Bijbelcursus les 20

Deel 20A: De overige brieven van het Nieuwe Testament

In de vorige twee delen hebben we gekeken naar de inhoud van de brieven van Paulus. In dit deel zullen we kort de inhoud van de overige acht brieven van het Nieuwe Testament behandelen. Deze brieven zijn geschreven door verschillende schrijvers.

 

De brief aan de Hebreeën

De brief aan de Hebreeën is waarschijnlijk bedoeld voor christenen van Joodse afkomst. Het is onbekend wie de schrijver van de brief is.
De brief aan de Hebreeën heeft een waarschuwend karakter. De christenen lopen het gevaar hun geloof te verliezen, en ‘afvallig van de levende God’ te worden. (Hebreeën 3:12). De schrijver van de brief doet daarom een dringende oproep aan de Hebreeën om stand te houden in het geloof. Heel de brief staat in het kader van die oproep.
Op allerlei manieren laat de schrijver van de brief zien hoe rijk de gelovigen zijn nu ze Jezus Christus hebben leren kennen. Jezus, die het nieuwe verbond heeft gebracht, overtreft het oude verbond – de tijd van het Oude Testament – in alle opzichten. Jezus is meer dan de engelen, meer dan Mozes en Aäron, meer dan de hogepriesters. De priesters uit de tijd van het Oude Testament konden niet bereiken dat de zonden echt werden vergeven. Jezus heeft dat wel bereikt. Wie in Hem gelooft, mag zonder angst bij God komen. Daarom moeten de christenen hun geloof niet verliezen. Ze moeten een voorbeeld nemen aan de gelovigen in de tijd van het Oude Testament, die zonder Jezus gekend te hebben, toch bleven geloven.

  • Inhoud

Hebreeen 1-2:
Gods Zoon heeft de mensen gereinigd van hun zonden, en heeft plaatsgenomen aan Gods rechterhand. Terwijl Hij tijdens zijn leven op aarde bij de engelen was achtergesteld, heeft God Hem nu met macht en eer gekroond.

Hebreeen 3:1-4:13:
Mozes had een belangrijke taak in de tijd van het Oude Testament: hij moest namens God spreken. En hij moest Gods volk naar het land Kanaän brengen, waar het eindelijk rust zou krijgen. Maar Jezus is groter dan Mozes. Hij brengt Gods volk naar een betere plaats. Hij zorgt ervoor dat Gods volk de échte rustplaats bereikt.

Hebreeen 4:14-10:39:
De gelovigen moeten vasthouden aan hun geloof. Want ze hebben een verheven hogepriester in de hemel: Jezus, Gods Zoon. Een hogepriester die zichzelf geofferd heeft en die met zijn offer de zonde heeft weggenomen.

Hebreeen 11:
Geloven is zeker zijn van de dingen die je niet ziet. In de tijd van het Oude Testament waren er talloze mensen die in God geloofden, en dat uit hun daden lieten blijken.

Hebreeen 12-13:
De christenen, die zoveel rijker zijn dan de mensen uit de tijd van het Oude Testament, mogen hun geloof dan ook niet verliezen. Ze moeten tegen de zonde gaan vechten en God op ieder gebied trouw blijven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Hebreeen 3:12

De algemene brieven

De volgende zeven brieven worden de katholieke of algemene brieven genoemd. Het is niet zeker waarom ze deze naam gekregen hebben. Waarschijnlijk omdat ze niet gericht zijn aan aparte kerken of personen, maar een algemeen karakter hebben. Ze zijn bedoeld voor meerder kerken.

 

De brief van Jakobus

Het is niet helemaal zeker wie Jakobus, de schrijver van deze brief, was. Aangenomen wordt dat hij een broer van Jezus was (Galaten 1:19). Jakobus had een belangrijke functie in de kerk van Jeruzalem (Handelingen 15:13).
Jakobus schrijft deze brief aan ‘de twaalf stammen in de verstrooiing’. Daarmee bedoelt hij de christenen van Joodse afkomst. De uitdrukking ‘de twaalf stammen’ herinnert aan het volk Israël, dat uit twaalf verschillende stammen bestond. Maar Jakobus schrijft zijn brief niet aan het oude volk Israël, maar aan het nieuwe Israël: de christenen. Zij vormen nu het volk van God. Door vervolgingen zijn de christenen verdreven uit hun woonplaats. Daarom spreekt Jakobus over ‘de twaalf stammen in de verstrooiing’. De brief van Jakobus is een heel praktische brief, die op allerlei punten herinnert aan de Bergrede (Zie deel 17B).

  • Inhoud:

Jakobus 1:
Beproevingen kunnen het geloof sterker maken. Wie overeind blijft en de proef doorstaat, zal door God beloond worden: hij zal het leven krijgen.

Jakobus 2:
Het verband tussen geloof en daden. Een christen die zegt dat hij gelooft, maar zich daar niet naar gedraagt, heeft geen levend geloof. Uit zijn daden blijkt dat zijn geloof dood is.

Jakobus 3:
Christenen moeten hun tong bedwingen. Het mag niet zo zijn dat uit dezelfde mond zegen en vervloeking voortkomen.

Jakobus 4:
Jacobus geeft waarschuwingen

Jakobus 5:
De christenen moeten geduldig wachten tot Jezus terug zal komen. Ze moeten elkaar helpen en voor elkaar bidden.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Galaten 1:19, Handelingen 15:13

De eerste brief van Petrus

Deze brief is geschreven door Petrus, een van Jezus’ leerlingen. De brief is gericht aan de christenen in Klein-Azië

. Deze christenen maken een erg moeilijke tijd door. Ze hebben te lijden onder laster en dreigementen van de niet- christenen in hun omgeving. Daarom schrijft Petrus een brief om de christenen in Klein-Azië te bemoedigen. Petrus probeert zijn lezers te helpen om op een goede manier te leven in een wereld die hun vijandig gezind is.

  • Inhoud

1 Petrus 1:1-12:
Petrus houdt zijn lezers voor dat hun dankzij Jezus Christus een geweldige erfenis te wachten staat. Die erfenis weegt ruimschoots op tegen alle moeilijkheden die ze nu te verdragen hebben.

1 Petrus 1:13-25:
De gelovigen moeten heilig leven, want ze zijn vrijgekocht met het kostbare bloed van Christus.

1 Petrus 2:1-10:
De gelovigen moeten iedere vorm van slechtheid afleggen. Ze zijn immers Gods heilige volk. Ze hebben de opdracht de geweldige daden van God te verkondigen.

1 Petrus 2:11-3:22:
Petrus draagt de christenen op om een voorbeeldig leven te leiden. Hij legt uit hoe ze zich moeten gedragen tegenover de overheid; hoe slaven zich moeten gedragen tegenover hun meesters en hoe man en vrouw in het huwelijk met elkaar moeten omgaan.

1 Petrus 4:
De gelovigen moeten niet bang zijn voor het lijden dat hen overkomt: daaruit blijkt dat de Geest van God op hen rust.

1 Petrus 5:
Petrus geeft aanwijzingen voor de omgang tussen kerkleden.

 

De tweede brief van Petrus

De tweede brief van Petrus is gericht aan ‘hen die een even kostbaar geloof als wij hebben verkregen door de gerechtigheid

van onze God en Heiland, Jezus Christus’. Wie deze mensen zijn, wordt niet vermeld. Maar uit 2 Petrus 3:1-2 blijkt dat het moet gaan om dezelfde mensen als aan wie Petrus zijn eerste brief schreef.

  • Inhoud

2 Petrus 1:
De gelovigen zijn door God geroepen en uitgekozen. Ze moeten daarom leven zoals God het wil.

2 Petrus 2:
Petrus waarschuwt de gelovigen voor mensen die een verkeerde leer zullen brengen. Het vonnis voor deze mensen staat al vast: ze zullen door God gestraft worden.

2 Petrus 3:
De Heer zal terugkomen op de aarde. Wanneer weet niemand. Maar God stelt niet uit wat Hij beloofd heeft. Tot Christus’ komst moeten de gelovigen hun best doen om onberispelijk te leven.

 

De eerste brief van Johannes

In deze brief staat niet vermeld door wie hij geschreven is. Maar algemeen wordt aangenomen dat hij afkomstig is van Johannes, de leerling van Jezus, die ook het vierde evangelie geschreven heeft. Er wordt ook niet vermeld voor wie deze brief bedoeld is. Men denkt dat Johannes zijn brief geschreven heeft aan de kerken in Klein-Azië.
Johannes wil zijn lezers waarschuwen voor ‘valse profeten’, mensen die een verkeerde leer verkondigen. De mensen aan wie Johannes schrijft, hebben te maken met twee onbijbelse stromingen. De ene stroming beweert dat Jezus geen echt mens is geworden. De andere stroming beweert dat Jezus wel echt mens was, maar dat Hij niet Gods Zoon is geweest. Johannes wil zijn lezers wijzen op het gevaar van deze opvattingen, die allebei de redding van de mensen op het spel zetten. Hoe zou Jezus de mensen kunnen redden, wanneer Hij zélf geen mens was? En hoe zou Hij de mensen kunnen redden wanneer Hij niet tegelijkertijd God was?
Johannes schrijft een brief waarin hij op overtuigende wijze laat zien dat Jezus én een echt mens, én Gods eigen Zoon is. Ook wijst hij zijn lezers op de noodzaak om elkaar lief te hebben.

 

 

Filmpje: Is Jezus God of mens?

 

  • Inhoud

1 Johannes 1:1-4:
Gods Zoon is echt mens geworden. Johannes kan dat getuigen: Hij heeft Jezus op aarde meegemaakt.

1 Johannes 1:4-2:17:
God is licht. Wie met God verbonden is, kan niet meer in de duisternis blijven wandelen en blijven zondigen. Maar mensen die gezondigd hebben, hoeven niet bang te zijn: als ze op God vertrouwen, zal Hij hun zonden vergeven. Want Jezus pleit voor hen.

1 Johannes 2:18-29:
Johannes waarschuwt tegen ‘dwaalleraars’. Wie ontkent dat Jezus de Christus is, is een leugenaar.

1 Johannes 3-4:
De gelovigen zijn kinderen van God. Daar moeten ze zich ook naar gedragen. Ze moeten elkaar liefhebben.

1 Johannes 5:
Alleen bij de Zoon van God is het leven te vinden.

 

De tweede brief van Johannes

De tweede brief van Johannes is afkomstig van de oudste, waarmee Johannes zichzelf bedoelt. De brief is gericht aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen. Daarmee wordt de kerk bedoeld. In dit korte briefje vat Johannes de inhoud van zijn eerste brief samen. Hij roept zijn lezers op om elkaar lief te hebben, en waarschuwt ze tegen dwaalleraars.

  • Inhoud

2 Johannes:
De gelovigen moeten elkaar liefhebben en leven volgens de geboden van God. Ze moeten oppassen voor dwaalleraars, die ontkennen dat Jezus Christus een echt mens is.

 

De derde brief van Johannes

Johannes’ derde brief is niet gericht aan een kerk, maar aan een zekere Gajus, over wie verder niets bekend is.

  • Inhoud

Johannes is blij met Gajus’ trouw aan God, en hij spoort hem aan gastvrij te zijn. Ook bespreekt hij met Gajus een probleem: een zekere Demetrius erkent Johannes’ gezag niet en belastert hem. Johannes vraagt Gajus om niet met het kwade mee te doen. Want wie God heeft leren kennen, doet wat goed is.

 

 

De brief van Judas

Deze brief is geschreven door Judas, een broer van Jakobus. Aan wie de brief gericht is, blijkt niet uit de adressering. Die luidt: aan de geroepenen, die in God, de Vader, geliefd en voor Jezus Christus bewaard zijn. Maar het is aannemelijk dat Judas zijn brief geschreven heeft voor christenen die van Joodse afkomst zijn. De brief van Judas vertoont veel overeenkomsten met de tweede brief van Petrus. De brief heeft een waarschuwend karakter.

  • Inhoud

Judas: Judas roept de christenen op om te strijden voor het geloof dat God hun heeft toevertrouwd. Hij waarschuwt hen voor de mensen die hun gemeente zijn binnengedrongen, en die leven alsof ze niets met God en zijn geboden te maken hebben. Deze mensen zullen hun straf niet ontgaan.

 

De Openbaring van Johannes

Het laatste bijbelboek is de Openbaring van Johannes. Het is geschreven door Johannes, die ook het evangelie en de drie brieven op zijn naam heeft staan. De inhoud van het boek Openbaring wordt behandeld in deel 25B.

 

Vragen

  1. In de brief aan de Hebreeën wordt de offerdienst van het Oude Testament vergeleken met wat Jezus heeft gedaan om mensen te redden. Jezus wordt vergeleken met de priesters. Kun je enkele verschillen noemen tussen Jezus en de priesters van het Oude Testament? (zie: Hebreeen 7:11-28)
  2. Welke overeenkomst zie je tussen de eerste twee brieven van Johannes en het evangelie dat hij geschreven heeft? (zie: deel 16A)


Deel 20B: Hij leeft!

Jezus is gekruisigd, gestorven en begraven: een grote overwinning voor de leden van het Sanhedrin! En bovendien ziet het ernaar uit dat de satan Jezus heeft vernietigd – terwijl Jezus toch gekomen was om de satan te vernietigen. Jezus’ werk lijkt op een grote mislukking te zijn uitgelopen.

 

Alles lijkt voorbij

Het is paasfeest. Heel Jeruzalem is vol van feestvierende mensen. Een week lang wordt de bevrijding uit Egypte herdacht. Maar niet iedereen viert feest. De volgelingen van Jezus zijn in de rouw. De meester van wie ze zoveel hielden, is gemarteld, aan een kruis gespijkerd en gestorven. Jezus is voorgoed weg.
Maar Jezus’ volgelingen zijn niet alleen bedroefd; ze zijn ook teleurgesteld. Ze hadden gedacht dat Jezus de Christus was – de beloofde redder, van wie de Joden in die tijd verwachtten dat hij Israël zou bevrijden van de vijanden. Maar het is nu wel duidelijk dat Hij de Christus niet was.
Jezus’ volgelingen zitten helemaal vast in hun verdriet. Er is niemand onder hen die zich herinnert wat Jezus verscheidene malen uitdrukkelijk gezegd heeft: dat Hij op de derde dag na zijn sterven weer opgewekt zou worden (Marcus 8:31, Marcus 9:31).
De leerlingen kunnen dus weten dat het niet afgelopen is met Jezus’ dood (Marcus 14:28) Een paar dagen geleden heeft Jezus hun zelfs nog gezegd dat ze na zijn dood naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze Hem weer ontmoeten. Maar de leerlingen blijven gewoon in Jeruzalem. Ze zijn Jezus’ opdracht vergeten.

Toch zijn er ook mensen die Jezus’ woorden over een opstanding uit de dood niet vergeten zijn. Het zijn de overpriesters en de Farizeeën (Matteus 27:62-66). Niet dat ze geloven dat Jezus weer tot leven zou kunnen komen. Ze zijn bang voor wat Jezus’ leerlingen zouden kunnen doen. Wanneer zij Jezus’ lichaam uit het graf roven, zouden ze de mensen kunnen laten geloven dat Hij is opgestaan uit de dood. Ze zijn zo ongerust dat ze notabene op de sabbat, de rustdag, doorgaan met hun werk – iets wat voor mensen die zich zo streng aan de wetten houden, ongehoord is. Ze gaan op de sabbat naar Pilatus toe, en zeggen tegen hem:

‘Heer, het schoot ons te binnen dat die bedrieger, toen hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal ik uit de dood opstaan. Geeft u alstublieft bevel om het graf tot de derde dag te bewaken, anders komen zijn leerlingen hem heimelijk weghalen en zullen ze tegen het volk zeggen: ‘Hij is opgestaan uit de dood,’ en die laatste leugen zal nog erger zijn dan de eerste.’
(Matteus 27: 63-64) .

Pilatus, die er als stadhouder zelf ook belang bij heeft dat er rust heerst onder het Joodse volk, geeft de Farizeeën en overpriesters hun zin. Een aantal Romeinse soldaten moet de wacht houden voor het graf. Bovendien wordt de steen die het graf afsluit, verzegeld. Er kan niemand meer in het graf om Jezus’ lichaam weg te halen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 27: 62-66, Matteus 27: 63-64

Hij leeft!

Lezen: Matteus 28:1-15

Zondagochtend vroeg, nog voor het licht is, gaan twee vrouwen op weg naar de plaats waar Jezus begraven is (Matteus 28:1). De ene vrouw is Maria van Magdala (Lucas 8:2). Zij is ooit door Jezus bevrijd uit de macht van zeven boze geesten. De andere vrouw, die ook Maria heet, is de moeder van twee van Jezus’ leerlingen (Matteus 27: 55-56). Ze zijn volgelingen van Jezus. Samen met veel andere vrouwen zijn ze vanuit Galilea met Hem meegereisd om Hem overal van dienst te kunnen zijn.
Uit de andere evangeliën weten we waarom ze naar het graf gaan: ze willen het lichaam van Jezus verzorgen (Marcus 16:1). Ze hebben lekker ruikende kruiden en zalfolie bij zich, die ze over het lichaam van Jezus willen uitgieten. Dat deed men in het oosten vaak wanneer er iemand gestorven was. Het was bedoeld om de geur van ontbinding tegen te gaan. Kennelijk hebben de vrouwen niet gehoord dat het graf verzegeld is en dat er soldaten voor op wacht staan. Anders hadden ze wel geweten dat hun plan onuitvoerbaar is: de soldaten zullen hun nooit toestemming geven de grafkamer binnen te gaan.

Wanneer Matteüs verteld heeft dat de twee vrouwen op weg zijn, neemt hij zijn lezers mee naar een andere plaats: het graf van Jezus (Matteus 28:2-4). Hij beschrijft nu wat de soldaten die het graf bewaken, meemaken.
‘s Morgens vroeg beeft de aarde. En nog voor de soldaten van de schrik zijn bekomen, zien ze een gestalte uit de hemel neerdalen. Hij ziet eruit als een bliksemflits en zijn kleren zijn sneeuwwit. De soldaten raken bijna verblind als ze naar hem kijken. Ze zien hoe de gestalte de verzegelde steen die de grafkamer afsluit, wegrolt en erop gaat zitten. De soldaten schrikken vreselijk, en vallen voor dood op de grond.

Dan vertelt Matteüs verder over de beide vrouwen (Matteus 28:5-10). Wanneer ze bij het graf zijn aangekomen, merken ze tot hun verbazing dat de zware steen is weggerold. Dan zien ze de engel, van wie de soldaten zo schrokken. De engel stelt hen meteen gerust: ze hoeven niet bang te zijn. Jezus, naar wie ze op zoek zijn, ligt niet meer in het graf. En dat niet omdat zijn lichaam gestolen is – maar omdat Hij weer tot leven is gekomen! Hij is opgewekt uit de dood, zoals Hij van tevoren al gezegd had.
De engel geeft de vrouwen de opdracht naar Jezus’ leerlingen te gaan. Zij moeten het goede nieuws ook horen. En wanneer ze Jezus in levenden lijve willen ontmoeten, moeten ze naar Galilea gaan, zoals Hij hun van tevoren al gezegd had.
De vrouwen doen meteen wat de engel heeft gezegd. Bang en blij tegelijk haasten ze zich terug. En terwijl ze nog onderweg zijn, krijgen ze de verrassing van hun leven: Jezus komt hen tegemoet en begroet hen. De vrouwen vallen vol eerbied voor Jezus neer en aanbidden Hem. Hij is het echt! Wat de engel zei, is waar: Jezus leeft!

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 28:1, Lucas 8:2, Matteus 27: 55-56, Marcus 16:1, Matteus 28:2-4, Matteus 28:5-10

Ongeloof

Nog voordat de leerlingen het goede nieuws te horen krijgen, hebben de overpriesters en de oudsten al gehoord wat er gebeurd is (Matteus 28:11-15). De soldaten vertellen alles wat ze hebben meegemaakt: de aardbeving, de engel, het feit dat het graf leeg was. Het Sanhedrin komt meteen in spoedzitting bijeen. Wat ze gevreesd hebben, is gebeurd: Jezus’ lichaam is op de derde dag na zijn dood verdwenen. En het is duidelijk dat zijn leerlingen niets met de zaak te maken hebben gehad. De soldaten zijn daar de getuigen van.
De leden van het Sanhedrin komen niet op het idee om te erkennen dat ze fout zijn geweest – dat Jezus inderdaad de Zoon van God is en dat ze Hem ten onrechte hebben gedood. Ze proberen de zaak zo snel mogelijk in de doofpot te stoppen. Ze vragen de soldaten het gerucht te verspreiden dat ze in slaap zijn gevallen toen ze bij het graf op wacht stonden, en dat Jezus’ leerlingen in die tijd zijn lichaam hebben geroofd. De soldaten lopen een groot risico wanneer ze deze leugen de wereld inbrengen. Een Romeinse soldaat die in slaap valt terwijl hij op wacht staat, verzaakt zijn plicht. Op zo’n vergrijp staat in het Romeinse leger de doodstraf. Maar de leden van het Sanhedrin beloven dat ze er alles aan zullen doen om de soldaten buiten schot te houden.
Wanneer Pilatus ervan hoort, zullen zij het wel in orde brengen. Omdat ze er veel geld voor krijgen, gaan de soldaten uiteindelijk akkoord. En zo helpen ze eraan mee een leugen de wereld in te brengen.

Wanneer de vrouwen in Jeruzalem zijn aangekomen, gaan ze rechtstreeks naar Jezus’ leerlingen (Marcus 16:9-11). Die zijn nog in diepe rouw gedompeld (Lukas 24:9-11). Ze huilen van verdriet om het verlies van hun geliefde meester. De vrouwen brengen hun het goede nieuws: ze hoeven niet meer te treuren: Jezus leeft! Ze hebben Hem in levende lijve gezien en Hem aangeraakt! Maar de leerlingen zitten helemaal vast in hun verdriet. Ze denken dat de vrouwen wartaal uitslaan. Ze hechten absoluut geen geloof aan hun woorden. Ook nu herinneren ze zich nog niet wat Jezus tegen hen gezegd heeft: dat Hij na drie dagen zou opstaan uit het graf en dat Hij hen in Galilea weer zou ontmoeten (Marcus 14:28).

Een van de leerlingen, Petrus, gaat op weg naar het graf (Lucas 24:12). Al gelooft hij niet in het verhaal van de vrouwen, toch wil hij even controleren of alles nog in orde is. Wanneer hij bij het graf is gekomen, ziet hij dat het geopend is. Jezus’ lichaam ligt er niet meer. Alleen de lijkdoeken, die na zijn dood om Hem heen gewikkeld waren, liggen er. Petrus gaat weg – zich verbaasd afvragend wat er toch gebeurd kan zijn.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 28:11-15, Marcus 16:9-11, Lucas 24:9-11, Marcus 14:28, Lucas 24:12

De Heer is echt opgestaan!

Lezen: Lucas 24:13-35

24:13 zestig stadie: ruim 11 kilometer (zie kaart 8 in Wegwijzer)

24:27 Mozes: aanduiding voor de eerste vijf bijbelboeken.

24:33 de elf: de elf leerlingen. Judas hoort er niet meer bij.

 

Het is wat later op de dag (zie deel 7A). Twee volgelingen van Jezus – ze horen niet tot zijn twaalf speciale leerlingen – zijn onderweg naar het plaatsje Emmaüs. Aan de onbekende man die met hen opwandelt, zijn ze graag bereid te vertellen wat hen bezighoudt. Eerder die dag hebben ze vreemde verhalen gehoord van een aantal vrouwen die bij Jezus’ graf geweest zijn. Deze vrouwen zouden van engelen gehoord hebben dat Jezus in leven was! Een ongeloofwaardig verhaal. Niemand van de mannen die op onderzoek uitgingen, heeft Hem kunnen vinden.
Jezus zorgt ervoor dat de mannen Hem niet meteen herkennen. Hij legt ze eerst vanuit het Oude Testament uit waarom de Christus moest lijden en sterven. Hij laat ze zien dat zijn dood niet het einde maakte aan de hoop op verlossing. Zijn dood was juist de enige manier om de redding van de mensen te bereiken.
Pas wanneer de mannen dat beginnen te begrijpen, zorgt Jezus ervoor dat ze Hem herkennen. Dan verdwijnt Hij uit hun midden. Hoewel het donker is, keren de twee mannen onmiddellijk terug naar Jeruzalem om de leerlingen van Jezus het goede nieuws over te brengen. Die blijken inmiddels ook op de hoogte te zijn: Simon Petrus heeft Jezus gezien!

 

Jezus overtuigt zijn leerlingen

Lezen: Lucas 24:36-49

Zelfs nu drie mannen Jezus gezien hebben, blijft het voor de leerlingen moeilijk om te geloven dat hun meester echt is opgestaan uit de dood. Wanneer Jezus ineens in hun midden staat, schrikken ze vreselijk. Ze denken dat ze een geestverschijning zien. Jezus moet echt moeite doen om te bewijzen dat Hij het is. Hij laat zijn leerlingen de littekens van de spijkers in zijn handen en voeten zien. Zo overtuigt Hij hen ervan dat Hij dezelfde is als degene die een paar dagen geleden aan het kruis werd gehangen. Daarna nodigt Jezus zijn leerlingen uit om Hem aan te raken; en Hij eet voor hun ogen een stuk vis. Zo bewijst Jezus dat Hij geen geestverschijning, maar een gewoon mens is. Een geest kun je geen hand geven, en je kunt niet in zijn arm knijpen. Een geest kan ook geen stuk vis pakken en opeten.
Tenslotte zijn de leerlingen ervan overtuigd dat het Jezus is die bij hen is. En dan begint Jezus hun vanuit het Oude Testament uit te leggen waarom Hij, de beloofde redder, moest lijden, sterven en opstaan uit de dood. Hij zorgt ervoor dat de leerlingen gaan begrijpen dat het zo moest lopen – dat dit de enige manier was waarop het weer goed kon komen tussen God en de mensen. Dat dit de manier was waarop Hij de satan kon overwinnen.

Nu Jezus’ leerlingen weten dat Jezus weer leeft en nu ze begrijpen waarom Hij is gestorven en weer is opgestaan uit de dood, wacht hun een belangrijke taak. Ze moeten de wereld ingaan en de mensen over Jezus vertellen. Zij zijn immers de ooggetuigen van alles wat er met Jezus gebeurd is. Zij kunnen uit de eerste hand vertellen dat Jezus, de beloofde redder, geleden heeft, gestorven is en weer opgestaan is uit het graf. Ze moeten de mensen oproepen zich te bekeren en in Jezus Christus te gaan geloven. Iedereen die naar hen luistert en in Jezus gaat geloven, mag weten dat het goed is tussen God en hem: zijn zonden zijn vergeven en vergeten.
De leerlingen mogen nog niet meteen op pad. Ze moeten eerst wachten tot Jezus ‘de belofte van zijn Vader’ aan hen heeft gegeven: de Heilige Geest. Jezus zal zijn leerlingen als het ware kleden met hemelse kracht, voor ze aan hun opdracht moeten beginnen.

Fantasie?

Dat een mens die gestorven is weer tot leven komt, is iets onbegrijpelijks. Het druist tegen de natuurwetten in. Er zijn dan ook veel mensen die zeggen dat de opstanding van Jezus niet écht heeft plaatsgevonden. De leerlingen van Jezus hebben volgens hen alleen het gevoel gehad dat Jezus er nog was. Ze wisten dat het niet afgelopen kon zijn met zijn dood. Misschien hebben ze zelfs wel visioenen gehad waarin ze Jezus zagen. Maar in ieder geval: Jezus is niet echt opgestaan uit de dood. Alleen voor het idee van zijn leerlingen leefde Hij voort.
Dat deze gedachte onhoudbaar is, blijkt heel duidelijk uit alle vier de evangeliën. De leerlingen zijn er de mensen niet naar om te fantaseren dat Jezus eigenlijk nog bij hen is. Hoewel Jezus tegen hen gezegd heeft dat Hij zou opstaan uit de dood, denken ze niet meer aan die woorden wanneer Hij gestorven is. Voor hen is alles afgelopen. De vrouwen die hun vertellen dat Jezus is opgewekt, geloven ze niet. Zelfs wanneer ze Jezus zelf in hun midden zien staan, kunnen ze niet geloven dat Hij het echt is. Jezus moet echt moeite doen om zijn leerlingen ervan te overtuigen dat Hij werkelijk leeft. De geschiedenis van de opstanding is geen achteraf bedacht verzinsel. Het is een feit. Nuchtere vissers, die zoiets nooit hadden kunnen verzinnen en die er eerst niet in wilden geloven, konden er niet onderuit. Ze zagen Jezus met hun eigen ogen; ze praatten met Hem en konden Hem aanraken (Johannes 20:24-29) Tenslotte konden ze niet anders dan erkennen dat de man die een paar dagen eerder gestorven was, weer tot leven was gekomen.
Jezus is overigens niet maar aan een paar mensen verschenen. Er zijn meer dan vijfhonderd mensen geweest die Hem na zijn opstanding hebben gezien (1 Korintiers 15:3-8). Al die mensen konden getuigen dat Jezus weer leeft en dat Hij de dood heeft overwonnen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 20: 24-29, 1 Korintiers 15:3-8

Filmpje: Wat betekent Pasen?

Vragen

  1. Kun je uitleggen waarom Jezus’ leerlingen zo verslagen zijn na zijn dood?
    1. Waarom hoort Judas niet meer bij de groep van leerlingen? (Vergelijk Lucas 24:33).
    2. Hoe loopt het met hem af? Zie Matteus 27:1-5.
  2. Op dat wat er op de paasmorgen gebeurt, wordt verschillend gereageerd.

Beschrijf de reacties van:

  1. de Romeinse soldaten (Matteus 28:4 en 11-15).
  2. de vrouwen (Matteus 28: 8-9).
  3. de Joodse Raad of het Sanhedrin (Matteus 28:11-15).
  4. de elf leerlingen (Lucas 24:9-12).
  1. Waarom doet Jezus er zoveel moeite voor om zijn leerlingen te overtuigen van het feit dat Hij echt is opgestaan uit de dood? Zie Lucas 24:36-48.
  2. Waarom is de opstanding van Jezus zo belangrijk? (Zie hiervoor ook deel 8C)

Deel 20C: Rekening houden met Gods wil

Wie in God gelooft, houdt rekening met wat Hij wil. Iemand die van God houdt, zal proberen zo te leven als Hij het in de wet heeft voorgeschreven. In dit deel gaat het over het derde en vierde gebod uit de wet: het gebod over Gods naam en het gebod over de sabbat.

 

Het derde gebod

‘Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan’.

In dit gebod verbiedt God zijn volk om zijn naam ‘ijdel’ te gebruiken. Wat wordt daarmee bedoeld? ‘IJdel gebruiken’ wil zeggen: misbruiken, op een verkeerde manier gebruiken. Iemand die ‘ijdel gebruik’ van een voorwerp maakt, gebruikt dat voorwerp op een manier waar het niet voor bestemd is. Wanneer een klein kind in de zandbak zijn schep gebruikt om een ander kind op het hoofd te slaan, gebruikt hij zijn schep ‘ijdel’: op een manier waar de schep niet voor bestemd is. Wanneer iemand voor de grap het alarmnummer belt, maakt hij ‘ijdel gebruik’, misbruik van dat nummer. Zo kan iemand ook de naam van de HERE ijdel gebruiken. Hij gebruikt Gods naam dan op een manier waar hij niet voor bestemd is. En dat verbiedt God in het derde gebod.

 

Misbruik van Gods naam in de tijd van de bijbel

Misbruik van Gods naam – wat verstaat de bijbel daaronder? In de eerste plaats vloeken: het verwensen van God. God neemt deze zonde zeer hoog op (Leviticus 24:10-23). Mensen die zijn naam vervloekten en zo lieten zien dat ze Hem verachtten, werden in de tijd van de bijbel met de dood gestraft.

Maar in de bijbel vinden we ook andere vormen van misbruik van Gods naam. Zelfbedachte profetie bijvoorbeeld (Jeremia 14:14). Je zou deze vorm van misbruik van Gods naam kunnen vergelijken met het vervalsen van een handtekening. Wie een brief schrijft, en daar de handtekening van een ander onder zet, gebruikt de naam van die ander voor een zaak waar hij niets mee te maken heeft. Zo werd in een zelfbedachte profetie Gods naam gebruikt voor een zaak waar God niets mee te maken had.

Een voorbeeld (Jeremia 29). In de tijd van de ballingschap traden Achab en Zedekia op als profeet. Ze gaven hun volksgenoten in Babel volgens hun eigen zeggen een boodschap van God door: ‘In de naam van Jahwe zeggen we u: de ballingschap zal niet lang duren! Binnenkort brengt Jahwe u terug naar Jeruzalem!’
Voor de Israëlieten in Babel was dit natuurlijk een geweldig bericht. Maar wat Achab en Zedekia zeiden, was een leugen. De HERE had hen niet aangesteld tot profeet. En Hij had hun deze woorden, waarmee ze hun volksgenoten valse hoop gaven, zeker niet ingegeven. Dat bleek later ook wel: de ballingschap zou bijna 50 jaar duren. Achab en Zedekia hadden met hun zelfbedachte profetie Gods naam misbruikt. Iets waarvoor ze later door God gestraft zijn.

Een andere vorm van misbruik van Gods naam is het afleggen van een valse eed (Jeremia 5:2). We lezen in de bijbel over mensen die bij de naam van God (‘Zo waar de HERE leeft!’) zwoeren dat ze de waarheid spraken – terwijl ze logen. Ze gebruikten Gods naam dus om hun leugens kracht bij te zetten.

Het is ook misbruik van Gods naam wanneer mensen zeggen dat ze in de naam van God handelen, terwijl ze juist doen wat God verboden heeft (Filippenzen 3:6). Zo vertelt het Nieuwe Testament over Paulus, die in de naam van God christenen heeft vervolgd en gedood. Hij dacht dat hij God daarmee een dienst bewees. Maar in werkelijkheid gebruikte Hij Gods naam voor iets waarmee God niets te maken wilde hebben ( 1 Timoteus 1:12-13). Hij gebruikte Gods naam voor een misdaad.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Leviticus 24: 10-23, Jeremia 14:14, Jeremia 29, Jeremia 5:2, Filippenzen 3:6, 1 Timoteus 1:12-13

Misbruik van Gods naam in onze tijd

Misbruik van Gods naam komt ook in onze tijd in allerlei vormen voor. Zo is vloeken bijvoorbeeld een duidelijke vorm van misbruik van de naam van God. In onze samenleving worden de namen God en Jezus heel vaak ‘ijdel’ gebruikt. Als stopwoord. Of als krachtterm. Of als uitroep van verbazing: ‘Mijn God!’ Veel mensen gebruiken een verbasterde vorm van de naam God of Jezus. Ze zeggen: ‘goh’ of ‘jee’. Er zijn ook mensen die als ze boos zijn of zich ergeren ‘g.v.d.’ roepen – en die daarmee in feite aan God vragen: ‘God, verdoem me. Laat me maar naar de hel gaan.’
Over het algemeen hebben mensen die vloeken niet de bedoeling om God te beledigen. De meeste mensen die vloeken, geloven niet eens in God. Maar daar wordt het vloeken niet minder erg van. Iemand die vloekt, laat daarmee duidelijk zien dat Gods naam niet belangrijk voor hem is. Hij laat zien dat God hem koud laat. En daarmee overtreedt hij het derde gebod.
Het is ook een overtreding van het derde gebod, wanneer iemand voor de rechtbank bij Gods naam zweert dat hij de waarheid spreekt – terwijl hij liegt (Leviticus 19:12). Of wanneer iemand zijn eigen wil doet, en daarbij zegt dat het Gods wil is.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Leviticus 19:12

Gods naam: Gods reputatie

Waarom is het zo erg als mensen de naam van God misbruiken? Dat is omdat Gods naam heel belangrijk is. In de bijbel wordt dat steeds weer benadrukt. Op talloze plaatsen in de bijbel wordt gesproken over Gods naam. Er worden prachtige dingen over gezegd. De naam van God wordt in het bijbelboek Spreuken bijvoorbeeld vergeleken met een sterke toren, waar de gelovigen zich veilig in kunnen voelen (Spreuken 18:10).
Op veel plaatsen in de bijbel worden mensen opgeroepen om Gods naam te loven. In Psalm 113 bijvoorbeeld:

Halleluja

. Loof dienaars van de HEER, loof de naam van de HEER.. De naam van de HEER zij geprezen van nu aan tot in eeuwigheid. Vanwaar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, zij geloofd de naam van de HEER.’
(Psalm 113:1-3)

Voor ons idee is het wat vreemd dat de dienaren van de HERE – de Israëlieten – worden opgeroepen om zijn naam te loven. Wanneer je iemand prijst, prijs je hem zélf. Niet zijn naam. Het zou bijvoorbeeld zeer vreemd zijn wanneer de directeur van een bedrijf over een jubilerend medewerker zou zeggen: ‘De naam van onze boekhouder is wel een compliment waard!’
Maar in de tijd waarin de bijbel werd geschreven, was dat anders. Een naam gaf niet alleen aan hoe iemand heette, maar ook wie hij was. Zo wordt over koning Salomo bijvoorbeeld gezegd dat hij vanwege zijn grote wijsheid ‘een naam’ had onder alle volken rondom Israël. Met het woord ‘naam’ wordt dan reputatie bedoeld (1 Koningen 4:31).
Zo wordt in de bijbel met ‘de naam van de HERE’ ook de reputatie van de HERE bedoeld. De naam van de HERE geeft aan wie de HERE is: een God vol medelijden, vol liefde en geduld, een God op wie je kunt vertrouwen (Exodus 34:5-7). De God die de wereld heeft gemaakt en die alles in stand houdt. De God die Israël gered heeft uit Egypte, en die een verbond met zijn volk heeft gesloten. De God die doet wat Hij belooft. De naam van God is dus heel kostbaar. Wie Gods naam ijdel gebruikt, laat merken dat hij de drager van die naam minacht. En dat is een vreselijke belediging voor God.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Spreuken 18:10, Psalm 113: 1-3, 1 Koningen 4:31, Exodus 34: 5-7

Gods naam eren

God zegt in derde gebod hoe we niet mogen handelen: we mogen zijn naam niet misbruiken. Maar daarmee zegt God ons tegelijk ook iets over de manier waarop we wél met zijn naam moeten omgaan (Psalm 103:1). God wil dat we zorgvuldig en met eerbied omgaan met zijn naam. Dat we niet vloeken, maar dat we zijn naam juist prijzen. Dat we met onze woorden en onze daden laten zien dat we van God houden. Dat we opkomen voor God in een wereld waarin iedereen doet alsof Hij niet bestaat of niet belangrijk is.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 103:1

Filmpje: Zing het uit en prijs de HEER!

Het vierde gebod

‘Neem de sabbat in acht, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag . Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen , voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en uw slavin moeten evengoed rusten als u. Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft hij u opgedragen de sabbat te houden’.

In zes dagen maakte God de hemel en de aarde, het licht, de dampkring, de dieren en de mensen (Genesis 1). En op de zevende dag rustte Hij (Genesis 2:2-3). Dat wil zeggen: op die dag stopte Hij met werken. God keek met goedkeuring naar alles wat Hij gemaakt had. En Hij zegende en heiligde de zevende dag. Dat wil zeggen: Hij gaf de zevende dag een bijzondere plaats in de week. Hij koos de zevende dag uit als zijn dag.
God zegt in de wet tegen de Israëlieten: ‘Heilig de sabbatdag. Geef de zevende dag een aparte plaats in de week. De sabbatdag is mijn dag. Reserveer die dag voor Mij. Op die dag mogen jullie niet werken – net zoals Ik op de zevende dag niet meer werkte. Ook jullie kinderen, slaven, dieren en de vreemdelingen die in jullie midden wonen, mogen op die dag niet werken.’

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 1, Genesis 2:2-3

De sabbat: een feestdag

De Israëlieten moesten dus rust houden op de sabbat. Dat was niet iets vrijblijvends – het was een gebod. Maar God wilde de Israëlieten met dit gebod geen zware last opleggen. Hij wilde hun daarmee een feestdag geven (Deuteronomium 5:12-15). Een dag waarop ze hun bevrijding konden vieren. God had de Israëlieten gered uit Egypte, waar ze dag in dag uit slavenwerk hadden moeten doen. Ze waren eindelijk vrij. En ze kregen van God, hun koning, de sabbat om hun vrijheid te vieren. Iedere sabbat hadden ze voortaan de gelegenheid om in alle rust bij elkaar te komen om God te loven en te danken.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Deuteronomium 5:12-15

De sabbat: op adem komen

Geen enkel ander volk ter wereld kende de sabbat. De sabbat was een geschenk dat God aan zijn volk gaf. Gods volk hoefde niet dag in dag uit door te gaan met werken. Na zes dagen werken mochten alle Israëlieten één dag rust houden. Ze kregen van God de ruimte om weer op adem komen. De sabbat was voor de Israëlieten als een oase in de woestijn. Het was een dag van rust en blijdschap. Het was een dag waarop iedereen herinnerd werd aan Gods liefde.

 

De sabbat: vertrouwen op God

Een dag lang al het werk laten liggen – dat kon natuurlijk ook wel moeilijk zijn (Amos 8:5). Voor mensen die leven van de landbouw of de handel betekent een dag niet werken een dag verlies (Exodus 34:21). Toch vroeg God dat van de Israëlieten. En daarmee vroeg God hun om te laten zien dat ze in Hem geloofden. Dat ze geloofden dat God het was die voor hun levensonderhoud zorgde (Psalm 127:1-2). Dat er zonder zijn zegen niets zou groeien, en dat zonder Hem al het werk tevergeefs zou zijn. Wanneer de Israëlieten op de sabbat hun werk zouden laten liggen, zouden ze daarmee hun vertrouwen in God uitspreken. (Deuteronomium 6:24-25) En God zou dat vertrouwen niet beschamen. Hij zou ervoor zorgen dat het zijn volk goed ging.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Amos 8:5, Exodus 34:21, Psalm 127:1-2, Deuteronomium 6:24-25

De zondag

De sabbat werd gevierd op de zevende dag van de week, de zaterdag. Maar voor christenen is niet de zaterdag, maar de zondag een speciale feestdag. Bij hen is die dag aan God gewijd. Ze komen niet op de laatste, maar op de eerste dag van de week bij elkaar. Klopt dat wel?
In het Oude Testament is de zondag een heel gewone dag. Maar in het Nieuwe Testament verandert dat. De zondag wordt daar ‘de dag van de Here’ genoemd. (Openbaring 1:10) Dat is omdat Jezus, de Heer, op zondagmorgen is opgestaan uit het graf. De zondag is de dag waarop Hij de dood heeft overwonnen. (Handelingen 20:7) Al heel snel zijn christenen die dag gaan vieren. Zoals de Joden elke zaterdag vierden dat God hen uit Egypte had bevrijd, zo gingen de christenen op zondag vieren dat Jezus hen uit de macht van de zonde en de dood had bevrijd. In het begin was de zondag nog geen vrije dag. De christenen moesten gewoon naar hun werk. Ze gingen daarom ‘s morgens vroeg – soms al om vijf uur – en ‘s avonds na werktijd naar de kerk. Pas in de vierde eeuw werd de zondag een vrije dag.

Voor christenen is de zondag een feestdag. Het is een dag die aan God gewijd is. Op die dag gaan ze naar de kerk om daar God te loven en te danken, om met elkaar in de bijbel te lezen en naar de preek te luisteren, om geld te geven voor de mensen die dat nodig hebben. Op de zondag kunnen christenen door hun werk te laten liggen, laten zien dat ze vertrouwen hebben in God, die als een goede vader voor hen zorgt.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Openbaring 1:10, Handelingen 20:7

Verboden te werken?

Het is niet zo dat God in het vierde gebod zegt dat niemand mag werken op zondag. Er is werk dat iedere dag door moet gaan. Boeren bijvoorbeeld kunnen niet al hun werk laten liggen. Dokters en verpleegkundigen moeten klaarstaan voor mensen die hun hulp nodig hebben. En zo is er meer werk te noemen dat ook op zondag door moet gaan. Maar voor het meeste werk geldt, dat we het op zondag kunnen laten liggen. Ook al zouden we er zelf misschien liever mee verder willen gaan. Op zondag mogen we loskomen van alles wat ons door de week bezig houdt, en genieten van de rust die God ons geeft. Op zondag mogen we vieren dat God ons gered heeft. Het feest van de zondag kan zo een klein voorproefje worden van het grote feest dat we na dit leven bij God zelf zullen vieren (Hebreeen 4:1-13).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Hebreeen 4:1-13

Filmpje: Wat vraagt God van ons in het 4e en 5e gebod?

Vragen

  1. Wat heeft vals zweren te maken met het derde gebod?
  2. Het vierde gebod is behalve een gebod ook een geschenk. Kun je dat uitleggen?
    1. Wat zijn de overeenkomsten tussen de viering van de sabbat in de tijd van het Oude Testament en de viering van de zondag in onze tijd?
    2. Wat zijn de verschillen?