5:27-28, Matteus 5: 43-48, Matteus 6: 25-34

Gods koninkrijk moet boven alles gaan

Jezus houdt de mensen voor dat ze niet gericht moeten zijn op het zorgen voor eten, drinken en kleding. Mensen die bij God horen, hoeven zich niet druk te maken over zulke zaken. God, die de vogels te eten geeft en de veldbloemen zo prachtig kleedt, zal er ook voor zorgen dat zijn kinderen voedsel en kleding krijgen. Mensen die bij God willen horen, moeten gericht zijn op dat wat werkelijk van belang is: op Gods koninkrijk. Gods koninkrijk moet het eerste voor hen zijn.

 

Filmpje: God-o-nomics

Een belangrijke keus

Lezen: Matteus 7:24-29

Aan het einde van zijn toespraak stelt Jezus zijn toehoorders voor een belangrijke keus. Doen wat Jezus heeft gezegd – of niet. Hun hele leven hangt af van de keus die ze maken ten aanzien van Jezus’ woorden. Wie naar Jezus luistert en zijn woorden vervolgens naast zich neerlegt, lijkt op iemand die zo dom is zijn huis op zand te bouwen. Het kan lang goed gaan met een huis zonder goede fundering. Maar op een gegeven moment gaat het mis. Wie aan het werk gaat met Jezus’ woorden, lijkt op iemand die zo verstandig is om zijn huis op een rots te bouwen. Wat voor ramp er ook gebeurt – het huis heeft een goede fundering, en het blijft staan.

De mensen die naar Jezus hebben geluisterd, staan versteld over wat Hij gezegd heeft. En over de manier waarop Hij het gezegd heeft. Ze zijn gewend aan de schriftgeleerden, die hun gezag ontlenen aan wat schriftgeleerden vóór hen hebben gezegd. Maar Jezus hoeft zich niet op anderen te beroepen. Hij heeft gezag van zichzelf.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 7:24-29

Een te zware last?

Hoe kan een mens burger worden van het koninkrijk waar Jezus het in de Bergrede over heeft? Stelt God zijn eisen niet veel te hoog? Is het wel reëel om van mensen te verwachten dat ze hun vijanden liefhebben, dat ze hun eigen man of vrouw zelfs tot in hun gedachten toe altijd trouw blijven, dat ze ‘rein van hart’, ‘arm van geest’ en zachtmoedig zijn? God weet toch dat alle mensen zijn aangetast door de zonde? Het lijkt erop dat Jezus de mensen hier een veel te zware last oplegt (Matteus 11:28-30). Maar zo is het niet. Wie naar Jezus toekomt, krijgt inderdaad een last te dragen – maar het zal aanvoelen alsof hij van een zware last bevrijd is. Hoe kan dat? Een gedeelte uit een gelijkenis die Jezus vlak voor zijn sterven aan zijn leerlingen heeft verteld, maakt het wat meer begrijpelijk.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 11:28-30

De wijnstok en de ranken

Lezen: Johannes 15:1-8

15:1 ware wijnstok: wijnstok die aan de verwachtingen voldoet.

15:3 jullie zijn rein: jullie gelden voor God als mensen die zonder zonde zijn.

Jezus gebruikt een beeld dat de Israëlieten erg vertrouwd is: het beeld van een wijnstok. Jezus vergelijkt zichzelf met de stam van de wijnstok en zijn volgelingen met de ranken – de zijtakken, waaraan de druiventrossen groeien. ‘Een rank kan niet op zichzelf bestaan’, zegt Jezus. Dat spreekt vanzelf. Om te kunnen leven en vrucht te kunnen dragen moet een rank met de stam verbonden zijn. Een rank die van de stam is afgesneden, blijft niet doorleven alsof er niets gebeurd is. Hij krijgt geen voedsel meer en sterft af.
Jezus legt uit: ‘Precies zo is het met jullie. Wanneer jullie los van Mij gaan leven, kunnen jullie geen vruchten voortbrengen.’ Dat wil zeggen: wanneer mensen zonder Jezus leven, kunnen ze onmogelijk zo leven als Jezus dat bedoeld heeft. Ze kunnen niet de dingen doen die God van ze vraagt. Ze kunnen niet leven als burgers van Gods koninkrijk. Jezus belooft zijn volgelingen: ‘Wanneer jullie leven in verbondenheid met Mij, zullen jullie wél vrucht dragen.’ Mensen die bij Jezus horen, kunnen dingen waartoe ze uit zichzelf niet in staat zouden zijn. Jezus zelf geeft hun daarvoor de kracht.
Gods koninkrijk is niet voor mensen die denken dat ze perfect zijn. Het is voor mensen die weten dat ze absoluut niet in staat zijn om zich aan Gods wet te houden en die hun toevlucht helemaal bij Jezus zoeken (Johannes 15:3). Die mensen zullen ervaren dat de last die Hij hun oplegt licht is. Jezus is in hen, en zij zijn in Jezus: er is tussen Jezus en hen een zeer sterke band. Jezus geeft hun de kracht om te vechten tegen slechte gewoonten en verkeerde verlangens. Hij helpt hen om anders te worden, om een begin te maken met het leven zoals God dat bedoeld heeft.
Het leek onmogelijk om een burger van Gods koninkrijk te worden. Maar Jezus zelf maakt het onmogelijke mogelijk.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 15 : 1-8, Johannes 15:3

Loon in Gods koninkrijk

Geen mens kan uit zichzelf bij Gods koninkrijk horen (Matteus 19:16 – 20:16). Geen mens kan zelf het eeuwige leven – dat met Gods koninkrijk verbonden is – verdienen (Matteus 19:25-26). Het is alleen aan Gods goedheid te danken als mensen bij zijn koninkrijk mogen gaan horen. Dat Jezus’ leerlingen alles in de steek lieten om Jezus te kunnen volgen, ligt dus niet aan henzelf. Ze hebben het aan God te danken. God heeft het in hen bewerkt. Het wonderlijke is dat God hen desondanks toch wil belonen voor wat ze gedaan hebben. Jezus belooft zijn volgelingen: ‘Iedereen die zijn huis, zijn familie of zijn bezit heeft prijsgegeven om Mij, zal honderdmaal zoveel terugkrijgen. En hij zal het eeuwige leven ontvangen.’ Jezus’ volgelingen zullen dus een enorm groot loon krijgen; een loon dat niet in verhouding staat tot dat wat ze gedaan hebben. Jezus’ leerlingen weten dat ze het aan God te danken hebben dat ze Jezus zijn gevolgd. Maar ze dreigen dat toch te vergeten. Ze lopen het gevaar het als hun eigen verdienste te gaan zien, en trots te worden op dat wat ze allemaal voor Jezus over hebben gehad. Jezus waarschuwt hen: wanneer ze zelfvoldaan worden, zouden ze wel eens achteraan kunnen komen te staan in het koninkrijk van God. Door middel van een gelijkenis licht Jezus deze waarschuwing toe.

Lezen: Matteus 20:1-16

20:2 denarie: een normaal dagloon.

Een man die een wijngaard bezit, gaat ‘s morgens naar de markt om dagloners in te huren. Hij komt met hen overeen dat hij hen als loon een schelling zal geven. In de loop van de dag gaat hij nog een paar maal naar de markt om mensen in te huren. Ook nog om vijf uur ‘s middags: één uur voor de arbeiders vanwege het invallen van het donker moeten stoppen met werken. Wanneer het werk gedaan is, betaalt de eigenaar de arbeiders hun loon uit. Zowel de mensen die maar één uur hebben gewerkt, als de mensen die van ‘s ochtends vroeg af bezig zijn geweest, krijgen allemaal een schelling. De mensen die de hele dag gewerkt hebben, protesteren tegen deze gang van zaken. Maar de werkgever antwoordt: ‘Vriend, ik doe je toch niet tekort? Ik heb je toch gegeven wat ik beloofd heb? Mag ik anderen niet hetzelfde geven? Het is toch mijn geld?’
Het protest van de arbeiders is goed voorstelbaar in een maatschappij waar mensen beloond worden naar het aantal uren dat ze gewerkt hebben. Maar het gaat er in deze gelijkenis over hoe het in het koninkrijk van God toegaat. Daar gelden andere maatstaven. Jezus legt zijn leerlingen door middel van deze gelijkenis uit: God beloont mensen niet op uurbasis. God handelt niet onrechtvaardig als Hij iedereen evenveel geeft: de mensen die hun leven lang christen zijn geweest, en de mensen die pas op het laatste moment voor Jezus hebben gekozen. Want God beloont mensen niet omdat ze zulke geweldige prestaties hebben geleverd. Hij beloont ze enkel en alleen uit goedheid.

Wanneer komt het koninkrijk van God?

Jezus kondigde aan dat het koninkrijk van God dichtbij gekomen was. Is het koninkrijk er in onze tijd al? Aan de ene kant kun je zeggen dat het er inderdaad is gekomen (Matteus 28:18). Jezus heeft het in bezit gekregen door het offer dat Hij gebracht heeft: zijn eigen leven. Overal waar mensen in onze tijd God als hun koning beschouwen en leven als burgers van zijn rijk, is er al iets van het koninkrijk te zien (Openbaring 12:10).
Maar aan de andere kant is het duidelijk dat Gods koninkrijk nog niet overal heerst. Pas wanneer God het de tijd vindt, zal het koninkrijk in volle glorie komen (Openbaring 21:1-8). God zal dan bij de mensen komen wonen en de aarde zal één groot paradijs worden. De satan zal er niet meer zijn. En alle mensen zullen leven volgens de regels van Gods koninkrijk.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 19:16 – 20:16, Matteus 19:25,26, Matteus 19: 27-30, Matteus 28:18, Openbaring 12:10, Openbaring 21:1-8

Vragen

  1. In de Bergrede heeft Jezus het op een gegeven moment over drie zaken die horen bij het leven van een gelovige. Zie Matteus 6:1-18.
    6:1 gerechtigheid: hier: goede daden, daden die vanzelfsprekend meekomen met het geloof in God.
    6:2 aalmoes: gift aan een arme.
    6:9 heiligen: eren.
    6:13 breng ons niet beproeving : bewaar ons ervoor dat we gaan zondigen.
    6:16 vasten: een manier om zich aan God te wijden. Het vasten was teken van berouw, van inkeer; vasten ging samen met het bidden.

    1. Over welke drie zaken gaat het?
    2. Wat verbiedt Jezus zijn volgelingen ten aanzien van deze zaken? Geef bij ieder onderdeel ook aan waarom.
    3. Hoe moeten Jezus’ volgelingen zich dan wél gedragen?
    4. Waarom? Wat is de algemene regel die Jezus zijn volgelingen daarmee wil leren? In welk vers vind je deze algemene regel?
  2. Met welke uitspraak hieronder ben je het eens? Waarom? Vergelijk ook wat er staat in Marcus 10:13-16.
    1. Wie bij Gods koninkrijk wil horen, moet daar zijn uiterste best voor doen.
    2. Wie bij Gods koninkrijk wil horen, hoeft daar niets voor te doen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 6:1-18, Marcus 10:13-16

 

Deel 17C: Wat God belooft

In de vorige delen ging het over het negende artikel van de apostolische geloofsbelijdenis: het artikel over de kerk. In dit deel zijn we toegekomen aan de laatste drie artikelen van de geloofsbelijdenis: ‘Ik geloof… de vergeving van de zonden, de opstanding van het lichaam en een eeuwig leven.’

God belooft geweldige dingen

Wanneer je gelooft, staat God in het middelpunt van je leven. En dat betekent dat je in veel gevallen niet meer zelf kunt bepalen wat je doet en laat. Dat kan moeilijk zijn. Geloven in God kan heel wat kosten. Maar je krijgt er vele malen meer voor terug. Wat? Dat is te lezen in de laatste drie artikelen van de apostolische geloofsbelijdenis. God belooft iedereen die in Hem gelooft:

  • vergeving van zonden,
  • opstanding uit de dood,
  • een eeuwig leven bij Hem.

Vergeving van de zonden

Het eerste wat God de mensen die in Hem geloven belooft, is dat Hij hun hun zonden vergeeft. Aan dat onderwerp hebben we in deze cursus al vaak aandacht besteed. Dat kan ook niet anders. De vergeving van de zonden is voor ieder mens van levensbelang. Als God ons zou geven wat we verdienen, zou ons de eeuwige dood te wachten staan. Ook de aller-vroomste mensen zouden geen schijn van kans maken om in de hemel te komen. Want er is niemand die geen zonde doet (Psalm 53:4). Ook al lijkt iemand het er aan de buitenkant nog zo goed van af te brengen – voor God is het niet goed genoeg. In de bijbel staat:

‘Alles wat niet uit geloof voortkomt is zondig.’
(Romeinen 14:23)

Niet alleen dingen als stelen, vloeken, liegen en moorden zijn zonde. God beschouwt alles wat we niet uit geloof, uit liefde tot Hem doen als zonde. Als we op die manier naar onze daden, woorden en gedachten kijken, blijft er maar weinig goeds over.

Gelukkig wil God ons niet beoordelen op onze onvolmaaktheid en onze zonden. Wanneer we in Jezus Christus geloven, kijkt God niet meer naar onze slechte gedachten, woorden en daden ( 2 Korintiers 5: 19 en 21). Hij kijkt dan naar het werk van zijn Zoon. Om zijn werk wil God ons onze zonden vergeven en ons als rechtvaardige mensen beschouwen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 53:4, Romeinen 14:23, 2 Korintiers 5:19 en 21

Opstanding van het lichaam en eeuwig leven

God belooft wie in Hem gelooft, niet alleen de vergeving van zijn zonden. Hij belooft hem ook ‘opstanding van het lichaam en een eeuwig leven.’ (zie les 8C). God belooft dus dat wie in Hem gelooft, eens zal opstaan uit het graf. Daarnaast belooft Hij dat iedereen die bij Hem hoort eeuwig bij Hem zal mogen leven. Omdat deze twee dingen nauw met elkaar samenhangen, behandelen we ze hier samen.

De dood hoort er niet bij

In de bijbel wordt veel gesproken over de dood. Opvallend is dat de bijbel niet zegt: de dood is niet erg, want wie gelooft gaat toch naar de hemel. De dood is iets vreselijks, en dat wordt in de bijbel ook duidelijk gezegd. De bijbel noemt de dood een vijand (1 Korintiers 15:26). De dood hoort niet in de schepping thuis.
Dat wordt niet door alle mensen erkend. Er zijn tegenwoordig mensen die zeggen: ‘De dood hoort bij het leven, net zoals de nacht bij de dag hoort. De dood is een onderdeel van Gods schepping. Een mens moet op een gegeven moment plaats kunnen maken voor andere mensen.’ De bijbel spreekt echter anders over de dood. De dood hoort niet bij het leven. De dood is een bederver van Gods goede schepping. De dood is iets waar God Adam voor gewaarschuwd heeft (Genesis 2:17). Toen Adam en Eva tegen Gods gebod ingingen, moest God de dood als een straf invoeren (Romeinen 5:12). Maar de dood hoorde er zeker niet vanaf het begin bij.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Korintiers 15:26, Genesis 2:17, Romeinen 5:12

De dood heeft niet het laatste woord

De bijbel is er dus duidelijk in dat de dood een vijand is. Maar aan de andere kant laat de bijbel ook zien dat de dood niet het laatste woord heeft. God belooft de gelovigen:

  • na hun dood zullen ze bij Jezus Christus in de hemel verder mogen leven (Filippenzen 1:23).
  • eens zal de dood definitief overwonnen worden: de gelovigen zullen dan opstaan uit het graf en voor altijd met God op de aarde mogen leven (1 Korintiers 15:12-28).

De dood betekent dus niet het definitieve einde. Door Gods goedheid kan de dood zelfs de doorgang zijn naar een prachtig leven (Openbaring 21:3-4). Paulus kan in een van zijn brieven vol verlangen spreken over het leven na de dood (Filippenzen 1:21). Het sterven noemt hij winst, vergeleken bij het leven op aarde. Hij zou niet weten wat hij zou moeten kiezen: nog blijven leven of al sterven.

‘Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven.’
(Filippenzen 1:23-24)

Voor zichzelf zou Paulus dus het liefst al sterven. Want bij Jezus Christus zijn is het beste wat een mens kan overkomen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Filippenzen 1:23, 1 Korintiers 15:12-28, Openbaring 21:3-4, Filippenzen 1:21, Filippenzen 1:23-24

Filmpje: Een nieuwe hemel en aarde

Het leven gaat door

De dood blijft iets vreselijks. Ook voor christenen. Ook zij zijn heel verdrietig wanneer iemand van wie ze hielden, gestorven is. Maar toch zijn ze niet alleen verdrietig (1 Tessalonicenzen 4: 13-14). Want ze hebben houvast aan de zekerheid dat Jezus Christus iemand die bij Hem hoort, niet loslaat. Ook niet in de dood. Ze weten dat de dood niet het einde is voor de man of vrouw die gestorven is. Want Jezus heeft gezegd:

‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook wanneer hij sterft’
(Johannes 11:25)

Zo voor het oog lijkt alles daartegen te pleiten. Degene die gestorven is, wordt net als iedere andere dode begraven. Zijn lichaam zal na verloop van tijd vergaan zijn, net als de lichamen van alle andere mensen die gestorven zijn. Maar toch weten christenen zeker: hij is niet echt dood. Hij leeft. Hij is bij God.

Hoe is het mogelijk dat iemand gestorven is en tegelijkertijd verder leeft? Dat kan omdat een mens niet alleen een lichaam, maar ook een ziel of een geest heeft.

Wat is een ziel? Je zou kunnen zeggen: een ziel is de ‘ik’ van een mens. De ziel is datgene wat een mens tot een bepaald persoon maakt. De ziel – dat is de mens zélf. De mens zoals hij is.
Tijdens het leven kunnen het lichaam en de ziel niet van elkaar gescheiden worden. Maar wanneer iemand sterft, gebeurt dat wel (Prediker 12:7). Het lichaam wordt in het graf gelegd, en de ziel gaat naar God. Op een voor ons onbegrijpelijke manier blijft een mens dus verder leven, terwijl zijn lichaam dood is.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Tessalonicenzen 4:13-14, Johannes 11:25, Prediker 12:7

Een paradijs

Wat er precies gebeurt wanneer iemand sterft, weten we niet. Maar wat we wel weten is dat het leven na de dood voor de gelovigen een zeer gelukkig leven is (Lucas 23: 33-43). Toen Jezus aan het kruis hing, hingen er links en rechts van hem ook twee andere mannen aan een kruis. Het waren zware misdadigers, die van de Romeinen de doodstraf hadden gekregen. Een van deze twee mannen geloofde dat Jezus de Christus was – ook al hing Hij machteloos aan een kruis. Hij vroeg aan Hem: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ Jezus beloofde hem: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn’. (Lucas 23:42,43). Jezus noemt het leven na de dood dus een paradijs.

In het boek Openbaring wordt gezegd: ‘Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven’ (Openbaring 14: 13) Dat wil zeggen: iemand die sterft nadat hij zich aan Jezus, de Heer, heeft toevertrouwd, is gelukkig te prijzen. Zo iemand hoef je niet te beklagen omdat hij gestorven is. Hij kon het niet beter hebben.

Eerst naar het vagevuur?

Volgens de traditionele leer van de rooms-katholieke kerk gaat een gelovige na zijn sterven niet meteen naar de hemel. Dat is nog niet mogelijk. Een mens kan niet voor God verschijnen terwijl hij, bij wijze van spreken, zijn vuile kleren nog aanheeft. Een gelovige heeft tijdens zijn leven veel zonden gedaan waarvoor hij eerst nog moet boeten. Daarom gaat hij naar het vagevuur (dat wil zeggen: het reinigingsvuur). Dat is een plaats die tussen de hemel en de hel in ligt. In het vagevuur moet hij boeten voor zijn zonden en tekortkomingen die hem nog niet vergeven zijn. Pas wanneer dat gebeurd is, wanneer zijn kleren helemaal schoon zijn, kan hij naar de hemel. Het kan een lange tijd duren voor het zover is. Maar de gelovigen op aarde kunnen ervoor zorgen dat de tijd wordt ingekort door voor hem te bidden en misoffer

voor hem te brengen.

Deze leer komt echter niet uit de bijbel. De bijbel vertelt ons niets over een vagevuur. Uit de bijbel weten we juist dat een gelovige er zeker van mag zijn dat hij meteen na zijn sterven bij Christus in de hemel wordt opgenomen. Er zijn geen zonden en gebreken waarvoor iemand die in Jezus Christus gelooft nog gestraft zou moeten worden (Johannes 5:24).Niet dat iemand die gelooft niet veel zonden heeft gedaan. Maar Christus heeft Gods straf over al die zonden en tekortkomingen gedragen (Hebreeen 10:14). Wij hoeven niets aan Christus’ werk toe te voegen om in de hemel te kunnen komen.
Ook al blijven we slechte dingen denken en doen tot het laatste moment van ons leven – wanneer we in Jezus Christus geloven, hoeven we niet bang te zijn dat we daarvoor nog moeten boeten. Wanneer wij sterven, sterft ook onze zondige aard (1 Johannes 1:7). We mogen de hemel binnengaan met kleren die schoongewassen zijn door het bloed van Jezus Christus en door de Heilige Geest (1 Korintiers 6:11). De misdadiger die aan het kruis hing, kreeg van Jezus niet te horen: ‘Wanneer je voor je zonden geboet hebt, zul je met mij in het paradijs zijn.’ Nee, Jezus beloofde hem dat hij nog diezelfde dag bij Hem in het paradijs mocht zijn (Lucas 23:43).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 23:33-43, Lucas 23: 42-43, Openbaring 14:13, Johannes 5:24, Hebreeen 10:14, 1 Johannes 1:7, 1 Korintiers 6:11, Lucas 23:43

Opstanding van het lichaam

We hebben het tot nu toe gehad over de ziel, die na het sterven naar de hemel gaat.
Maar God vergeet ons lichaam niet. Ons lichaam is voor Hem niet van ondergeschikt belang. Hijzelf heeft het gemaakt en in stand gehouden (Psalm 139: 13-16). En Hij zal er ook voor zorgen dat onze ziel weer met ons lichaam verenigd zal worden ( 1 Korintiers 15:12-49). We zullen, wanneer Jezus terugkomt naar de aarde, net als Hij opstaan uit de dood. Met een echt lichaam ( 1 Johannes 3:2)

Hoe het mogelijk is dat een lichaam dat volkomen vergaan is, weer tot leven zal komen, weten we niet. Maar dat het zal gebeuren, staat vast. Paulus schrijft erover in een van zijn brieven. Hij vergelijkt het lichaam van een gestorven christen met een graankorrel ( 1 Korintiers 15:35-38).
Een graankorrel wordt in de aarde gezaaid. De korrel sterft, maar er komt na verloop van tijd een grote korenaar uit tevoorschijn. Het lijkt ongelofelijk dat er uit zo’n klein korreltje een grote halm en een aar vol nieuwe graankorrels kunnen groeien. Maar toch gebeurt het. Als de Heilige Geest zoiets kan doen met een graankorrel – zou Hij het dan niet ook kunnen met het lichaam van een mens? Eens zal Hij de mensen die bij Jezus Christus horen, een nieuw lichaam geven (1 Korintiers 15: 42-44). Het zal mooier en rijker zijn dan het lichaam dat ze nu hebben. Het zal onvergankelijk zijn: het zal niet meer kunnen worden aangetast door ziekte, handicaps, ouderdom of dood. En het zal een ‘geestelijk’ lichaam zijn: een lichaam dat helemaal beheerst wordt door de Heilige Geest. Er zal geen zonde meer in het lichaam wonen; er zal alleen nog plaats zijn voor de Heilige Geest. Wanneer de mensen zijn opgewekt uit de dood, zullen ze dus niet meer zondigen. Ze zullen eindelijk met lichaam en ziel God kunnen dienen. Op een volmaakte manier.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 139:13-16, 1 Korintiers 15: 12-49, 1 Johannes 3:2, 1 Korintiers 15: 35-38, 1 Korintiers 15:42-44

Eeuwig leven

Wie bij Jezus Christus hoort, krijgt de belofte dat hij het eeuwige leven krijgt. Dat eeuwige leven is geen zaak van de verre toekomst. Het begint niet pas op het moment dat dat iemand sterft. Het begint ook niet pas op het moment dat Jezus zal terugkomen op de aarde. Het eeuwige leven begint hier en nu. Jezus maakte dat duidelijk toen Hij in een gebed tegen zijn Vader zei:

‘Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus’
(Johannes 17:3)

Wie God kent en liefheeft, wie Jezus Christus kent als zijn redder – die heeft het eeuwige leven al. Dat betekent, zoals we al zagen, niet dat hij niet in het graf terecht zal komen. Maar de dood zal hem het leven niet kunnen afnemen (Johannes 11:25-26). Na de dood zal hij verder mogen leven bij God in de hemel. En wanneer Jezus terugkeert naar de aarde, zal hij opstaan uit het graf (Openbaring 21: 3-4). En hij zal samen met alle mensen die bij Jezus Christus horen, op de nieuwe aarde leven. God zal bij de mensen wonen en met hen omgaan zoals Hij in het paradijs met Adam en Eva omging. Er zal niets meer zijn dat tussen God en de mensen instaat. En alle mensen zullen onuitsprekelijk gelukkig zijn. Voor eeuwig. (zie deel 25B)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 17:3, Johannes 11:25-26, Openbaring 21:3,4

Vragen

  1. Mensen die bij God horen, worden heilig genoemd (bijvoorbeeld in Efeziers 1:1 en 4; zie deel 14C).
    Waarom hebben ze dan nog vergeving van hun zonden nodig?
  2. Moet een christen verlangen naar de dood ?
    (Vergelijk Filippenzen 1:23). Waarom (niet)?
  3. Er is niets in het leven dat opweegt tegen de geweldige dingen die God ons belooft.
    Wat vind je van deze stelling?

Tekstverwijzingen en citaten uit: Efeziers 1:1 en 4, Filippenzen 1:23