Bijbelcursus Les 21

Deel 21A: De bijbel: een onbetrouwbaar boek?

De bijbel is geschreven door mensen. En mensen zijn niet volmaakt. Wat betekent dat voor de betrouwbaarheid van de bijbel? Is de bijbel eigenlijk niet meer dan een boek waarin menselijke verzinsels staan? Of is de bijbel ons onbeperkte vertrouwen waard?

 

Een menselijk boek?

Is de bijbel het Woord van God? Of is de bijbel het woord van mensen over God? In deel 2A is die vraag al beantwoord: God zelf maakt in de bijbel duidelijk dat Hij de schrijver van de bijbel is. Toch wordt er steeds vaker gedacht dat de bijbel niet meer is dan een gewoon, menselijk boek. Een boek dat ons vertelt hoe de Israëlieten over God dachten (Oude Testament), en hoe de evangelieschrijvers en apostelen dachten over Jezus (Nieuwe Testament). De bijbel is volgens deze opvatting niet meer dan een boek waarin verhalen staan die mensen zelf bedacht hebben.
Wanneer dat zo is, moeten we er rekening mee houden dat er allerlei onjuistheden in de bijbel staan. Dat wordt dan ook vaak aangenomen. Zelfs veel hedendaagse theologen beschouwen de bijbel als een menselijk boek waarin verhalen staan die verzonnen zijn. En waarin de geschiedenis vaak mooier wordt gemaakt dan die in werkelijkheid was.
Dat er onjuistheden in de bijbel staan, is niet zo erg, zegt men dan. Want de bijbel is geen geschiedenisboek. De schrijvers van de bijbel hadden helemaal niet de bedoeling om geschiedenis te beschrijven die tot in de details klopt. Het ging hun er niet om de feiten precies weer te geven. Het was hun bedoeling om ons te vertellen over de grote daden van God. Ze wilden ons laten zien hoe Gods daden ook betekenis hebben voor onze tijd en voor de toekomst. Ze wilden ons tot geloof brengen in God en in Jezus Christus. En dat betekende – zo stelt men – dat ze soms op een andere manier met de feiten omgingen dan wij dat in onze tijd en in onze cultuur zouden doen.

Een bijbelgedeelte dat door veel theologen als niet-historisch wordt beschouwd, is het begin van het bijbelboek Genesis. We zullen in dit deel bekijken wat er tegenwoordig over dit bijbelgedeelte wordt gezegd, en welke gevolgen dat heeft voor het lezen van de hele bijbel. Daarnaast zetten we hoe Jezus en de bijbelschrijvers met de bijbel omgingen.

 

Volksverhalen

De eerste elf hoofdstukken van Genesis worden door veel mensen beschouwd als niet-historisch. Men neemt aan dat de verhalen over de schepping, de zondeval, Kaïn en Abel, de zondvloed en de torenbouw van Babel ‘volksverhalen’ zijn: de schrijvers wilden met deze verhalen achteraf het ontstaan van de wereld, de mensheid, de dood en de zonde verklaren. Natuurlijk kan er in deze verhalen wel een kern van waarheid zitten, zegt men dan. Maar we hoeven in onze tijd, waarin we weten dat het leven via evolutie is ontstaan, echt niet meer te geloven dat God in zes dagen alles wat er leeft, geschapen heeft. De schrijver van het scheppingsverhaal heeft ons alleen maar op zijn eigen wijze willen vertellen dat de oorsprong van het leven bij God ligt.
Ook vinden veel mensen het vandaag niet meer nodig om te blijven geloven dat de hele mensheid zou zijn ontstaan uit Adam en Eva, en dat de slang hen zou hebben verleid om tegen God in opstand te komen. In onze tijd weten we dat slangen niet kunnen praten. We moeten kijken naar de bedoeling van dit verhaal. De schrijver heeft ons kennelijk willen vertellen dat de mens vanaf het begin zijn plicht tegenover God heeft verzaakt. Hoe dat is gebeurd, is niet belangrijk. Het gaat erom dat het gebeurd is.
En het verhaal van de zondvloed? In allerlei culturen zijn verhalen over een grote, verwoestende watervloed bewaard gebleven. Kennelijk heeft er inderdaad ooit een enorme overstromingsramp plaatsgevonden. De schrijver van het boek Genesis zou vanuit zijn geloof een eigen uitleg aan die ramp hebben gegeven: God kon de zonde van de mensen niet langer aanzien.

De eerste elf hoofdstukken van Genesis geven volgens bovenstaande opvatting dus geen echte geschiedenis weer. De echte geschiedschrijving zou pas beginnen bij Genesis 12: het verhaal van Abraham, de voorvader van de Israëlieten, die in opdracht van God naar Kanaän trok.

 

Hoe Jezus met de bijbel omging

Hoe moeten wij met deze kritiek omgaan? Is de bijbel echt zo onbetrouwbaar? Moeten we inderdaad alleen kijken naar de bedoeling van een bepaalde geschiedenis, en in het midden laten of die geschiedenis wel of niet heeft plaatsgevonden? Om een antwoord te krijgen op deze vragen is het goed om te kijken naar de manier waarop Jezus, Gods Zoon, met de bijbel is omgegaan.

In de tijd van Jezus was het Oude Testament al afgerond. Jezus kende dus het hele Oude Testament. En Hij beschouwde het zeker niet als een menselijk boek met fouten en gebreken. Hij aanvaardde het hele Oude Testament als het Woord van God. Niets uit het Oude Testament gold voor Hem als onwaar of verouderd. Zo zei Hij tijdens de Bergrede:

‘Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn’.
(Matteus 5:17-18)

Met de wet bedoelde Jezus de eerste vijf boeken van de bijbel. Daar horen ook de eerste elf hoofdstukken van Genesis bij. Jezus liet zich in heel zijn doen en laten leiden door wat God in het Oude Testament gezegd had. Hij had geen kritiek op de bijbel. Hij ging er vanuit dat de bijbel Gods Woord was, en gezag had. Jezus wist dat het Oude Testament geschreven was onder leiding van de Heilige Geest:

‘Hoe kunnen de schriftgeleerden beweren dat de messias een zoon van David is? Zelf heeft David, geïnspireerd door de heilige Geest, gezegd …’
( Marcus 12:35-36).

Al is het Oude Testament door mensen geschreven, tegelijk is het afkomstig van de Heilige Geest. En daarom is het van A tot Z betrouwbaar. Zoals Jezus in een gebed tot zijn Vader zei:

‘Uw woord is de waarheid.’
(Johannes 17:17)

Het Oude Testament staat niet vol met onbetrouwbare volksverhalen. Het is Gods Woord. En Gods Woord is de waarheid. Het is betrouwbaar. Jezus zelf heeft dat erkend. En Hij heeft zijn volgelingen geleerd om met eerbied over het Oude Testament te denken en te spreken.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteüs 5:17-18, Marcus 12:35-36, Joh.17:17

Wat de bijbelschrijvers over de bijbel zeggen

Niet alleen Jezus beschouwde de bijbel als het Woord van God, ook zijn volgelingen deden dat. Dat blijkt onder andere uit de manier waarop de apostelen en de schrijvers van het Nieuwe Testament met het Oude Testament omgaan. Voortdurend verwijzen ze naar het Oude Testament:

‘Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd’
(Matteus 1:22)

Jezus’ volgelingen beschouwen de geschiedenis die de bijbel beschrijft, als de waarheid. En ze beschouwen de woorden van de profeten en van de psalmdichters als de woorden van God zélf:

‘Heer, u hebt de hemel en de aarde en de zee geschapen en alles wat daar leeft, u hebt door de heilige Geest , bij monde van onze voorvader David, uw dienaar, gezegd …’
(Handelingen 4:24-25)

Ze weten dat de woorden van de profeten afkomstig zijn van God zelf:

‘Want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de Heilige Geest.’
(2 Petrus 1:21)

Niet alleen het Oude Testament, maar ook het Nieuwe Testament is afkomstig van God. Dat zien we bijvoorbeeld in het bijbelboek 2 Petrus. In dit boek roept Petrus de christenen op om te leven zoals Paulus hun geschreven heeft. En het blijkt dan dat hij Paulus’ brieven beschouwt als ‘de schriften’, dus als geschriften die afkomstig zijn van God. Heel de bijbel is het Woord van God. Uit allerlei bijbelgedeeltes blijkt dat. Al heeft God zijn woorden door mensen laten opschrijven, toch kunnen we niet zeggen dat de bijbel een menselijk boek is met fouten en gebreken. Want als we dat zeggen, doen we tekort aan de rijkdom van de bijbel. We doen dan alsof we het beter weten dan Gods eigen Zoon, die de bijbel aanvaardde als de waarheid.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 1:22, Handelingen 4:24-25, 2 Petrus 1:21

Filmpje: Wat is waarheid?

 

De gevolgen van bijbelkritiek

Misschien denken we op het eerste gezicht: is het nou zo erg om kritisch tegen de bijbel aan te kijken? Maakt het nu werkelijk zoveel uit als je de verhalen die in de eerste elf hoofdstukken van Genesis beschreven worden, niet als echte geschiedenis opvat? Of als je – om een ander voorbeeld te noemen – niet kunt geloven dat Jezus echt is opgestaan uit het graf?
Ja, dat maakt heel veel uit. Neem nu eens het eerste voorbeeld: wanneer we geloven dat de eerste elf hoofdstukken van Genesis niet echt gebeurd zijn, valt het fundament onder het christelijk geloof weg. Het zou onder andere betekenen dat Adam en Eva nooit hebben bestaan, dat de satan niet bestaat, en dat de zondeval nooit heeft plaatsgevonden. Wanneer dat zo is: waarom is Jezus dan naar de aarde gekomen? Als Hij niet is gekomen om de mensen te redden uit de macht van de satan, waarom dan wel? Wie niet gelooft in de waarheid van de eerste hoofdstukken van Genesis, zal haast vanzelf bij een heel andere visie op Jezus terecht komen. Bijvoorbeeld de visie dat Jezus alleen gekomen is om de mensen Gods liefde te laten zien. Of de visie dat Hij niet de Zoon van God was, maar alleen een goed mens aan wie wij een voorbeeld moeten nemen.

Wie de echtheid van Genesis 1 ontkent, komt ook in moeilijkheden met het vierde gebod van de wet van God, waarin staat dat God de hemel en de aarde in zes dagen gemaakt heeft. En deze wet is door God eeuwen na de schepping eigenhandig geschreven!

Jezus zelf heeft ons voorgehouden dat we de eerste hoofdstukken van Genesis voor waar moeten aannemen:

‘Hebt u niet gelezen dat de schepper de mens bij het begin als mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt?’
(Matteus 19:4)

En ook de apostel Paulus geloofde dat de gebeurtenissen in het paradijs echt hebben plaatsgevonden. Hij laat nadrukkelijk het verband zien tussen de overtreding van Adam en het werk van Jezus:

‘ Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven.’
(Romeinen 5:18)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 19:4, Romeinen 5:18

De bijbel is betrouwbaar

Zoals we in het begin van dit deel zagen, wordt er tegenwoordig vaak gezegd dat de bijbelschrijvers niet de bedoeling hadden om een geschiedenisboek te schrijven. Ze hadden een andere bedoeling: ze wilden ons tot geloof brengen in God en in Jezus Christus.
Het laatste is zeker waar. De schrijvers van de bijbel wilden hun lezers laten weten wie God is, wie Jezus Christus is. Ze wilden hen ervan overtuigen dat ze in God en in Jezus Christus moeten geloven. De bijbelschrijver Johannes zegt aan het eind van zijn evangelie:

‘Deze zijn opgeschreven opdat u gelooft, dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven leeft door zijn naam.’
(Johannes 20:31)

Maar dat de bijbelschrijvers de bedoeling hadden om ons tot geloof te brengen, betekent niet dat ze de waarheid met een korreltje zout hebben genomen. Het betekent niet dat er allerlei onjuistheden in hun boeken staan. Integendeel. De bijbelschrijvers zijn bij het schrijven van hun boeken juist uiterst nauwkeurig te werk gegaan. En de Heilige Geest heeft hen geleid. Hij heeft ervoor gezorgd dat de bijbel geen onwaarheden bevat.
De bijbel is geen boek waaruit je naar eigen goeddunken gedeelten als niet-historisch aan de kant kunt schuiven. De bijbel is Gods Woord. Van begin tot eind. We kunnen dat niet bewijzen. Maar we mogen het wel zeker weten. Want God zegt het zelf. En Hij is betrouwbaar.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 20:31

Filmpje: Hoe om te gaan met de bijbelkritische benadering?

 

Vragen

  1. Het is belangrijk om vast te houden dat wat er in de bijbel staat, echt gebeurd is. We hebben dat laten zien aan de hand van Genesis 1-11.
    Kun je aangeven waarom het ook van belang is om te geloven dat Jezus echt is opgestaan uit het graf?
    Zie hiervoor 1 Korintiers 15:12-22


Deel 21B: Jezus Christus regeert

Jezus’ sterven betekende voor Hem niet het einde. God wekte Hem op uit de dood. Zijn leerlingen en vele andere mensen mochten er getuige van zijn dat Hij weer leefde. Maar ze mochten ook getuige zijn van zijn koningschap.

 

Jezus: de koning die alle macht heeft

Lezen: Matteus 28:16-20

De schrijver Matteüs vertelt in zijn evangelie niets over het feit dat Jezus’ leerlingen aanvankelijk niet wilden geloven dat Jezus was opgestaan. Hij vertelt niet hoe Jezus zijn leerlingen er zelf van moest overtuigen dat Hij werkelijk weer leefde. Matteüs vertelt alleen wat er gebeurt wanneer de elf leerlingen het goede nieuws eindelijk zijn gaan geloven: ze gaan op weg naar Galilea, zoals Jezus hun al vóór zijn dood had opgedragen.
Daar, op een berg, ontmoeten ze hun meester. Wanneer ze Hem zien, vallen ze op hun knieën en aanbidden ze Hem: ze erkennen Hem als God. Sommigen van de leerlingen hebben nog last van twijfels. Dat is niet zo vreemd. Wat er gebeurd is, is eigenlijk ook ongelooflijk. Wie had er kunnen bedenken dat God zijn eigen Zoon mens zou laten worden om de schuld van de mensen te dragen Wie had kunnen bedenken dat Gods Zoon zou moeten sterven aan een kruis?

Jezus blijft niet op een afstand staan. Hij loopt naar zijn leerlingen toe en zegt:

‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb.. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen tot aan de voleinding van deze wereld.’
(Matteus 28:20)

Jezus spreekt hier koninklijke woorden. Want Hij is nu koning. De machtigste koning die er is: Hij heeft van God alle macht gekregen over de hemel en de aarde.

Jezus geeft de elf mannen die altijd bij Hem zijn geweest het bevel de wereld in te gaan en mensen uit alle volken tot zijn volgelingen te maken. Wie in Jezus gelooft, mag een nieuw leven beginnen. Hij mag horen bij God de Vader, bij zijn Zoon Jezus Christus en bij de Heilige Geest. De doop zal een teken zijn van het begin van dat nieuwe leven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 28:16-20, Matteus 28:20

De zoon van David, de zoon van Abraham

Matteüs begon zijn evangelie met een stamboom van Jezus. Hij noemde Jezus daarin ‘de zoon van David, de zoon van Abraham.’ (Zie les 15B) Aan het slot van zijn boek blijkt dat Matteüs geen woord teveel heeft gezegd toen hij Jezus zo aanduidde.

Jezus is de zoon van David (Zie les 12B): de beloofde koning die voor altijd zal regeren. Dat Jezus koning is, blijkt uit het feit dat Hij alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Dat Jezus voor altijd zal regeren blijkt als Hij zijn leerlingen belooft dat Hij altijd bij hen zal blijven – tot aan het einde van de wereld.

Jezus is ook de zoon van Abraham. God had aan Abraham beloofd: ‘Met u zullen alle volken gezegend worden.’ Die belofte wordt nu werkelijkheid: mensen uit alle volken mogen bij God horen en zullen als teken daarvan gedoopt worden. Door Jezus worden de volken dus inderdaad gezegend.

 

De koning bestijgt de troon

Ruim een maand nadat Hij is opgestaan uit de dood, gaat Jezus naar de hemel. Deze hemelvaart wordt onder andere beschreven door Lucas. Lucas beschrijft de hemelvaart zelfs twee keer: zowel in het evangelie naar Lucas als in ‘de Handelingen der apostelen’ – het boek over dat wat Jezus Christus na zijn hemelvaart door middel van zijn volgelingen gedaan heeft.

Lezen: Handelingen 1:1-11
1:1 Teofilus: de man voor wie Lucas dit boek oorspronkelijk geschreven heeft.
1:2 apostelen: ‘gezanten’: de naam waarmee Jezus’ speciale leerlingen in het vervolg worden aangeduid. Deze naam geeft aan dat Jezus’ leerlingen, als ooggetuigen van alles wat Jezus op aarde gedaan heeft, door Hem de wereld zijn ingezonden om het goede nieuws bekend te maken.
1:2 opgenomen: dat wil zeggen:in de hemel.
1:11 Gallileeërs: de leerlingen kwamen uit Galilea.

In de tijd na de opstanding is Jezus niet meer dag in dag uit bij zijn leerlingen. Soms is Hij ineens in hun midden en spreekt Hij met hen. Dan verdwijnt Hij weer.
Zo verschijnt Hij ook aan de leerlingen wanneer ze uit Galilea terug zijn gegaan naar Jeruzalem. Hij geeft ze de opdracht in de hoofdstad te blijven, tot God de Vader gedaan zal hebben wat Hij beloofd heeft: tot Hij de leerlingen met zijn Heilige Geest gedoopt zal hebben.
Jezus is bij het begin van zijn werk door zijn Vader gedoopt met de Heilige Geest. Daardoor werd Hij aangesteld voor zijn taak. Maar ook zorgde de Heilige Geest ervoor dat Hij die taak aankon, dat Hij er geschikt voor werd. Nu zullen ook de leerlingen als het ware in de Heilige Geest ondergedompeld worden.
De leerlingen weten dat Jezus de beloofde nakomeling van David is – de koning die voor altijd zal regeren. Ze hopen daarom dat zijn koninkrijk, waarover ze al zoveel gehoord hebben, nu zal aanbreken.
Maar Jezus kan zijn leerlingen geen datum geven. Alleen zijn Vader weet wanneer het koninkrijk er definitief zal komen. Maar Jezus kan zijn leerlingen wel iets anders zeggen: ze zullen kracht krijgen wanneer de Heilige Geest over hen komt. Ze zullen overal getuigenis afleggen over Jezus: in Jeruzalem, in de nabijgelegen gebieden Judea en Samaria, en zelfs tot ver in het buitenland. Overal zullen ze vertellen over de redding die Jezus brengt.

Dat is het laatste wat de leerlingen van Jezus horen. Na deze woorden wordt Hij omhooggetild naar de hemel: de machtige koning van hemel en aarde bestijgt zijn troon.
Twee engelen brengen de leerlingen daar even later verslag van uit. Maar ze beloven ook dat Jezus de aarde niet voorgoed verlaten heeft. Hij zal weer terugkomen!

Je zou je kunnen voorstellen dat de leerlingen nu bedroefd zijn. Ruim een maand nadat ze hun meester terug hebben gekregen uit de dood, verlaat Hij hen weer. Ze horen weliswaar dat Hij terug zal komen – maar wanneer dat is, weten ze niet. Maar uit het slot van het evangelie van Lucas weten we dat ze niet verdrietig, maar juist heel blij teruggaan naar Jeruzalem. Al hun tijd brengen ze door in de tempel, waar ze God danken en loven.
Ze kunnen nog niet aan het werk. Jezus zelf zal hun het startsein voor hun werk geven: Hij zal de Heilige Geest sturen. Pas als de apostelen met de Heilige Geest gedoopt zijn, zullen ze de wereld in kunnen gaan. Wel bereiden ze zich in deze tijd voor op hun taak. Ze weten dat de lege plaats in hun midden opgevuld moet worden. Ze moeten weer met z’n twaalven zijn als het werk begint. Onder Gods leiding wordt er daarom een nieuwe apostel uitgekozen, die voor Judas in de plaats komt: Mattias. Hij heeft Jezus vanaf zijn doop in de Jordaan gevolgd. Net als de elf apostelen heeft ook hij alles meegemaakt. Dat maakt hem geschikt als getuige.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 1:1-11

De koning zorgt voor zijn onderdanen

Anderhalve week later wordt in Jeruzalem het oogstfeest gevierd: Pinksteren. De tarweoogst is binnen. Van de eerste opbrengst worden broden gebakken, en die worden naar de tempel gebracht als een offer aan God. Net als met Pasen is Jeruzalem weer vol met Joden. Ze komen overal vandaan. Veel Joden die in het buitenland wonen, zijn ook naar Jeruzalem gekomen om het feest mee te vieren.
Op dit feest geeft Jezus zijn volgelingen het geschenk dat Hij hun beloofd heeft: de Heilige Geest.

Lezen: Handelingen 2:1-13
Een groot aantal volgelingen van Jezus is ‘s morgens vroeg, nog vóór negen uur, bij elkaar gekomen. Onverwachts gebeurt er iets wonderlijks: uit de hemel komt een geluid alsof er een hevige wind opsteekt. Het huis waarin ze bij elkaar zijn, wordt er helemaal vol van. En dat is niet het enige vreemde verschijnsel: de mensen zien op elkaars hoofden een soort vuurvlammen!
Het blijft niet bij uiterlijke tekens. Iedereen in het huis merkt dat de Heilige Geest gekomen is. Alle mannen en vrouwen zijn vervuld van de Geest. Ze merken dat ze dingen kunnen waar ze uit zichzelf helemaal niet toe in staat zijn: ze spreken allerlei vreemde talen!

In deel 4B zagen we dat God de mensen strafte door ervoor te zorgen dat ze allemaal andere talen gingen spreken. De gemeenschap viel toen uit elkaar. Eens zal God een eind maken aan die straf. De gebeurtenis op Pinksteren laat daar al iets van zien: de Heilige Geest zorgt ervoor dat iedereen het goede nieuws kan verstaan. De Heilige Geest begint de mensen weer tot een gemeenschap te maken.

De Heilige Geest zelf wordt door niemand gezien. Maar dat Hij aanwezig is en zijn werk doet, is voor iedereen hoorbaar en zichtbaar. Ook voor de talloze mensen die in Jeruzalem zijn, is het duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand is. Massaal komen ze op het geluid af. Voor het huis waar de volgelingen van Jezus verzameld waren, horen ze hen spreken over de geweldige dingen die God gedaan heeft. De mensen zijn zeer verbaasd. De volgelingen van die gekruisigde Jezus van Nazaret zijn toch Galileeërs? Dat zijn niet bepaald de mensen die gestudeerd hebben! Hoe is het mogelijk dat ze ineens allerlei vreemde talen spreken? Sommige mensen vragen zich in alle ernst af wat dit te betekenen heeft. Maar er zijn ook mensen die er niet eens over na willen denken. Die Galileeërs zijn gewoon dronken!

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 2:1-13

Bekeert u!

Dan staan de twaalf apostelen op. Petrus houdt namens de anderen een toespraak, waarin hij de mensen vertelt wat er aan de hand is. Ze zijn niet dronken om negen uur in de ochtend. God heeft zijn Heilige Geest over hen uitgestort. Jezus Christus heeft vanuit de hemel zijn volgelingen gedoopt. Niet met water – maar met de Heilige Geest.
Petrus legt uit: ‘De profeet Joël heeft deze gebeurtenis al aangekondigd. Alle mensen, kinderen, bejaarden, slaven en slavinnen, kunnen nu vervuld worden met de Heilige Geest. Dat is het werk van Jezus van Nazaret – de man die zoveel wonderen heeft gedaan, en die jullie hebben laten doden! Overigens hebben jullie zo gedaan wat God van tevoren al besloten had. Bij Jezus’ dood was het dan ook niet afgelopen: God heeft Hem ook weer opgewekt uit de dood, zoals koning David al geprofeteerd had. Wij zijn allemaal getuigen van het feit dat Jezus weer leeft. Jezus is naar de hemel gegaan en door God verhoogd: Hij zit nu aan Gods rechterhand en regeert. En vanuit de hemel heeft Hij de Heilige Geest over ons uitgestort. Dezelfde Jezus die u als een misdadiger hebt laten kruisigen, is door God aangesteld als de Heer en de beloofde Christus!’

Lezen: Handelingen 2:37-47
2:42 braken het brood: men vierde het avondmaal.
2:47 Here: heer. De titel Heer of Here wordt in het Nieuwe Testament niet alleen gebruikt voor God de Vader, maar ook voor Jezus Christus.

Mensen die zeven weken geleden riepen: ‘Kruisig hem!’, zijn nu diep getroffen. Ze vragen de apostelen wat ze moeten doen. Petrus roept ze op zich te bekeren. Dat wil zeggen: ze moeten hun instelling tegenover Jezus radicaal wijzigen. Daarbij moeten ze zich laten dopen in de naam van degene die ze hebben laten doden. Op die manier kunnen ze hun berouw en hun geloof in Jezus laten zien. Door zich te laten dopen in de naam van Jezus, gaan ze bij Hem horen.

Petrus belooft de mensen: wanneer ze zich bekeren en zich laten dopen, zal God al hun zonden vergeven – zelfs de zonde dat ze Jezus hebben vermoord. Bovendien zullen zij dan ook de Heilige Geest ontvangen. Want de Heilige Geest is er niet alleen voor de apostelen. Hij is er voor alle Joden die staan te luisteren, én voor hun kinderen. En Hij is er ook voor alle andere mensen die door God geroepen zullen worden.

Massaal doet men wat Petrus zegt: drieduizend mensen laten zich dopen. Een duidelijk bewijs van het feit dat de Heilige Geest aan het werk is! De Heilige Geest gaf Petrus de woorden voor zijn toespraak. Hij zorgt er voor dat dezelfde mensen die Jezus lieten doden, nu in Hem gaan geloven en een nieuw leven beginnen. Ook geeft Hij de apostelen de kracht om, net als Jezus, wonderen te doen. Door die wonderen kan iedereen zien: God staat achter deze mensen. Dagelijks zorgt Jezus, de Heer, er door de Heilige Geest voor dat zich nieuwe mensen bekeren.

Vóór zijn hemelvaart heeft Jezus beloofd dat Hij zijn leerlingen nooit in de steek zou laten. Op de Pinksterdag blijkt hoe Hij die belofte nakomt. Door middel van de Heilige Geest is Jezus, de koning van hemel en aarde, zélf aanwezig bij zijn onderdanen. Door zijn Heilige Geest zorgt Hij voor hen. Dat merken ze iedere dag opnieuw.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 2:37-47

Filmpje: Denkstof – Hemelvaart en Pinksteren

 

Vragen

  1. Waarom worden Jezus’ leerlingen ‘apostelen’ genoemd?
  2. Waarom is Jezus’ hemelvaart belangrijk voor ons? Zie hiervoor ook deel 9C.
    1. Waaraan merken de apostelen dat de Heilige Geest gekomen is?
    2. Waaraan merken de mensen uit Jeruzalem dat?
  3. Wat heeft Pinksteren te maken met Genesis 11:1-9?

Deel 21C: Onze houding tegenover andere mensen

In de vorige twee c-delen hebben we het gehad over de eerste vier geboden. Die geboden maken ons duidelijk hoe onze houding tegenover God moet zijn. Maar God heeft ons ook wat te zeggen over de manier waarop we met de mensen om ons heen moeten omgaan. Dat blijkt uit de andere zes geboden. In dit deel behandelen we het vijfde en zesde gebod.

 

Het vijfde gebod

‘Toon eerbied voor uw vader en uw moeder, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden. Dan wordt u gezegend met een lang leven en met voorspoed in het land dat de HEER, uw God, u geven zal’.

In het vijfde gebod draagt God de Israëlieten op hun ouders te eren. Wat wordt daarmee bedoeld? Het woord dat in het Hebreeuws, de oorspronkelijke taal van het Oude Testament, voor ‘eren’ gebruikt wordt, betekent eigenlijk zoiets als: iemand van gewicht achten. Kinderen moeten hun ouders van gewicht achten – ze moeten dus respect voor hen hebben, hen hoogachten. Niet omdat ouders van zichzelf zo belangrijk of zo goed zijn. Maar omdat God hun gezag over hun kinderen heeft gegeven.

 

Gods opdracht aan kinderen

Op welke manier moeten de kinderen hun ouders eren? De bijbel laat zien dat het eren onder meer gehoorzaamheid inhoudt. Kinderen moeten wanneer ze jong zijn naar hun ouders luisteren en hen gehoorzamen. Het is in dit verband belangrijk om te zien wat de speciale taak is die God de ouders gegeven heeft: ouders moeten hun kinderen onderwijs geven over God. Ze moeten hun leren wat God gedaan heeft en wat Hij van de mensen vraagt. Toen God de Israëlieten zijn wet gegeven had, zei Hij tegen hen:

‘Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.’
(Deuteronium 6:6-7)

Israëlitische ouders moesten hun kinderen dus leren wat God van hen wilde. Maar God vroeg dat niet alleen van Israëlitische ouders – Hij vraagt het ook van ouders in onze tijd. Ook nu nog hebben ouders de opdracht om hun kinderen te leren wie God is, en wat Hij van de mensen vraagt. ‘Wat Ik u heden gebied, zal in uw hart zijn. U zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer u in uw huis zit, wanneer u onderweg bent, wanneer u neerligt en wanneer u opstaat.’
Ze moeten hun kinderen vertellen wie Jezus Christus is en wat Hij voor de mensen gedaan heeft.
Ouders hebben daarmee een zeer verantwoordelijke taak gekregen. Ze hebben hun kinderen dingen te vertellen die van levensbelang zijn. Daarom is het ook zo belangrijk dat kinderen naar hun ouders luisteren en hen gehoorzamen.

Het eren van ouders houdt meer in dan gehoorzaamheid. Het houdt ook in dat kinderen hun ouders met respect behandelen. En dat ze hen liefhebben.
Wanneer kinderen volwassen worden, verdwijnt het element van de gehoorzaamheid. Maar de liefde en het respect mogen niet verdwijnen. Ook niet wanneer ouders oud geworden zijn. In de tijd van de bijbel hadden kinderen de plicht hun ouders te onderhouden, wanneer ze oud en gebrekkig geworden waren. In onze tijd, waarin mensen die niet meer kunnen werken, een uitkering of pensioen krijgen, zal dat meestal niet nodig zijn. Maar kinderen kunnen hun ouders wel op een andere manier hun liefde tonen: bijvoorbeeld door hen regelmatig te bezoeken en door hen te helpen wanneer dat nodig is.

 

Gods belofte aan kinderen

Het vijfde gebod bevat een belofte: kinderen die hun ouders eren, zal het goed gaan. Ze zullen lang mogen leven in Kanaän, het land dat de HERE hun zal geven. Deze belofte gaf God aan de Israëlitische kinderen. Maar ook voor kinderen in onze tijd heeft God een belofte. Dat blijkt uit het Nieuwe Testament. Paulus schrijft aan de kinderen in de kerk van de stad Efeze:

‘Kinderen, wees gehoorzaam aan je ouders uit ontzag voor de Heer, want zo hoort het. Toon eerbied voor uw vader en moeder,’ dat is het eerste gebod waaraan een belofte verbonden is dan zal het u goed gaan en zult u lang leven op aarde.’
(Efeziers 6:1-3)

Kinderen moeten hun ouders gehoorzamen ‘in de Here’. Dat wil zeggen: uit liefde tot de Heer. Wie gelooft, is niet meer de baas over zichzelf. Jezus is zijn heer geworden. Daarom zal hij doen wat zijn heer graag wil. Ook op dit punt. Kinderen die hun ouders gehoorzamen, zal het goed gaan. Dat blijkt wel in het dagelijks leven. Jonge kinderen weten van zichzelf niet wat goed of slecht voor hen is. Ouders weten dat wel. Ze beschermen hun kinderen, door hun dingen te verbieden die gevaarlijk voor hen zijn: spelen met lucifers, zonder kijken de straat oversteken. Het is voor een kind heilzaam om zijn ouders te gehoorzamen.
Maar als Paulus het over Gods belofte heeft, denkt hij ook aan iets anders. Hij denkt aan het onderwijs dat ouders hun kind moeten geven. Wanneer een kind naar dat onderwijs luistert en in Jezus Christus gaat geloven, zal het hem pas echt goed gaan. Want God spreekt hem vrij van zijn schuld en zal altijd voor hem zorgen. En er staat hem een lang leven te wachten: een leven dat eeuwig zal duren.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Efeziers 6:1-3

Gods opdracht aan ouders

In het vijfde gebod richt God zich tegen de kinderen. Maar God heeft ook een opdracht voor ouders. Ouders kunnen niet alles doen wat ze willen. Ze hebben geen onbeperkte macht over hun kinderen. Want hun kinderen zijn niet hun bezit. Hun kinderen zijn en blijven het bezit van God. Ouders zullen met hun kinderen moeten omgaan zoals God het wil. Paulus brengt het zo onder woorden:

‘Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil.’
(Efeziers 6:4)

Ouders moeten hun kinderen niet boos en verbitterd maken door te streng of door onrechtvaardig te zijn. Ze moeten hen zo vormen en hen zo vermanen als de Heer dat zou doen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Efeziers 6:4

Al het gezag komt van God

In het vijfde gebod worden kinderen erop gewezen dat ze hun ouders moeten eren. Hun ouders hebben immers van God gezag over hen gekregen. Maar daarmee is niet alles gezegd over dit gebod. Er is meer gezag dan het gezag van ouders. En ook dat gezag komt van God.
Neem bijvoorbeeld het gezag van de overheid. De bijbel is er duidelijk over: de overheid is een instelling van God. God wil de overheid gebruiken om over de mensen te regeren. We moeten een wettige overheid daarom erkennen en gehoorzamen.
Het is overigens niet zo dat ouders of de overheid tot elke prijs gehoorzaamd moeten worden. Er kunnen zich situaties voordoen waarin christenen ongehoorzaam moeten zijn aan de mensen die normaal gesproken gezag over hen hebben: wanneer die iets van hen vragen dat tegen Gods wil ingaat. In zo’n geval moet een christen ‘God meer gehoorzaam zijn dan mensen’. (Handelingen 5: 27-29)

 

 

Het zesde gebod

‘Pleeg gaan moord’

In het zesde gebod verbiedt God de Israëlieten het doodslaan. Dat wil niet zeggen dat God hier iedere vorm van doden verbiedt. Het doden van dieren was bijvoorbeeld geoorloofd; en ook mochten de Israëlieten wanneer het oorlog was, hun vijanden doden. Soms waren de Israëlieten zelfs verplicht om een medemens te doden: wanneer iemand van hen een zonde had gedaan waarop God de doodstraf had gesteld.
In bepaalde gevallen was doden dus geoorloofd of zelfs geboden. Maar wat is dan het ‘doodslaan’ dat God in het zesde gebod verbiedt? Uit de bijbel blijkt dat we daaronder moeten verstaan: doden zonder daar het recht toe te hebben. In het zesde gebod verbiedt God zaken als:

  • moord: iemand doden met voorbedachten rade;
  • doodslag: iemand doden in een opwelling van woede;
  • dood door schuld: zonder opzet, maar wel door eigen schuld de dood van een ander veroorzaken. Een voorbeeld: een Israëliet moest op het dakterras van zijn huis een hek aanbrengen. Wanneer hij dat niet had gedaan, en een bezoeker viel van het dak af, dan was dat de schuld van de eigenaar van het huis.

Elk van deze zaken werd door God beschouwd als doodslag. En op iedere vorm van doodslag stond in de tijd van het Oude Testament de doodstraf. Daaraan is te zien hoe kostbaar een mensenleven in Gods ogen is.

 

De mens: het beeld van God

Waarom is doden verkeerd? Waarom is het leven van een mens zo kostbaar? Dat is omdat de mens geschapen is ‘naar het beeld van God’. De mens heeft van God de hoogste positie gekregen van alle schepselen: hij mag God vertegenwoordigen op aarde.
Iemand die een medemens doodt, begaat dan ook een vreselijke misdaad. Niet alleen tegenover zijn medemens, maar ook tegenover God. Want hij doodt iemand die naar het beeld van God is gemaakt. Hij doodt iemand die de belangrijke taak had om God op aarde te vertegenwoordigen: iemand die op aarde was om God te eren en loven.

 

Het zesde gebod in onze tijd

Het zesde gebod geldt ook voor ons. Ook in deze tijd heeft geen enkel mens het te zeggen over het leven van een ander. Want het leven is afkomstig van God. God is de Heer van het leven. Hij heeft ieder mens met veel zorg gemaakt. En Hij is de enige die het recht heeft te beslissen over dood en leven.
Als we geloven dat het leven afkomstig is van God, moeten we bepaalde zaken die in onze samenleving gewoon zijn geworden, afwijzen. Abortus en euthanasie bijvoorbeeld.

 

Abortus

Een ongewenste zwangerschap kan voor een vrouw een levensgroot probleem zijn. Veel vrouwen kiezen in een dergelijke situatie voor abortus. Wanneer je er echter van uitgaat dat al het leven het bezit is van God, zal abortus geen antwoord kunnen zijn op het probleem van een ongewenste zwangerschap. Want ook een ongeboren kind is een mens: het heeft recht op bescherming. Het heeft recht op leven. Ook als het misschien gehandicapt geboren zal worden. God zelf heeft dit kind het leven gegeven. En geen mens heeft het recht een ander mens het leven te ontnemen. Ook niet als dat leven nog maar in het eerste stadium is. Natuurlijk mag niet worden voorbijgaan aan de grote problemen van een vrouw die ongewenst zwanger is. Of aan het verdriet van een vrouw die weet dat ze een gehandicapt kind verwacht. Er zal alles aan gedaan moeten worden om vrouwen die in zo’n moeilijke positie verkeren te helpen.

 

Filmpje: Het wonder van nieuw leven

 

Euthanasie

Het komt steeds meer voor dat doktoren of verpleegkundigen een ernstig zieke patiënt op diens verzoek uit zijn lijden verlossen. Maar iemand die gelooft dat leven en dood in Gods handen liggen, zal de mogelijkheid van euthanasie – opzettelijke beëindiging van het leven – moeten afwijzen. Mensen hebben niet het recht om het leven van een medemens te beëindigen. Zelfs niet wanneer die medemens daar om vraagt. Alleen God heeft dat recht. Dat betekent niet dat doktoren het leven van een patiënt eindeloos moeten zien te rekken. Een mens moet ook kunnen sterven. Maar er is een verschil tussen iemand doden en iemand laten sterven.
Natuurlijk is hiermee niet alles gezegd over dit onderwerp. Er kunnen zich op dit gebied zeer moeilijke situaties voordoen. Er zijn niet altijd pasklare oplossingen te geven. Maar het is belangrijk om ook in moeilijke situaties te blijven denken vanuit de geboden die God gegeven heeft.

 

Filmpje: Euthanasie in Nederland

 

Jezus’ uitleg van het zesde gebod

Het is niet zo dat we klaar zijn met het zesde gebod wanneer we nog nooit een mens gedood hebben. Dat maakt Jezus ons duidelijk in de Bergrede. Hij zegt daar tegen zijn volgelingen:

‘Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan’.
(Matteus 5:21-22)

Met andere woorden: iemand die ten onrechte boos wordt op een ander of hem uitscheldt, verdient dat God hem straft met de eeuwige dood.
Dat lijkt vreemd. Iemand het leven benemen is toch veel erger dan iemand uitschelden? Op het eerste gezicht wel. Maar Jezus leert ons om anders te gaan denken. We mogen onze medemens geen pijn doen. Niet met daden, maar ook niet met woorden. En zelfs niet in gedachten. Jaloezie, haat, woede en wraakzuchtige gevoelens staan voor God op dezelfde lijn als doodslag. God verbiedt in het zesde gebod dus niet alleen de doodslag – maar ook alles wat daaraan vooraf gaat.
God wil dat we de mensen om ons heen liefhebben. Niet alleen de aardige mensen, maar ook de mensen met wie we niet goed op kunnen schieten. Zelfs voor onze vijanden moeten we bidden. Wanneer we dat doen, gedragen we ons als kinderen van God, onze Vader, die voor goede én slechte mensen zorgt.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 5:21-22

Vragen

    1. God heeft met zijn geboden het geluk en het welzijn van de mensen op het oog (zie deel 18C). Kun je dat aantonen aan de hand van het vijfde gebod?
    2. Hoe moet je vanuit het vijfde gebod denken over een ‘vrije opvoeding’?
    1. In de tijd van het Nieuwe Testament kwam er veel slavernij voor. Hoe oordeelt de bijbel over slavernij? Zie hiervoor Galaten 3:26-28 en 1 Korintiers 7:21-24.
    2. Hoe moesten slaven en heren (zolang er nog slavernij bestond) met elkaar omgaan? Zie Kolossenzen 3:22-4:1.
    3. Wat zegt de brief van Paulus aan Filemon hierover? (Voor de achtergrond van deze brief: zie deel 19A).
  1. Het zesde gebod (U mag niet doodslaan) lijkt op het eerste gezicht een gebod waar je snel klaar mee bent.
    Klopt dat? Wat heeft het zesde gebod te zeggen tot mensen die nog nooit een moord hebben gepleegd?
  2. In Exodus 22:2-3a gaat het over ‘noodweer’: jezelf verdedigen omdat je wordt aangevallen of beroofd. Kun je uitleggen waarom de vorm van noodweer die in vers 2 wordt genoemd, niet strafbaar is, en de vorm die in vers 3a wordt genoemd wel strafbaar?