Bijbelcursus Les 23

Deel 23A: De bijbel: goed nieuws voor iedereen

In de vorige delen hebben we gezien dat de apostelen en hun medewerkers een begin hebben gemaakt met de verspreiding van het evangelie. Anderen hebben hun werk overgenomen, en zo heeft het goede nieuws al veel mensen overal ter wereld bereikt. Dat betekende ook dat de bijbel in zoveel mogelijk talen moest worden overgezet. Over het mooie, maar soms moeilijke werk van de bijbelvertalers zullen we in dit deel iets vertellen.

 

Een andere tijd

Wij lezen de bijbel in onze tijd. Maar we moeten niet uit het oog verliezen dat de bijbel al duizenden jaren oud is. De bijbel is afkomstig uit een heel andere tijd, cultuur en denkwereld dan de onze. De bijbel is ook geschreven in andere talen dan die wij spreken. Sommige moeilijkheden waar wij bij het lezen van de bijbel op stuiten, zijn op deze verschillen terug te voeren. We hebben in deel 10 en 15A al gekeken naar hoe de wereld eruit zag in de tijd van het Oude en Nieuwe Testament. We zullen in dit deel eerst iets vertellen over de talen waarin de bijbel geschreven is en over de problemen die bijbelvertalers tegenkomen bij hun werk. Want het is niet altijd gemakkelijk om een oud boek zó te vertalen, dat in de vertaling precies hetzelfde gezegd wordt als in de oorspronkelijke taal. Vaak lukt dat wel, maar er zijn ook gedeelten die moeilijker te vertalen zijn. Dat komt bijvoorbeeld omdat beelden of vergelijkingen gebruikt zijn die wij in onze tijd en cultuur niet meer goed begrijpen.
Daarna besteden we aandacht aan verschillende vertalingen van de bijbel, en met name de ontwikkeling van de bijbelvertaling in de Nederlandse taal. Want een goede bijbelvertaling kan de bijbel vaak een stuk begrijpelijker maken.

 

De talen van de bijbel

Het Oude Testament is voor het grootste gedeelte geschreven in het Hebreeuws, de taal die de Israëlieten in die tijd spraken. Een klein gedeelte is geschreven in het Aramees, een variant van het Hebreeuws. Deze taal werd in Israël gesproken in de tijd van het Nieuwe Testament.
Het Nieuwe Testament is in het Grieks geschreven. Het Grieks – dat overigens behoorlijk afwijkt van de taal die tegenwoordig in Griekenland gesproken wordt – was in de tijd van het Nieuwe Testament de wereldtaal. Zoals nu bijna iedereen Engels kan spreken, sprak toen vrijwel iedereen Grieks.
Opvallend is dat de bijbel niet geschreven is in een plechtige, verheven stijl, maar in de taal van alledag. In de taal die de gewone mensen gebruikten. Dat is bijvoorbeeld te zien in het evangelie van Lucas. Lucas, die een hoge opleiding heeft gevolgd en dus ook op hoog niveau Grieks kan schrijven, begint zijn evangelie met een lange, ingewikkelde zin, vol bijzinnen:

‘Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen, om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.’
(Lucas 1:1-4)

Lucas laat hiermee zien dat hij het klassieke Grieks beheerst en dat hij het ook kan schrijven. Maar na deze inleidende zin schakelt hij meteen over op het gewone Grieks. Want hij wil de boodschap van Jezus Christus doorgeven op een manier die voor iedereen te begrijpen is.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 1:1-4

 

Vertalen

De bijbel is dus oorspronkelijk geschreven in begrijpelijke taal. Maar omdat de meeste mensen die later met het evangelie in aanraking kwamen, geen Hebreeuws en Grieks kenden, moest de bijbel eerst vertaald worden. Jezus Christus heeft met Pinksteren eigenlijk al het startsein gegeven voor dat werk (Handelingen 2:1-13). Toen de Heilige Geest gekomen was, konden de buitenlanders die in Jeruzalem waren, de apostelen ieder in hun eigen taal horen spreken. Ze konden in hun moedertaal horen over de geweldige dingen die God gedaan had.
De bijbel is sindsdien in honderden verschillende talen vertaald. Maar nog lang niet in alle talen. Er zijn daarom nog altijd mensen die zich bezig houden met het vertalen van de bijbel. Deze mensen gaan naar andere landen om daar de taal van een bepaald volk of een bepaalde stam te kunnen bestuderen, zodat ze de bijbel ook in die taal kunnen vertalen. Want ieder volk moet in zijn eigen taal het goede nieuws van de bijbel kunnen lezen.

 

Filmpje: Waarom is bijbelvertaalwerk nodig?

 

Problemen

Er is al gezegd dat de bijbel in een totaal andere wereld is geschreven dan de onze. De gewoonten, de manier van leven, het klimaat, het landschap en de politieke omstandigheden verschilden enorm van de situatie in onze tijd. Dat maakt het extra moeilijk om de bijbel op een goede manier te vertalen. Want bepaalde dingen die in de tijd van de bijbel voor iedereen duidelijk waren, kunnen voor de lezers van nu allerlei vragen oproepen.
Zo wordt in de bijbel het beeld van een schaapherder gebruikt om uit te leggen wie God is. Voor de Israëlieten was dit een duidelijk beeld: schaapherders zagen ze iedere dag. Ze begrepen meteen wat er mee bedoeld werd. Maar wat zegt zo’n beeld iemand die zijn leven lang in de stad heeft gewoond en nooit heeft gezien hoe een schaapherder voor zijn kudde zorgt?

Wat moet een vertaler doen met zo’n beeld? Moet hij het vervangen door een eigentijds beeld? Zou hij in plaats van: ‘De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.’ (Psalm 23:1) moeten vertalen: ‘De HERE is mijn chauffeur, Hij leidt mij veilig door het verkeer?’ En moet een bijbelvertaler die in een land werkt waar de mensen geen schapen, maar varkens hebben, zeggen: ‘De HERE is mijn varkenshoeder?’
Een bijbelvertaler stuit op nog zo’n probleem in Johannes 6, waar Jezus zichzelf vergelijkt met brood. Moet een vertaler Jezus’ uitspraak: ‘Ik ben het brood dat leven geeft’ (Johannes 6:35) in landen waar men geen brood kent, vervangen door: ‘Ik ben de rijst dat leven geeft?’
Nee. Als je de bijbel recht wilt doen, kan dit niet. Het kan best nuttig zijn om in een bepaalde situatie eens een eigentijds beeld te gebruiken. Maar wanneer de bijbel vertaald moet worden, is het belangrijk om zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst van de bijbel te blijven. Een bijbelvertaler moet gewoon vertalen wat er in het Hebreeuws of Grieks staat. Ook als dat betekent dat een bepaald bijbelgedeelte niet meteen op het eerste gezicht begrepen zal worden. Natuurlijk betekent dat niet dat de bijbellezer maar aan zijn lot overgelaten moet worden. De bijbel zal uitgelegd moeten worden. En dat gebeurt ook. In sommige bijbelvertalingen treffen we kanttekeningen aan, of een verantwoording voor een gemaakte keuze uit meer dan één vertaalmogelijkheid. Ook zijn er tegenwoordig boeken te koop waarin de bijbel op een eenvoudige en heldere manier wordt verklaard. En bovendien zijn er de kerkdiensten. In de kerk wordt iedere zondag uitgelegd wat er in de bijbel staat.

 

Filmpje: Begrijpelijk vertalen

 

Bekende bijbelvertalingen deel 1

We zullen nu iets vertellen over de meest bekende bijbelvertalingen.

  • De Septuaginta
    Al in de derde eeuw voor Christus is men begonnen de bijbel te vertalen. Het Oude Testament werd toen vertaald in het Grieks, dat in die tijd al een wereldtaal was. Deze vertaling van het Oude Testament wordt de Septuaginta, dat wil zeggen: ‘zeventig’, genoemd: er zouden ruim zeventig geleerden aan gewerkt hebben.
  • De Vulgata
    Rond het jaar 400 is de bijbel vertaald in het Latijn, dat toen inmiddels het Grieks als wereldtaal verdrongen had. Deze Latijnse vertaling, die later de naam Vulgata, dat wil zeggen: ‘de algemeen gangbare’ kreeg, is gemaakt door Hiëronymus, een bisschop uit Milaan. De Vulgata is eeuwenlang de enige gangbare bijbelvertaling geweest. Ook in een tijd waarin de mensen geen Latijn meer spraken. In de rooms-katholieke kerk werd de Vulgata beschouwd als een vertaling die authentiek en onvervangbaar was. Het was de enige vertaling die in de kerk gebruikt mocht worden. Iets wat in strijd is met de bedoeling van God (Handelingen 2:11). Want God wil dat het goede nieuws aan alle mensen in hun eigen taal wordt gebracht. Een Latijnse vertaling is niet heiliger of beter dan een Nederlandse vertaling. De bijbelvertalers werden niet geïnspireerd door de Heilige Geest, maar zij moeten vertalen wat de schrijvers van de bijbel onder leiding van de Heilige Geest hebben opgeschreven!
  • De Statenvertaling
    In de zeventiende eeuw verscheen een belangrijke Nederlandse vertaling van de bijbel: de Statenvertaling. Deze vertaling kreeg de naam ‘Statenvertaling’ omdat een groot deel van de kosten door de regering – de Staten Generaal – werd betaald. De taal van de Statenvertaling is inmiddels erg verouderd. Maar in zijn tijd was de Statenvertaling een zeer goede vertaling. En nog steeds is deze vertaling waardevol om zijn grote nauwkeurigheid en de verklarende aantekeningen die in de kantlijn zijn toegevoegd. Maar hoe goed en betrouwbaar de Statenvertaling ook is, en hoe nuttig het ook kan zijn om deze vertaling regelmatig te raadplegen, ook deze vertaling is niet onvervangbaar. De Statenvertaling is net zo min een ‘heilige’ vertaling als de Vulgata.
  • De Nieuwe Vertaling
    De zogenaamde Nieuwe Vertaling is in 1951 uitgegeven door het Nederlands Bijbelgenootschap. Deze vertaling wordt tegenwoordig in de meeste protestantse kerken gebruikt. De Nieuwe Vertaling is een goede vertaling, die nauw aansluit bij de oorspronkelijke tekst, en die daarom erg geschikt is voor bijbelstudie. Toch is ook de Nieuwe Vertaling niet echt nieuw meer te noemen. Veel woorden die in de Nieuwe Vertaling gebruikt zijn, moeten ook al weer uitgelegd worden, omdat ze verouderd zijn.
  • De Groot Nieuws Bijbel
    Een vertaling die in deze cursus ook regelmatig wordt gebruikt, is de Groot Nieuws Bijbel. De Groot Nieuws Bijbel is geschreven in de dagelijkse omgangstaal. Het uitgangspunt van de vertalers was dat ze bij het vertalen niet alleen moesten weergeven wat de schrijvers van de bijbel geschreven hadden, maar vooral ook wat zij daarmee bedoelden. De tekst van de bijbel moet op de lezers van nu nét zo overkomen als op de lezers van toen. Dit uitgangspunt heeft de Groot Nieuws Bijbel tot een heel heldere en prettig leesbare vertaling gemaakt. Maar aan de andere kant brengt deze manier van vertalen ook een risico met zich mee: de vertalers kunnen de bedoeling van de bijbelschrijvers ook wel eens verkeerd hebben begrepen. En dat werkt dan door in de vertaling. De Groot Nieuws Bijbel is daarom minder betrouwbaar dan de Nieuwe Vertaling. Maar toch is het waardevol om een eigentijdse vertaling als de Groot Nieuws Bijbel in huis te hebben, en die te gebruiken als aanvulling op de Nieuwe Vertaling. Moeilijke gedeelten worden vaak een stuk duidelijker wanneer ze nog eens nagelezen worden in de Groot Nieuws Bijbel.
  • Het Boek
    Een andere eigentijdse vertaling van de bijbel is Het Boek. Deze vertaling, die in 1988 in het Nederlands is verschenen, is eigenlijk geen echte vertaling. Het is een parafrase: een omschrijving van wat er in de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse tekst staat. De vertalers hebben de tekst van de bijbel niet woord voor woord, maar gedachte voor gedachte vertaald. In de taal van nu, en met woordspelingen en uitdrukkingen van nu. Het Boek is geschreven in eenvoudige, makkelijk leesbare taal. Het is daarom heel geschikt voor mensen die de bijbel nog niet kennen. Maar ook veel mensen die de bijbel al wel kennen, lezen er graag uit. Net als de Groot Nieuws Bijbel is ook Het Boek geschikt om gebruikt te worden als aanvulling op de Nieuwe Vertaling.
  • De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
    De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is een vertaling in hedendaags, natuurlijk Nederlands. De NBV is sinds 2004 in gebruik. De bijbelteksten in ‘de Bijbelcursus’ komen uit deze vertaling.

 

Vragen

Hieronder zie je Johannes 1:1 in verschillende vertalingen:

  1. ‘ In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.’ (Nieuwe BijbelVertaling)
  2. ‘In het allereerste begin was Christus er al. Hij was bij God en was Zélf God.’ (Het Boek)
  3. ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was een God.’ (Vertaling van de zogenaamde Jehova's Getuigen
    1. Wat is het wezenlijke verschil tussen 1,2 en 3?
      Weet je waar dit verschil uit voortkomt?
    2. Kun je de verschillen tussen 1 en 2 verklaren?
      Welke vertaling spreekt je het meest aan? Waarom?


Deel 23B: God redt ook de heidenen

In het boek Handelingen lezen we hoe Jezus Christus er door de Heilige Geest voor zorgt dat steeds meer mensen in Hem gaan geloven. Niet alleen in Israël, maar in de hele wereld. Want alle mensen, of ze nu Jood of heiden zijn, kunnen gered worden.

 

Gods volk: gelovige Joden en heidenen

Het volk van God – dat was tot aan Pinksteren het volk Israël, de Joden. Maar na Pinksteren bestaat Gods volk niet meer alleen uit de Joden. Het bestaat nu uit de mensen die in Jezus geloven. Of ze nu van Joodse of niet-Joodse afkomst zijn. Al deze mensen mogen met hun kinderen bij Gods volk, of anders gezegd: bij de kerk horen.
Voor de Joodse christenen is dat een hele omschakeling. Ze hebben vóór Pinksteren vaker meegemaakt dat heidenen in God gingen geloven. Maar iedere heiden die bij Gods volk wilde horen, moest besneden worden. Besneden worden, en op die manier Jood worden – dat was de enige manier waarop iemand bij de kerk kon gaan horen.
Nu Jezus gestorven is, is de besnijdenis niet meer nodig. Nadat Hij zijn leven heeft gegeven voor de mensen, hoeft er geen bloed meer te vloeien. Wie bij het volk van God wil horen, moet nu gedoopt worden in de naam van Jezus. Iedereen – Jood of heiden – die in Jezus gelooft en gedoopt wordt, wordt opgenomen in Gods volk (Galaten 3:26-28).
De Joodse christenen beseffen dat nog niet meteen. Pas langzamerhand beginnen ze te begrijpen dat ook de heidenen bij Gods volk mogen horen, en dat het niet nodig is dat ze eerst door de besnijdenis Joods gemaakt worden.

 

Petrus en Cornelius

Lezen: Handelingen 10:1-23a
10:6 leerlooier: iemand die dierenhuiden tot leer bewerkt.
10:9 dak: plat dak dat langs een buitentrap bereikbaar was.

In Caesarea (zie kaart 8 in Wegwijzer), een Israëlitische havenstad waar veel Romeinse soldaten gelegerd zijn, woont een zekere Cornelius. Deze man is een Romeins onderofficier. Hij is van heidense afkomst. Hij is dus niet besneden. Toch geloven hij en zijn familieleden en slaven in God. Dat blijkt wel uit het feit dat ze vaak geld geven aan de arme mensen en dat ze regelmatig tot God bidden.
Op een middag krijgt Cornelius een visioen. Hij ziet een engel, die hem aanspreekt. Hij schrikt vreselijk. Maar de engel stelt hem gerust. Hij vertelt hem dat God heeft gezien dat hij Hem dient. En hij geeft Cornelius een opdracht: hij moet een zekere Simon, die ook wel Petrus genoemd wordt, uit Joppe laten halen (Handelingen 11:13-14). Deze Petrus heeft namelijk een boodschap voor hem waardoor hij met zijn hele familie gered zal worden.
Cornelius gehoorzaamt de engel onmiddellijk. Hij stuurt een paar mannen op weg naar Joppe (zie kaart 8 in Wegwijzer), een plaatsje dat ongeveer vijfenveertig kilometer verderop ligt. De volgende dag, vlak voor deze mannen bij zijn logeeradres aankomen, krijgt Petrus een visioen. Hij ziet een laken met allemaal verschillende dieren erin. Reine dieren en onreine dieren, door elkaar.

God had de mensen al in het begin van de geschiedenis verboden onreine dieren te gebruiken voor de offers (zie deel 3B) (Leviticus 11). Later verbood Hij de Israëlieten ook onreine dieren te eten. In feite zei God daarmee: alle dieren zijn door de zonde onrein, onheilig geworden. De mensen die bij Mij horen, mogen alleen die dieren eten en offeren die Ik zelf weer rein heb verklaard. Dat wat voor de dieren gold, gold ook voor de mensen. Door de zonde zijn alle mensen onheilig geworden. Alleen de mensen die God zelf rein verklaart, horen bij Hem. De besnijdenis was eeuwenlang een teken van het feit dat een mens door God als heilig, als rein, beschouwd werd.

Petrus hoort een stem die hem opdraagt een van de dieren te slachten en te eten. Petrus weigert verontwaardigd. Maar de stem zegt: ‘Wat God rein heeft verklaard, mag jij niet verwerpen!’ Jezus Christus maakt Petrus op deze manier duidelijk dat onbesneden mensen voor God niet langer als ‘onrein’ gelden. Zoals onreine dieren nu rein zijn verklaard, worden ook onreine, onbesneden mensen rein verklaard. Petrus begrijpt dat niet meteen. Maar terwijl hij nadenkt over wat hij heeft gezien en gehoord, arriveren de mannen die Cornelius heeft gestuurd. De Heilige Geest laat aan Petrus weten dat hij met deze mannen mee moet gaan. Petrus gaat naar beneden, en ziet de Romeinse mannen staan. Hij begrijpt onmiddellijk dat hij met het oog op hen dit visioen heeft gekregen. Hij nodigt ze uit, zet ze eten voor en biedt ze logies aan.
Een dag eerder was zoiets voor hem ondenkbaar geweest. Geen Jood zou het ooit in zijn hoofd halen om met een heiden samen te eten, of hem onderdak aan te bieden (Handelingen 10:28). En geen Jood zou ooit het huis van een heiden binnengaan. Een onbesnedene is immers onrein. Als je zijn huis binnengaat, word je als het ware door hem besmet: je wordt zelf ook onrein. Maar nu weet Petrus: wat God rein noemt, mag ik niet onrein noemen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 10:1-23

 

God maakt geen onderscheid

Lezen: Handelingen 10:23b-48

Wanneer Petrus twee dagen later bij Cornelius aankomt, weet hij nog niet wat de opdracht is die God voor hem heeft. Het enige wat hij weet, is dat hij met een gerust hart het huis van Cornelius binnen kan gaan.
In het huis van Cornelius blijkt een grote groep mensen aanwezig te zijn: al Cornelius’ familieleden en goede vrienden zijn gekomen om te horen wat Petrus te zeggen heeft. De verwachtingen zijn hooggespannen. Petrus heeft immers iets te zeggen waardoor ze gered kunnen worden! Cornelius zegt: ‘We zijn hier allemaal bij elkaar in aanwezigheid van God om te luisteren naar wat u ons namens de Heer moet vertellen.’ (Handelingen 10:33)
En dan begrijpt Petrus het. De muur tussen Joden en heidenen is echt weggevallen! Het is voor God niet belangrijk tot welk volk iemand hoort. God kijkt er alleen naar of iemand Hem dient, en of dat ook uit zijn daden blijkt.
Petrus begint aan Cornelius en de andere aanwezigen te vertellen over Jezus Christus. Hij vertelt hoe Jezus van Nazaret door God gezalfd werd. Niet met olie, maar met de Heilige Geest en met kracht. Die kracht bleek toen Hij mensen genas. Het was toen al te zien dat Jezus de kracht had om de duivel te overwinnen. Petrus vertelt hoe Jezus is gestorven en door God weer opgewekt is uit de dood. En dan brengt hij het goede nieuws: iedereen die in Hem gelooft, krijgt van God vergeving van zijn zonden! (Handelingen 10:43) Wie in Jezus gelooft, mag leven in een goede verhouding met God. Dat Cornelius en de andere aanwezigen inderdaad in Jezus geloven, blijkt terwijl Petrus nog aan het woord is. Ze worden allemaal vervuld met de Heilige Geest. Net als op de Pinksterdag spreken er mensen in andere talen en loven ze God. Maar nu zijn het geen Joden, maar heidenen op wie de Heilige Geest is uitgestort. De Joodse christenen staan versteld wanneer ze dat merken.

Petrus neemt het woord. Hij zegt: ‘Nu God deze mensen geaccepteerd heeft, nu Hij ze gedoopt heeft met de Heilige Geest – wie zou dan nog durven zeggen dat ze niet met water gedoopt mogen worden?’
Cornelius, zijn familieleden, zijn kinderen, zijn personeel en zijn vrienden worden allemaal gedoopt in de naam van Jezus. Het is een zichtbaar teken van het feit dat ze voortaan bij Jezus Christus horen en dat ze lid zijn geworden van de kerk, van Gods volk.
Petrus blijft daarna nog enkele dagen logeren om de mensen die gedoopt zijn nader onderwijs te kunnen geven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 10:23b-48

 

Petrus moet zich verdedigen…….

Wanneer Petrus in Jeruzalem is teruggekeerd, dreigt er een conflict te ontstaan (Handelingen 11:1-18). De Joodse christenen verwijten Petrus dat hij bij onbesnedenen thuis is geweest, en dat hij met hen samen aan één tafel heeft gezeten. Maar Petrus legt uit wat hem is overkomen.
Hij vertelt alles – vanaf het visioen dat hij heeft gehad, tot en met dat wat er gebeurde na zijn redevoering: dat de Heilige Geest op onbesneden mensen werd uitgestort. ‘Hoe had ik God kunnen tegenhouden!’, zegt hij (Handelingen 11:17). Wanneer de Joodse christenen het hele verhaal gehoord hebben, zijn ze gerustgesteld. En meer nog: ze zijn blij, en ze danken en loven God. Ze zeggen tegen elkaar: ‘Dus dat is Gods bedoeling: ook de heidenen mogen zich bekeren en het eeuwige leven tegemoet zien!’ (Handelingen 11:18).

 

Ze spraken ook tot de Grieken

Lezen: Handelingen 11:19-30
11:22 gemeente: de kerkgemeenschap.
11:30 oudsten: de mannen die leiding gaven in de kerk.

De Joodse christenen die uit Jeruzalem moesten vluchten, komen terecht ten noorden van Israël: in Fenicië, het huidige Libanon, op het eiland Cyprus en in Antiochië, de hoofdstad van Syrië (zie kaart 9 in Wegwijzer). Overal spreken ze met andere Joden over het goede nieuws van Jezus Christus. Maar in de stad Antiochië vertellen sommige christenen ook aan Grieken over Jezus, die de Heer van hemel en aarde is. En de Heer zelf zorgt ervoor dat heel veel van deze heidenen zich tot Hem bekeren en een nieuw leven beginnen.

De christenen die in Jeruzalem zijn achtergebleven – onder andere de apostelen – horen hiervan. Als leden van de ‘moederkerk’ voelen ze zich verantwoordelijk voor wat er elders gebeurt. Ook al is de heiden Cornelius gedoopt, het is nog niet voor iedereen duidelijk hoe de Heilige Geest verder te werk zal gaan. Was Cornelius een uitzondering, of zou het werkelijk zo zijn dat alle heidenen voortaan bij Christus kunnen gaan horen? Ze sturen een zekere Barnabas naar Antiochië om poolshoogte te nemen.
Zodra Barnabas in de wereldstad Antiochië is gearriveerd en de heiden-christenen heeft gevonden, ziet hij de genade van God. Dat wil zeggen: hij ziet datgene wat God zomaar, zonder dat iemand het verdient, gegeven heeft: het feit dat ook Grieken zich tot Hem hebben bekeerd. Barnabus ziet hoe Joden en Grieken samen één kerkgemeenschap vormen. Dat kan alleen maar Gods werk zijn!
Hij dankt God, en hij bemoedigt de nieuwe christenen. Hij spoort ze aan te blijven bij hun keus. Maar Barnabas doet meer. Hij is een praktisch man. Hij ziet dat deze pas bekeerde mensen nog veel onderwijs nodig hebben. En meteen denkt hij aan Saulus, over wie Jezus gezegd heeft: ‘Hij zal mijn naam uitdragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten.’ (Handelingen 9:15) Jezus Christus heeft Saulus dus voor een speciale taak bestemd: het evangelie verkondigen aan Joden én heidenen. Als er iemand is die de heiden-christenen van Antiochië goed op weg kan helpen, is het dus Saulus wel. Vandaar dat Barnabas hem meteen opzoekt in zijn geboorteplaats Tarsus en hem overhaalt om in Antiochië te gaan werken.
Een jaar lang werken Barnabas en Saulus samen (Handelingen 11:26) . Met veel vrucht: God zorgt ervoor dat enorm veel mensen zich bekeren. De mensen die zich tot Jezus Christus bekeerd hebben, vallen op in Antiochië. Ze zijn anders dan vroeger. Vandaar dat hun medeburgers hen al gauw met een speciale naam gaan aanduiden: christenen. Een naam die de mensen die bij Jezus Christus horen tot in onze tijd toe dragen.

Dat de christenen veel voor elkaar over hebben, blijkt wanneer een profeet een zware hongersnood aankondigt. Er wordt meteen een grote inzamelingsactie gehouden voor de christenen in Jeruzalem, die het zwaar te verduren hebben. De christenen worden hier aangeduid met de naam ‘broeders’ (Handelingen 11:29). Omdat God hun Vader is, zijn de gelovigen als broers en zussen van elkaar. Joden en Grieken, mensen die vroeger niet met elkaar omgingen, beschouwen elkaar nu als leden van dezelfde familie. En zoals familieleden elkaar helpen als dat nodig is, helpen de christenen uit Antiochië hun medechristenen in Jeruzalem.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 11:19-30

 

De eerste zendingsreis

Barnabas en Saulus brengen de opbrengst van de collecte naar de christenen in Jeruzalem (Handelingen 13-14). Daarna keren ze terug naar Antiochië (Handelingen 11:30) . Maar ze blijven daar niet lang. De Heilige Geest maakt de leiders van de christelijke gemeente duidelijk dat ze Barnabas en Saulus weer moeten laten gaan (Handelingen 12:25-13:3) . God heeft een speciale taak voor hen: ze moeten door de hele wereld het goede nieuws gaan verkondigen. Aan Joden en aan heidenen.
En zo stuurt de kerk van Antiochië Barnabas en Saulus op reis (Zie kaart 10A in Wegwijzer). Overigens wordt Saulus vanaf deze reis door Lucas steeds aangeduid met zijn Griekse bijnaam: de naam Paulus. We zullen het voortaan daarom ook over Paulus hebben.

Op iedere plaats waar ze komen, gaan Paulus en Barnabas eerst naar de Joodse synagoge. De Joden mogen het goede nieuws over Jezus, de beloofde redder, het eerst horen.
Maar het vreemde is dat heel veel Joden niet blij zijn met dit nieuws. Sommigen van hen bekeren zich. Maar velen geloven niet in de woorden van Paulus en Barnabas (Handelingen 13:44-49) . Wanneer de Joden de boodschap naast zich neerleggen, keren Paulus en Barnabas zich tot de heidenen. Velen van hen komen tot geloof. Overal ontstaan nieuwe kerken.

Lucas beschrijft in Handelingen drie grote reizen – de zendingsreizen genoemd – die Paulus gemaakt heeft om overal ter wereld de mensen over Jezus Christus te vertellen. Tot in Europa toe heeft Paulus het goede nieuws mogen brengen. En God zegende zijn werk. Overal gingen mensen in Christus geloven en ontstonden er kerken.

In het volgende deel meer over Paulus’ tweede en derde zendingsreis.

 

Vragen

    1. Uit welke mensen bestaat het volk van God in de tijd vóór Pinksteren?
    2. En in de tijd na Pinksteren?
    1. Wat ziet Petrus in het visioen? (Handelingen 10:9-16).
    2. Wat wil Jezus hem daarmee leren? (Zie ook Handelingen 10:28).
    1. Wat is het eerste dat Saulus en Barnabas doen wanneer ze tijdens hun zendingsreis aankomen in een nieuwe stad?
      Zie Handelingen 13:5, Handelingen 13:13-16, Handelingen 14:1.
    2. Waarom doen ze dat?
      Zie hiervoor Handelingen 3:25-26 (een toespraak van Petrus tot de Joden); zie ook Romeinen 1:16.
      Handelingen 3:26 zijn dienaar: Jezus Christus.
    3. Wat gebeurt er dan vaak?
      Zie Handelingen 13:44-52 en Handelingen 14:1-2.

Deel 23C: God wil ons hart

In dit deel zijn we toegekomen aan de laatste twee geboden uit de wet. In deze geboden leert God ons iets over de manier waarop we met onze naaste om moeten gaan: we moeten de waarheid spreken; en we moeten onze zinnen niet zetten op het bezit van een ander. Maar God leert ons ook dat we er niet zijn wanneer we ons alleen uiterlijk aan zijn geboden houden. God wil ons hart.

 

Het negende gebod

‘Leg over een ander geen vals getuigenis af..’

In het negende gebod gaat het om de rechtspraak. God verbiedt de Israëlieten om tijdens een rechtszitting een onjuiste verklaring af te leggen.

In de tijd van het Oude Testament was de gang van zaken bij een rechtszitting anders dan tegenwoordig. Elke stad had zijn eigen rechters. Het waren de oudsten, de familiehoofden. Wanneer iemand uit de stad iets had gedaan dat volgens Gods wet verboden was, moest degene die dat gezien had, het tegen de oudsten zeggen. Hij moest dus ‘getuigen tegen zijn naaste’.
Getuigen hadden in die tijd een enorme macht. Van wat zij zeiden, hing het lot van de beklaagde af. Een vals getuigenis, een zelfbedachte verklaring over een misdaad, kon voor een onschuldige Israëliet het doodvonnis betekenen. Daarom verbood God het de Israëlieten nadrukkelijk om vals te getuigen.

Ondanks dit verbod zijn er toch altijd mensen geweest die voor geld wel een valse verklaring tegenover iemand af wilden leggen. God had daarom bepaald dat de rechters geen vonnis mochten vellen op grond van de verklaring van één getuige (Deuteronomium 19:15) . Minstens twee mensen moesten met eigen ogen gezien hebben dat de beklaagde een bepaalde misdaad had begaan. Pas wanneer er twee of drie getuigen waren, wilden de oudsten de zaak onderzoeken. Wanneer zij de zaak bewezen achtten, werd de beklaagde gestraft.

Op bepaalde ernstige misdaden had God de doodstraf gesteld. Die doodstraf werd uitgevoerd door middel van steniging (Deuteronomium 17:7). Degenen die de misdadiger hadden aangeklaagd, moesten de eerste stenen gooien.
Maar wanneer aan het licht kwam dat de getuigen een valse verklaring hadden afgelegd, werden zij zélf gestenigd (Deuteronomium 19:16-21) God had deze bepaling ingesteld om de mensen ervan te weerhouden valse getuigenissen af te leggen.
Ook had God bepaald dat rechters geen steekpenningen of geschenken mochten aannemen (Deuteronomium 16:18-20) . Ze mochten zich niet laten omkopen en op die manier meewerken aan het veroordelen van iemand die onschuldig was.

In de bijbel zien we dat het ondanks deze regels toch wel voorkwam dat mensen ten onrechte gestraft werden. In de tijd van het Oude Testament is dat bijvoorbeeld gebeurd met de Israëliet Nabot (1 Koningen 21). Koning Achab wilde een stuk land dat aan Nabot toebehoorde (zie deel 13B). Toen Nabot zijn land niet wilde verkopen, liet Achabs vrouw hem uit de weg ruimen. Ze zorgde ervoor dat hij door twee mensen beschuldigd werd van godslastering en majesteitsschennis. Nabot had deze misdaden niet begaan. Maar de oudsten geloofden de twee valse getuigen, en Nabot kreeg de doodstraf.
Ook in de tijd van het Nieuwe Testament kwamen zulke misdadige praktijken voor (Marcus 14:55-59) (zie deel 19B) . Zo kwamen er allerlei mensen met valse beschuldigingen toen Jezus voor het Sanhedrin stond (Handelingen 6: 8 -15) . En toen Stefanus uit de weg geruimd moest worden, waren er ook een aantal mensen bereid een vals getuigenis af te leggen (zie deel 22B).

 

Het negende gebod in onze tijd

Wat heeft het negende gebod ons in deze tijd te zeggen? In de eerste plaats dat we in de rechtszaal geen vals getuigenis mogen afleggen. Maar net zoals God in de andere geboden méér vraagt dan dat we ze alleen letterlijk opvolgen, zo is het ook bij dit gebod. God noemt hier de zonde waarmee iemand zijn naaste het meest kan schaden. Maar Hij verbiedt daarmee ook alle andere zonden die uit dezelfde slechte houding voortkomen. Liegen bijvoorbeeld.
Liegen is duivelswerk (Johannes 8:44). De eerste zonde die in de wereld plaatsvond, was een leugen. De satan loog tegen Eva dat ze zoals God zou zijn, wanneer ze zou eten van de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 3:4-5). Je zou kunnen zeggen dat het liegen de mensen sinds dat moment in het bloed zit. Mensen liegen en bedriegen om zichzelf te kunnen redden. Om zichzelf veilig te stellen. Vaak ten koste van anderen.
Jezus Christus heeft een eind gemaakt aan de macht van de satan (Efeziers 4:20-25). Hij heeft ervoor gezorgd dat we weer vrij kunnen zijn. Hij wil niet dat we met leugens onszelf proberen te redden. Hij wil dat we betrouwbare mensen worden, waar anderen op aan kunnen. Mensen die ook in hun spreken het goede voor hun naaste zoeken.

Iets anders dat God verbiedt in het negende gebod, is kwaadspreken over andere mensen (Psalm 15: 1-3). God wil niet dat we roddelen – ook al is dat wat we zeggen nog zo waar. Waarom niet? Omdat we onze naaste niet mogen beschadigen. Dat betekent dat we niet altijd alles over iemand moeten vertellen wat we weten. ‘Liefde bedekt tal van zonden’, zegt Petrus in een van zijn brieven (1 Petrus 4:8). Wie zijn naaste echt liefheeft, zal bepaalde dingen die hij over hem weet soms heel bewust niet aan anderen vertellen (Lucas 6:31).

 

Filmpje: Wat vraagt God van ons in het 9e en 10e gebod?

 

Het tiende gebod

‘Zet uw zinnen niet op de vrouw van een ander, en laat evenmin uw oog vallen op zijn huis, of op zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’

In de eerste negen geboden verbiedt God allerlei concrete zaken: beelden maken, echtbreken, stelen, enzovoort. We hebben bij de behandeling van die geboden al gezien dat het God niet alleen om de daad van echtbreuk, diefstal, enzovoort, gaat. Het gaat Hem evengoed omdat wat achter de daad zit. Niet alleen echtbreken is verkeerd – in ons hart iets met een andere vrouw of man willen is ook verkeerd. In het tiende gebod zegt God dat nog eens heel nadrukkelijk. Hij verbiedt ons onze zinnen te zetten op dat wat van een ander is (Jakobus 1:14-15). God leert ons in het tiende gebod dat het verkeerd is om iets te willen bezitten dat ons niet toekomt, of om iets te willen doen dat Hij verboden heeft.

 

Begeerte brengt onrust

Toen de slang Eva voorloog dat ze als God zou zijn wanneer ze een vrucht van de boom zou eten, werd Eva’s begeerte opgewekt (Genesis 3:6). Ze was ineens niet meer tevreden met haar leven en haar positie. Ze liet zich leiden door haar begeerte, en deed dat wat God verboden had.
Na de zondeval zien we overal in de bijbel hoe mensen in de macht zijn van hun begeerte. Begeerte naar macht, naar rijkdom, naar het land van een ander of naar de vrouw van een ander. Mensen zijn jaloers op datgene wat anderen hebben. Ze denken niet meer gelukkig te kunnen zijn tot zij het hebben. Begeerte brengt onrust in het leven van een mens. Dat is bijvoorbeeld te zien aan koning Achab (1 Koningen 21:1-4). Hij had zijn zinnen gezet op het stukje land dat Nabot bezat. Hij liet zich zo beheersen door zijn begeerte dat hij zich ellendig voelde zolang hij het nog niet in zijn bezit had. Hij vond het uitstekend dat zijn vrouw Izebel Nabot uit de weg liet ruimen. Hij moest zijn zin hebben.
Ook in het leven van David is te zien waar begeerte een mens toe brengen kan (2 Samuel 11:1-27) (zie deel 12B). Toen hij Batseba, een getrouwde vrouw, eenmaal gezien had, dacht hij aan niets anders meer dan aan haar. Hij moest haar bezitten. Hij nam haar. En toen ze zwanger was, liet hij haar man vermoorden, zodat hij haar tot vrouw kon nemen. En dat terwijl hij al getrouwd was!
Nu zijn dit extreme voorbeelden. Maar jaloezie kan een mens ook vandaag nog helemaal beheersen. Ontevredenheid met dat wat we hebben, het verlangen naar méér, kan ook ons leven verzieken.

 

God wil dat we vrij zijn

God heeft ons gered uit de slavernij (Galaten 5:1 en 13) . En Hij wil dat we onze vrijheid niet verspelen door onze begeerte de baas in ons leven te laten zijn. God wil dat we tevreden zijn met ons eigen huis, ook al is dat van onze buurman of collega mooier. Hij wil dat we blij zijn met onze eigen man of vrouw, met ons eigen beroep en met onze eigen auto. Ook al hebben andere mannen een knappere vrouw, een interessantere of beter betaalde baan of een duurdere auto. God heeft het beste met ons voor. Hij wil dat we rust hebben in ons leven, en dat we niet voortdurend verlangen naar meer, mooier en groter.

Dat betekent niet dat we niets mogen begeren. Als we ongetrouwd zijn, mogen we natuurlijk verlangen naar een man of vrouw (Genesis 2:18) . God zelf heeft dat verlangen in ons gelegd. Als we getrouwd zijn, mogen we verlangen naar kinderen. En als we werk hebben, mogen we zeker ons best doen om vooruit te komen en promotie te maken. Maar het is verkeerd als deze verlangens ons gaan beheersen.
Als verlangens naar bepaalde dingen de eerste plaats gaan innemen in ons leven, heeft God niet meer de eerste plaats. Verlangens die op zichzelf niet verkeerd zijn, worden dan zondige verlangens. Daartegen waarschuwt God ons.

 

God wil ons hart

Het gaat er bij het tiende gebod niet alleen omdat we onze zinnen niet moeten zetten op dat wat van een ander is. God wil meer van ons (Matteus 22:37). Hij wil ons hart. Hij wil dat we Hem boven alles stellen. Hij wil dat we er niet langer naar verlangen om zijn bepalingen te overtreden. We moeten juist een afkeer krijgen van alles wat tegen Gods wil ingaat, en erop uit zijn om alles te doen wat Hij ons opdraagt. Onze slechte begeerten moeten dus veranderen in goede begeerten.
Het tiende gebod laat ons zien hoe diep Gods wet gaat. Overal in ons leven moet Gods wet het te zeggen hebben. Tot in onze persoonlijke gedachten en verlangens toe.
Iemand die dat goed begreep, was een hoofdman van de Toradja’s, een stam in Indonesië. Hij zei: ‘Ik heb liever de 7777 geboden en verboden van de Toradjase wet dan de tien geboden van de christenen; want de tien geboden vragen het hele hart, terwijl er naast de 7777 voorvaderlijke geboden en verboden nog heel wat vrijheid overblijft!’

 

Kan een Christen zo leven?

Nu we alle tien geboden bij langs zijn gegaan, blijft de vraag over: kan een christen zich aan die tien geboden houden? Kan een christen zo leven als God het wil? Kan hij God in alles op de eerste plaats zetten en van zijn naaste net zoveel houden als van zichzelf?
Het antwoord op die vraag is: nee. Er is niemand die volledig aan Gods eisen kan voldoen. Ook een christen zal altijd weer merken hoe zondig hij is. Hoe hij telkens weer dingen doet of wil doen die niet kloppen met Gods wet. Hoe hij steeds tekortschiet in het liefhebben van God en de naaste.

 

Filmpje: Wat is het doel van de wet, aangezien niemand zo kan leven?

De wet als spiegel

Tóch heeft God deze geboden gegeven, en worden ze iedere zondag in de kerk weer voorgelezen. Waarom? We zagen in deel 15C: de wet is eigenlijk een spiegel die God ons voorhoudt (Romeinen 7:7). Zoals een spiegel ons laat zien hoe we er uitzien, zo merken we bij het horen van de wet telkens weer op hoe slecht we van nature zijn. Uit onszelf kunnen we ons helemaal niet houden aan de regels die God gegeven heeft (Romeinen 7:18) (zie deel 5C)
Maar juist wanneer we zien hoe slecht we zijn, beseffen we weer hoe hard we Jezus Christus nodig hebben. Door ons de wet voor te houden, zorgt God er voor dat we naar Jezus Christus toegaan. Wij kunnen ons niet houden aan de wet. Maar Jezus heeft dat wel gedaan – in onze plaats. En Hij is in onze plaats gestraft voor al die keren dat wij Gods wet overtreden hebben (2 Korintiers 5:21). Wanneer we op Hem vertrouwen, kijkt God niet meer naar onze wetsovertredingen (Romeinen 3:21-26). Hij kijkt dan naar wat zijn Zoon gedaan heeft. En om het werk van zijn Zoon beschouwt Hij ons als rechtvaardige mensen.

 

De wet als norm

De wet is niet alleen een spiegel waarin we onszelf zien. Het is ook de norm waaraan we moeten gaan voldoen. Als mensen die door God bevrijd zijn, moeten we steeds meer gaan leven op een manier die bij die bevrijding past (Galaten 5:13-26) . Van onszelf kunnen we dat niet. Daarom moeten we God iedere dag vragen of Hij ons de Heilige Geest wil geven. De Heilige Geest zal ons helpen. Hij maakt nieuwe mensen van ons.

Volmaakt zullen we in dit leven niet worden (zie deel 8C). We raken de ‘oude mens’ in ons nooit helemaal kwijt. We zullen onze slechte aard steeds weer tegenkomen (Romeinen 7:21-25) . Maar de Heilige Geest zal ons helpen om tegen onze slechte aard, tegen onze verkeerde verlangens en gedachten te blijven vechten. Hij zal ons steeds meer vernieuwen, en ons helpen om te leven als kinderen van God. En eens zullen we volmaakt zijn. (Openbaring 22:1-5). Dat zal zijn wanneer de nieuwe aarde gekomen is. Dan zullen we in alles Gods wil kunnen doen en samen met God over de hele schepping mogen regeren. Wie gelooft, staat een geweldige toekomst te wachten!

 

Filmpje: Maak mij rein voor U

Vragen

  1. God verbiedt ons in het negende gebod om te liegen. Hoe moeten we dan aankijken tegen een ‘noodleugen’ (een leugen waarmee je iemand anders kunt redden)?
    Zie hiervoor bijvoorbeeld Exodus 1:15-21. Zie ook Matteus 22:37-40.
  2. Uit het tiende gebod blijkt dat God ons rust en vrijheid wil geven.
    Kun je dat uitleggen?
  3. ‘De wet van God moet niet iedere zondag in de kerk worden voorgelezen. Het steeds maar weer horen van de wet maakt de mensen moedeloos.’
    Wat vind je van deze stelling? Motiveer je antwoord.