Bijbelcursus Les 24

Deel 24A: De bijbel is de moeite waard

Het bestuderen van de bijbel is niet altijd makkelijk. Er staan dingen in de bijbel die moeilijk te begrijpen zijn. We zagen in het vorige deel dat veel problemen op te lossen zijn door naast de Nieuwe Vertaling een andere, meer eigentijdse vertaling van de bijbel te gebruiken: de Groot Nieuws Bijbel, Het Boek of de Nieuwe Bijbelvertaling. Maar niet alle moeilijkheden kunnen op die manier weggenomen worden.

 

Vragen

Sommige mensen zijn vanaf hun kinderjaren met de bijbel vertrouwd. In de gezinnen waarin ze geboren werden en opgroeiden, werd elke dag uit de bijbel gelezen. Ze gingen al vroeg mee naar de kerk, en ze gingen meestal naar een christelijke school. Mensen die op latere leeftijd met de bijbel in aanraking komen, missen de basiskennis die anderen van huis uit meegekregen hebben. En dat kan het lezen van de bijbel extra moeilijk maken.
Dat betekent beslist niet dat voor de eerste groep mensen de bijbel een gemakkelijk boek is. Ook zij hebben hun vragen als het om de betekenis van bepaalde bijbelgedeelten gaat. Want er staan in de bijbel allerlei moeilijke passages. Gedeelten waar je niets van begrijpt of waar je geen raad mee weet. Dan kunnen er vragen of twijfels naar boven komen. Vragen waar soms niet direct een antwoord op te vinden of te geven is.

 

Moeilijke gedeelten

Er zijn heel wat bijbelboeken die bij het lezen weinig problemen opleveren. Maar in de boeken van de profeten van het Oude Testament en in de brieven van het Nieuwe Testament staan bijvoorbeeld wel gedeelten waar we echt moeite voor moeten doen om ze goed te kunnen begrijpen. Het is bepaald geen ontspanningslectuur. Petrus schrijft in een van zijn brieven over de moeilijke gedeelten die in de brieven van Paulus voorkomen:

‘Bedenk dat het geduld van onze Heer uw redding is. Dat heeft ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven met de wijsheid die hem is geschonken. Hij schrijft dit overigens in alle brieven waarin hij dit onderwerp ter sprake brengt. Daarin staat een en ander dat moeilijk te begrijpen is en dat door onwetende en onstandvastige mensen, tot hun eigen ondergang, wordt verdraaid; dat doen ze trouwens ook met de overige geschriften.’
(2 Petrus 3:15-16)

Petrus erkent dus dat niet alle bijbelgedeelten makkelijk te begrijpen zijn. En hij waarschuwt de christenen voor hun eigen bestwil om zulke gedeelten niet verkeerd uit te leggen. Ook Paulus zelf heeft gemerkt dat bepaalde uitspraken die hij had gedaan, niet werden begrepen of verkeerd werden opgevat. In zijn brieven heeft hij regelmatig misverstanden uit de weg geruimd. Soms is het evangelie dat Paulus verkondigt ook zo anders dan mensen gewend zijn, dat ze zijn woorden omdraaien. Een voorbeeld. In Romeinen 3:8 lezen we:

‘Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen.’

Paulus heeft de mensen verteld dat ze niet door hun goede daden, maar alleen door het geloof gered worden. Sommige mensen dachten dat Paulus hiermee beweerde: Doe maar wat verkeerd is, dan komt het goede er uit voort. Met andere woorden: leef er maar op los! Als je gelooft, word je toch wel gered! Natuurlijk heeft Paulus dit nooit bedoeld, en hij haalt dan ook fel uit naar de mensen die zijn woorden op die manier verdraaien.

In de brief aan de Galaten schrijft Paulus dat de christenen vrij zijn. Ze leven niet in dienst van de wet, want ze zijn door Jezus Christus bevrijdt:

‘Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.’
(Galaten 5:1)

Maar Paulus snijdt even later meteen een mogelijk misverstand de pas af :

‘Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde.’
(Galaten 5:13)

De christenen zijn vrij. Maar dat betekent niet dat ze nu maar mogen gaan doen wat ze willen. Ze mogen hun vrijheid niet misbruiken door toe te geven aan hun zondige verlangens. De vrijheid die zij gekregen hebben dankzij het werk van Jezus Christus, mag niet ontaarden in wetteloosheid en – dat is maar een klein stapje verder – in losbandigheid. Ze moeten elkaar daarentegen juist helpen.

Het gevaar dat christenen Paulus’ woorden over vrijheid verkeerd zullen opvatten, is niet denkbeeldig. In de kerk van Korinte is dat bijvoorbeeld ook gebeurd. De christenen daar hebben Paulus’ onderwijs over de vrijheid samengevat in de leus: ‘Alles is mij toegestaan’, (1 Korintiers 6:12). dat wil zeggen: ik mag alles.
En met dit gezegde worden allerlei verkeerde praktijken goedgepraat (1 Korintiers 10:23). Zo laat men het bijvoorbeeld gewoon toe dat een van de christenen en zijn stiefmoeder als man en vrouw samenleven. Alles mag toch? (1 Korintiers 5:1)

Natuurlijk heeft Paulus dit nooit bedoeld. En dat maakt hij de Korinthische christenen dan ook duidelijk. Vrijheid betekent niet dat je dingen mag doen die God verboden heeft. Bepaalde bijbelteksten zijn makkelijk verkeerd op te vatten. Het is daarom heel belangrijk bijbelteksten altijd in hun verband te lezen. Wat op het eerste gezicht onduidelijk is of misverstanden kan opwekken, wordt vaak begrijpelijk wanneer het gelezen wordt in het verband van het gedeelte dat er omheen staat.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Petrus 3:15-16, Romeinen 3:8, Galaten 5:1, Galaten 5:13

 

Begrijpt u wat u leest?

Om met de bijbel te leren omgaan, is het nodig dat je er ook onderwijs in krijgt. God weet dat de bijbel geen gemakkelijk boek is. Daarom zorgt Hij ervoor dat er mensen zijn die zijn Woord kunnen uitleggen. In de bijbel vinden we daar ook voorbeelden van. Zo geeft de apostel Paulus zijn medewerker Timoteüs de opdracht:

‘Geef wat je in aanwezigheid van velen van mij hebt gehoord, door aan betrouwbare mensen die geschikt zijn om anderen te onderwijzen.’
(2 Timoteus 2:2)

Een mooi voorbeeld van iemand die een ander helpt bij het begrijpen van de bijbel, staat in het boek Handelingen.

‘Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Ga tegen de middag naar de verlaten weg van Jeruzalem naar Gaza’. Filippus deed wat hem gezegd werd en ging naar die weg toe. Daar kwam hij een Ethiopiër tegen, een eunuch, een hoge ambtenaar van de kandake, de koningin van Ethiopië, die belast was met het beheer van haar schatten. Hij was in Jeruzalem geweest om daar God te aanbidden en zat nu op de terugweg in zijn reiswagen de profeet Jesaja te lezen.. De Geest zei tegen Filippus: ‘Ga naar die man daar in de wagen.’ Filippus haastte zich naar hem toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, waarop hij vroeg: ‘Begrijpt u ook wat u leest?’ De Ethiopiër antwoordde: ‘Hoe zou dat kunnen als niemand mij uitleg geeft?’ Hij nodigde Filippus uit om in te stappen en bij hem te komen zitten. Dit was het schriftgedeelte dat hij las:

Als een schaap werd hij naar de slacht geleid; als een lam dat stil is bij zijn scheerder deed hij zijn mond niet open. Hij werd vernederd en hem werd geen recht gedaan, wie zal van zijn nakomelingen verhalen? Want op aarde leeft hij niet meer.
(Jesaja 53:7-8)

De eunuch vroeg aan Filippus : ’Kunt u me zeggen over wie de profeet het heeft? Over zichzelf of over een ander? ‘ Daarop begon Filippus met hem te spreken over het evangelie van Jezus, waarbij hij deze schrifttekst als uitgangspunt nam. Onderweg kwamen ze bij een plaats waar water was, en de eunuch zei: ‘Kijk, water! Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?’ (8:36)
Andere handschriften hebben een extra vers: ‘ Filippus zei tegen hem: ‘Indien u gelooft met heel uw hart, is het toegestaan.’ Hij antwoordde: ‘Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.’
Hij liet de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch, waarna Filippus hem doopte. Toen ze uit het water kwamen, greep de Geest van de Heer Filippus en nam hem mee, en de eunuch zag hem niet meer, maar vervolgde zijn weg vol vreugde. Filippus kwam terecht in Azotus; van daar reisde hij verder en verkondigde in alle steden het evangelie, tot hij in Caesarea aan kwam.’
(Handelingen8:26-40)

De kamerheer kende het Oude Testament. Maar hij begreep bepaalde gedeelten niet. Hij had iemand nodig die hem wegwijs maakte in de bijbel.
Ook wij hebben het nodig dat ons wordt uitgelegd wat God in de bijbel tegen ons zegt. Daarom is het ook belangrijk om naar de kerk te gaan. Want in de kerk wordt de bijbel gelezen en uitgelegd.’

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Timoteus 2:2, Jesaja 53:7-8, Handelingen 8:26-40

 

Er blijven vragen

Het is niet zo dat alles wat in de bijbel staat te begrijpen valt, als je er maar genoeg moeite voor doet en als je maar regelmatig naar de kerk gaat. Er staan in de bijbel ook dingen die ons begrip te boven gaan. Er zijn vragen waar geen antwoord op te vinden is. Vragen als: wat zijn engelen nu precies? Hoe zien ze eruit? Hoe is het mogelijk dat de zondeval kon plaatsvinden? Hoe is het mogelijk dat Maria zwanger werd zonder dat er een man aan te pas kwam? Waarom is er zoveel lijden in de wereld?
Het zijn vragen die iedere gelovige kunnen bezighouden. Vragen waar God ons geen onmiddellijk of geen volledig antwoord op geeft. Maar is het noodzakelijk dat wij op deze vragen een antwoord krijgen? Jezus leert ons dat iedereen die Gods koninkrijk wil binnengaan, moet worden als een kind (Matteus 18:1-4). Zoals een kind de verhalen uit de bijbel gewoon gelooft zonder eraan te twijfelen, zo moeten wij eenvoudig geloven wat er in de bijbel staat. Ook als we het niet kunnen begrijpen. Ook als niet al onze vragen beantwoord worden.

 

God vertelt ons wat we moeten weten

Er blijven vragen. Dat is niet zo vreemd als we bedenken dat wij maar gewone mensen zijn. Ons verstand is te beperkt om te kunnen bevatten hoe oneindig groot, machtig en wijs God is. We zullen niet alles kunnen begrijpen wat God doet en hoe Hij het doet. Maar we kunnen Hem er wel voor eren:

‘ Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. ‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? Wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?’ Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen. ‘
(Romeinen 11:33-36)

God geeft ons in de bijbel geen antwoord op al onze vragen. Maar Hij vertelt ons wél alles wat voor ons noodzakelijk is. Hij vertelt ons alles wat we moeten weten om Hem te leren kennen, en alles wat we moeten weten om gered te kunnen worden. En daar gaat het om in de bijbel: dat we God leren kennen en gaan liefhebben, en dat we ons aan Hem gewonnen geven. Er staan in de bijbel dingen die wij niet kunnen begrijpen. Dingen die, zolang we leven, een vraag voor ons zullen blijven. Maar het allerbelangrijkste, het grootste geheim, heeft God aan ons bekend gemaakt:

‘Ongetwijfeld is dit het grote mysterie van ons geloof: Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam, in het gelijk gesteld door de Geest, is verschenen aan de engelen, verkondigd onder de volken, vond geloof in de wereld, is opgenomen in majesteit.’
(1 Timoteus 3:16)

God heeft ons lief. Mensen die liever de kant van zijn tegenstander kiezen in plaats van met Hem verder te gaan. God houdt zoveel van ons dat Hij het niet kan aanzien dat wij ons in de dood storten. Door zijn Zoon is Hij in menselijke gestalte naar ons toegekomen. Hij wil ons redden. Waarom? Dat kunnen wij niet begrijpen. Maar wij hoeven ons niet af te vragen hoe het mogelijk is. We mogen zijn liefde in dankbaarheid aannemen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Romeinen 11:33-36, 1 Timoteus 3:16

 

De bijbel is de moeite waard

De bijbel is niet altijd makkelijk. Sommige dingen zijn zelfs nooit te begrijpen. Maar ook door die moeilijke gedeelten heen kunnen we steeds weer Gods liefde zien. God strekt zijn hand naar ons uit. Hij wil ons redden. Die boodschap is zo geweldig, dat we zeggen kunnen: hoeveel moeite we soms ook moeten doen om de bijbel te begrijpen – de bijbel is die moeite in ieder opzicht waard.

 

Filmpje: Ancient words

 

 

Vragen

  1. Kun je uitleggen wat de betekenis is van Jesaja 53:7?
  2. De bijbel is de moeite waard. Ben je het met deze stelling eens? Motiveer je antwoord.


Deel 24B: Het evangelie komt in Europa

In de vorige deel zagen we hoe de Heilige Geest Paulus en Barnabas de wereld instuurt om overal waar ze komen over Jezus Christus te vertellen. Na een lange reis keren Paulus en Barnabas terug naar Antiochië om aan de christenen daar verslag uit te brengen.

 

De vergadering in Jeruzalem

Wanneer Paulus en Barnabas verteld hebben over hun reis, blijven ze nog een poos in Antiochië (Handelingen 15). Op een gegeven moment ontstaat er in de kerk verwarring. Er zijn Joodse christenen uit Israël gearriveerd, die opnieuw de mening verkondigen: een christen die zich niet laat besnijden, krijgt geen eeuwig leven. Anders gezegd: zonder besnijdenis geen redding.
Paulus en Barnabas bestrijden deze mening hevig. Daarom worden ze door de gemeente van Antiochië naar Jeruzalem gestuurd om dit probleem te bespreken. In Jeruzalem wordt een belangrijke vergadering gehouden, waarbij de apostelen, de oudsten van de kerk van Jeruzalem en enkele afgevaardigden uit Antiochië aanwezig zijn.
Met elkaar praat men door over alles wat God gedaan heeft onder de heidenen. En al studerend in het Oude Testament komen de leden van de vergadering tot de conclusie dat de heidenen niet besneden hoeven te worden.
Nu staat de zaak waarover al eerder zoveel te doen is geweest, officieel vast. Heidenen hoeven niet eerst Joods te worden om gered te kunnen worden. Ze hoeven, net als de Joden, maar één ding te doen om gered te worden: geloven in Jezus Christus. Met dit antwoord keren Paulus en Barnabas terug naar Antiochië.

 

De tweede zendingsreis

Paulus en Barnabas willen weer op reis (Handelingen 15:36 – 18:22). Ze willen kijken hoe het gaat met de mensen die op hun vorige reis christen zijn geworden. Maar ze gaan dit keer niet samen. Barnabas gaat op reis met zijn neef Marcus, degene die ook het naar hem genoemde evangelie geschreven heeft. Paulus kiest een zekere Silas uit om met hem mee te gaan. Onderweg voegt ook Timoteüs, een jonge christen, zich bij hen.
Paulus maakt een voetreis van meer dan duizend kilometer door Klein-Azië, een gebied dat ongeveer samenvalt met het tegenwoordige Turkije (zie kaart 10B in Wegwijzer). Onderweg gaat hij langs de kerken die tijdens zijn eerste reis zijn ontstaan (Handelingen 16:4-5). Hij vertelt de christenen over het besluit dat in Jeruzalem genomen is.
Ook geeft hij de christenen onderwijs en spreekt hij ze moed in. Dat laatste hebben de christenen hard nodig. Het is in die tijd niet makkelijk om bij Christus te horen. Iemand die christen is geworden, valt uit de toon. Hij doet niet langer mee aan de verering van zijn vroegere goden en gaat ook in andere opzichten anders leven. De kans is groot dat zijn familie en vrienden hem voortaan met de nek aankijken. Het geloof kan een christen zijn baan en zelfs zijn leven kosten (Handelingen 7:59).

Wanneer Paulus met zijn vrienden in Troas,een kustplaats, aankomt, krijgt hij ‘s nachts een visioen (Handelingen 16:9-10). Hij ziet een Griekse man staan,die hem toeroept: ‘Steek de zee over, en help ons!’ Zo maakt de Heilige Geest aan Paulus duidelijk dat hij naar Griekenland moet gaan.
Paulus en zijn metgezellen steken per schip over van Klein-Azië naar Griekenland. Inmiddels bestaat het gezelschap uit vier personen: Lucas, de schrijver van het boek Handelingen, heeft zich in Troas bij Paulus aangesloten. Dat weten we omdat het boek Handelingen vanaf nu grotendeels in de wij-vorm geschreven is.
Voor Paulus en zijn metgezellen is dit gewoon een reis van de ene naar de andere provincie van het Romeinse wereldrijk. Maar het is voor ons heel belangrijk dat Paulus deze oversteek naar Griekenland maakt: het goede nieuws komt nu ook in Europa terecht. En vanuit Europa zal het in de loop van de eeuwen over de hele wereld verspreid raken.

 

De gevangenisbewaker van Filippi deel 1

In Griekenland aangekomen gaan Paulus en Silas naar de stad Filippi (Handelingen 16:11-18). Ze blijven daar enige tijd, en vertellen de mensen over Jezus Christus. Op een sabbat komen ze in aanraking met een slavin die bezeten is door een boze geest. Het meisje kan dankzij deze boze geest de toekomst voorspellen, en haar eigenaars verdienen veel geld aan haar. Wanneer Paulus en Silas op weg zijn naar de plaats waar de gelovigen op de sabbat samenkomen, loopt het meisje achter hen aan. Ze roept met luide stem; ‘Deze mensen zijn dienaars van de hoogste God; ze vertellen u hoe u gered kunt worden!’ (Handelingen 16:17)
Het meisje spreekt de waarheid. Maar Paulus en Silas zijn hier bepaald niet mee gediend. Hier spreekt immers geen gelovige vrouw, maar een boze geest, een duivel. De satan zal nooit het evangelie verkondigen om mensen daardoor tot God te brengen. Kennelijk is het zijn bedoeling om de boodschap van Paulus daardoor in een slecht daglicht te plaatsen.
In het begin geeft Paulus weinig aandacht aan het meisje. Maar wanneer ze dag in dag uit al roepend achter hem en Silas aan blijft lopen, kan Paulus er niet meer tegen. Hij zegt tegen de boze geest: ‘In de naam van Jezus Christus beveel ik je: ga uit haar weg!’ Op het zelfde moment verlaat de geest het meisje. Ze is weer zichzelf. Maar de satan geeft zijn tegenwerking niet op. Hij probeert de genezing van het meisje te gebruiken om Paulus en Silas uit te schakelen.

Lezen: Handelingen 16:19-40
16:21 Romeinen: in deze tijd horen de landen rond de Middellandse Zee bij het Romeinse Rijk. Ook de inwoners van Griekenland golden dus als Romeinen. Het Romeinse burgerschap was voor veel mensen iets om trots op te zijn. Het gaf bepaalde voorrechten.

De eigenaars van de slavin zijn woedend wanneer ze begrijpen dat hun geldbron is opgedroogd. Ze geven Paulus en Silas er de schuld van en slepen hen naar het centrum van de stad, waar zich het stadsbestuur bevindt. De gedupeerde eigenaars krijgen niet alleen het stadsbestuur, maar ook een grote menigte mensen aan hun kant. Ze wijzen er eerst op dat Paulus en Silas – die ze minachtend Joden noemen – de stad in opschudding hebben gebracht. En vervolgens beschuldigen ze hen ervan dat ze een vreemde godsdienst proberen in te voeren. In het Romeinse Rijk is dat officieel verboden.
Paulus en Silas worden behandeld als zware misdadigers. Ze worden uitgekleed en in het publiek geslagen met een gesel, een zweep met stukjes metaal eraan. Daarna worden ze bloedend en wel in de gevangenis gegooid. In de binnenste kerker, met hun voeten in een blok, zodat er geen mogelijkheid is dat ze kunnen ontsnappen.
Maar ondanks de vernedering en de pijn verliezen Paulus en Silas de moed niet. Midden in de nacht bidden ze hardop tot God en zingen ze liederen om Hem te eren. Ze kreunen niet van de pijn, ze schelden niet op de mensen die hun dit hebben aangedaan, maar ze zingen voor God. Alle gevangenen zijn getuige van dit wonderlijke gedrag.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 16:19-40

 

De gevangenisbewaker van Filippi deel 2

Dan vindt er plotseling een aardbeving plaats. De deuren van de gevangenis raken ontzet en de boeien van de gevangenen breken los. De gevangenisbewaarder, die wakker is geschrokken, weet dat dit zijn einde betekent. Wanneer er gevangenen zijn ontsnapt, zal hij ter dood veroordeeld worden. In zijn wanhoop besluit hij er dan maar meteen zelf een eind aan te maken.
Maar Paulus houdt hem tegen. Hij roept hem toe dat er geen gevangene ontsnapt is. De bewaker is diep onder de indruk. Kennelijk heeft hij al eerder iets gehoord over de boodschap die Paulus en Silas rondbrengen. Na wat er gebeurd is, wil hij graag horen wat ze te zeggen hebben. Hij ziet in dat de boodschap die Paulus en Silas brengen ook voor hem van levensbelang is. Wanneer hij nederig vraagt hoe ook hij gered kan worden, geeft Paulus hem een duidelijk antwoord: ‘Stel uw vertrouwen op de Here Jezus. Wanneer u dat doet, worden u en uw gezin gered.’
De gezinsleden van de bewaker zijn allen geïnteresseerd in de redding waar Paulus het over heeft. Paulus en Silas vertellen er meer over. En het hele gezin gaat in Jezus Christus geloven. Paulus doopt de bewaker en zijn gezinsleden. Ze krijgen zo van God zélf de garantie dat hun zonden vergeven zijn en dat ze bij Jezus Christus horen.
De bewaker zet Paulus en Silas een maaltijd voor en het hele gezin viert feest, uit blijdschap dat ze in God zijn gaan geloven en voortaan bij Hem mogen horen.

De volgende morgen willen de stadsbestuurders Paulus en Silas vrijlaten. Waarschijnlijk denken ze dat ze nu hun lesje wel geleerd hebben. Maar Paulus weigert de gevangenis en de stad zomaar te verlaten. Silas en hij zijn zonder vorm van proces afgeranseld. En dat terwijl ze, net als de inwoners van Filippi, Romeinse staatsburgers zijn! Geen Romein mag zomaar gegeseld worden. Vandaar dat Paulus openbare genoegdoening eist. De stadsbestuurders moeten hen persoonlijk uitgeleide komen doen.
Nadat het stadsbestuur dat gedaan heeft, gaan Paulus en Silas weg. Maar eerst gaan ze nog naar het huis van Lydia, een vrouw die christen is geworden. Veel andere christenen hebben zich bij haar thuis verzameld. Paulus en Silas spreken hen bemoedigend toe en nemen afscheid van hen.

 

Ook in Tessalonica ontstaat een kerk

Paulus en zijn medewerkers reizen door naar Tessalonica, een havenstad die ongeveer honderdtwintig kilometer verderop ligt (Handelingen 17:1-10). Wanneer ze daar zijn, gaat Paulus eerst naar de Joodse synagoge. Drie weken lang voert hij er iedere sabbat het woord. Met behulp van profetieën uit het Oude Testament bewijst hij dat de Christus, op wie de Joden uit Tessalonica nog steeds wachten, moest lijden, sterven en opstaan uit de dood.
Wanneer hij dat heeft aangetoond, vertelt hij de Joden alles over Jezus. Over zijn leven, over de wonderen die Hij heeft gedaan, en over zijn dood en opstanding. Vervolgens probeert Paulus zijn toehoorders ervan te overtuigen: deze Jezus is de beloofde Christus!
Sommige Joden geloven wat Paulus zegt en bekeren zich. En ook veel niet-Joden komen tot geloof. De Joden die Paulus’ woorden niet aannemen, worden hierover zo boos dat ze een rel veroorzaken. Enkele christenen komen door valse beschuldigingen van de Joden zelfs in de gevangenis terecht. Op aandringen van de christenen verlaten Paulus en zijn medewerkers de stad. Het is onverantwoord om er nog langer te blijven.

 

Paulus in Athene

Lezen: Handelingen 17:15-34
17:18 Epikureïsche en Stoïcijnse filosofen: filosofen van verschillende richtingen.

Nadat Paulus in Tessalonica en daarna in de stad Berea is geweest, gaat hij naar Athene (Handelingen 17:11-14). Daar wil hij wachten op Silas en Timoteüs, die nog in Berea zijn achtergebleven. Athene is in Paulus’ dagen het culturele centrum van de wereld. Het is een prachtige stad met indrukwekkende gebouwen en monumenten. Er leven filosofen van allerlei richtingen; dagelijks spreken ze in het openbaar over allerlei diepzinnige onderwerpen. Maar Paulus heeft geen oog voor het rijke culturele leven in Athene. Hij ziet maar één ding: de vele afgodsbeelden die in de stad staan. Voor hem is Athene een stad die helemaal is ondergedompeld in de afgodendienst. Het raakt Paulus wanneer hij al die afgodsbeelden ziet. Het doet hem pijn dat de Atheners God niet dienen. En daarom doet hij het enige wat hij kan doen: hij probeert de mensen in Athene ervan te overtuigen dat ze in Jezus moeten gaan geloven. Op iedere sabbat gaat hij naar de synagoge, om op die manier zijn volksgenoten, de Joden, te bereiken met het goede nieuws. Maar daar laat hij het niet bij. Door de week gaat hij iedere dag naar de markt, het centrum van de stad. En hij praat er met iedereen die hij maar tegenkomt. Met gewone mensen, maar ook met geleerde filosofen.

Paulus’ woorden wekken de belangstelling van de Atheners. De mensen weten niet goed wat ze met hem aanmoeten. Maar ze zijn zeker geïnteresseerd in zijn woorden. Omdat ze meer te weten willen komen over de ‘nieuwe leer’ waar Paulus het over heeft, brengen ze hem naar de Areopagus, de plaats waar normaal de rechtspraak plaatsvindt. Wanneer ze daar zijn aangekomen, vragen ze Paulus om meer te vertellen over zijn leer. Zo krijgt Paulus van God de kans om aan geleerden uit heel de wereld over Hem te vertellen. Paulus houdt dan een bijzondere toespraak. Hij zoekt zijn aanknopingspunt in de godsdienstigheid van de Atheners. Hij zegt: ‘Atheners, ik merk aan alles hoe religieus u bent. Ik heb in uw stad zelfs een altaar ontdekt met het opschrift: voor een onbekende god. Ik zal u verkondigen wat u vereert zonder het te kennen.’

En dan vertelt Paulus de Atheners over zijn God. Hij legt uit dat het God is die de hemel en de aarde heeft gemaakt (vers 24), die het leven op aarde onderhoudt (vers 25), die heerst over alle volken (vers 26-28a), die de Vader is van de mensen (vers 28b-29), en die de rechter van de wereld is (vers 30-31). Zo probeert hij de Atheners ervan te overtuigen dat er maar één God is: de God die hij dient.
Paulus krijgt alle kans om over God te vertellen. Maar wanneer hij over de opstanding van Jezus begint, wordt het veel mensen te gek. Zoiets kunnen ze niet geloven. Toch blijft Paulus’ preek niet zonder resultaat: sommige Atheners komen tot geloof.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 17:15-34

Filmpje: Paulus’ tweede zendingsreis

 

De derde zendingsreis

Na zijn tweede zendingsreis keert Paulus terug naar Antiochië (Handelingen 18:23 – 21:16) (zie kaart 10C in Wegwijzer). Hij blijft er niet lang. Al snel vertrekt hij weer. Voor een derde zendingsreis. Hij gaat naar Klein-Azië, om de christenen daar moed in te spreken, en om mensen die Jezus Christus nog niet kennen, over Hem te vertellen. Daarna reist hij door naar de christenen in Macedonië en Griekenland. Dan keert hij terug. Maar hij gaat niet naar Antiochië. God heeft hem duidelijk gemaakt dat hij naar Jeruzalem moet gaan (Handelingen 20:22).

 

Paulus naar Rome

In Jeruzalem wordt Paulus gevangen genomen (Handelingen 21:17 – 28:31). Hij wordt er – ten onrechte – van beschuldigd dat hij de tempel ontwijd heeft (Handelingen 21:27-36). Na een slepend proces wordt hij naar Rome overgebracht (zie kaart 10d in Wegwijzer). Daar zal zijn zaak aan de keizer worden voorgelegd. De bijbel vertelt ons niet hoe het met Paulus afloopt. Maar wel lezen we dat hij in de twee jaar dat hij moet wachten op zijn proces, alle gelegenheid krijgt om over Jezus Christus te vertellen. Zo zorgt God ervoor dat het evangelie ook in Rome terechtkomt (Handelingen 28:30-31).

 

Filmpje: Handelingen in drie minuten

 

Vragen

    1. Welke groep van christenen vindt dat de heidenen ook besneden moeten worden en de wetten die God aan Israël gegeven heeft, moeten houden?
      Zie Handelingen 15:5.
    2. Kun je verklaren waarom juist deze christenen dat vinden? (Zie deel 15A).
    3. Probeer aan te geven waarom het vanuit de Joden gezien heel begrijpelijk was dat ze zoveel belang hechtten aan de besnijdenis. (Zie hiervoor deel 6B).
    4. Waarom is de besnijdenis niet meer nodig?
  1. Wat is het verschil tussen de Joden in Tessalonica en die in Berea, de stad die Paulus daarop bezoekt?
    Zie Handelingen 17:1-14.

Deel 24C: Bidden: een uiting van dankbaarheid

In dit en het volgende C-deel gaat het over het bidden. Dat onderwerp stond ook centraal in de eerste twee C-delen. We behandelden toen vragen als: wat is bidden, tot wie bid je, en hoe moet je bidden? In de laatste twee delen van deze cursus gaan we dieper in op het gebed.

 

Een uiting van dankbaarheid

Wie tot zich door laat dringen wat God voor hem heeft gedaan, kan maar één ding doen: God laten zien hoe dankbaar hij is. Door middel van daden: door te gaan leven zoals God het in zijn wet van de mensen vraagt. Maar zeker ook met woorden: door God te loven en Hem te danken voor wat Hij gedaan heeft (Psalm 116). Uit allerlei plaatsen in de bijbel blijkt hoe belangrijk dat is. Bijvoorbeeld in Psalm 103:

‘ Prijs de HEER, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden. Hij vergeeft u alle schuld, hij geneest al uw kwalen, hij redt uw leven van het graf, hij kroont u met trouw en liefde, hij overlaadt u met schoonheid en geluk, uw jeugd vernieuwt zich als een adelaar. (…)
Prijs de HEER, al zijn schepselen, prijs hem, overal in zijn rijk. Prijs de HEER, mijn ziel. ‘
(Psalm 103:2-5 en 103:22)

Vaak hebben mensen de neiging te denken dat hun daden voor God het belangrijkste zijn. Maar die gedachte klopt niet (Psalm 50:7-15). Mensen kunnen nog zoveel voor God doen – wanneer ze God niet danken, vergeten ze het belangrijkste. Ze vergeten degene die hun het leven geeft en die hen gered heeft, te eren. Wie blij is met wat God voor Hem gedaan heeft, zal dat niet alleen met daden, maar vooral ook met woorden laten zien.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 103:2-5 en 22

Een uiting van liefde

We kunnen God in ons gebed niet alleen onze dankbaarheid laten zien; bidden is ook een belangrijke manier om God onze liefde te uiten (Psalm 18:2). Je kunt het gebed vergelijken met het gesprek tussen twee mensen die van elkaar houden.
Mensen die van elkaar houden, zijn in elkaar geïnteresseerd. Ze praten veel met elkaar. Ze bespreken wat hen bezighoudt. Ze vertellen elkaar wat ze hebben meegemaakt. Ze delen hun zorgen en hun blijdschap met elkaar. Als ze ruzie hebben gehad, praten ze het weer uit. Mensen die om elkaar geven, blijven met elkaar in gesprek. Het gesprek is van wezenlijk belang voor een goede relatie.
Dat is niet alleen zo tussen mensen onderling. Het is ook zo tussen mensen en God. Zoals het vanzelfsprekend is dat mensen die van elkaar houden alles met elkaar bespreken, zo is het ook vanzelfsprekend dat een christen iedere dag met God spreekt over alles wat hem bezighoudt (Spreuken 3:6). Dat hij God zijn zorgen en problemen voorlegt. Dat hij God vertelt hoe blij hij ergens mee is. Dat hij God vergeving vraagt voor zijn zonden. Het gebed is van wezenlijk belang in het leven van een christen. Het is een uiting van liefde voor God.

 

Een uiting van afhankelijkheid

Het gebed is tenslotte ook een manier om uiting te geven aan onze afhankelijkheid van God. Mensen zijn in alles van God afhankelijk (Handelingen 17:25b). Of het nu gaat om de vergeving van hun zonden, of om zaken als gezondheid en levensonderhoud. Een mens bezit dat soort zaken niet uit zichzelf. God moet ze hem geven.
Het is daarom heel belangrijk om iedere dag te bidden en God te vragen om dat wat we nodig hebben. Bidden is in dit opzicht te vergelijken met ademhalen: het is allebei van levensbelang voor een mens.

Wat moeten we in ons gebed aan God vragen? God zelf maakt ons dat in de bijbel duidelijk. Hij wil dat we Hem vragen om vergeving van onze zonden en om vrijspraak van onze schuld (Psalm 51). Dat is heel belangrijk. Want we hebben Gods vrijspraak niet van nature in ons bezit (1 Johannes 1:9-10). God geeft alleen vrijspraak en vergeving aan mensen die Hem daar iedere dag weer om vragen.
Daarnaast moeten we God ook vragen of Hij ons de Heilige Geest wil geven (Lucas 11:9-13). Want zonder de Heilige Geest kunnen we niet leven als kinderen van God.

Maar God weet dat we ook andere dingen nodig hebben: zaken als eten, drinken, kleding en onderdak, bijvoorbeeld. En ook om die dingen mogen we God vragen. Paulus zegt tegen de christenen in de stad Filippi:

‘Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden. Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw harten en gedachten in Christus Jezus bewaren.’
(Filippenzen 4:6-7).

Met andere woorden: er is niets dat we God niet mogen vragen. Al onze wensen en verlangens mogen we Hem voorleggen. Want Hij is onze Vader. Hij weet wat we nodig hebben, en Hij zal ons dat ook geven. En Hij zal ervoor zorgen dat we zijn vrede zullen ervaren.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Filippenzen 4:6-7

Filmpje: Het verhaal van Janita met God

 

Het Onze Vader

We mogen God al onze wensen voorleggen. Maar dat betekent niet dat we God in het wilde weg allerlei dingen kunnen gaan vragen die we graag zouden willen hebben. We moeten in ons gebed niet gericht zijn op onszelf – we moeten allereerst gericht zijn op God. Gods eigen Zoon leerde ons dat met het volgende gebed:

‘Onze Vader in de hemel
laat uw naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen
en uw wil worden gedaan,
op aarde zoals in de hemel.
Geef ons vandaag het brood; dat wij nodig hebben.
Vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.
En breng ons niet in beproeving,
maar red ons uit de greep van het kwaad’.
(Matteus 6:9-13).
Andere handschriften vervolgen dan:
‘Want aan u behoort het koningschap,
de macht en de majesteit tot in eeuwigheid.
Amen’.

Dit gebed, dat meestal het ‘Onze Vader’ wordt genoemd, is als volgt opgebouwd:

  • de aanspraak;
  • drie onderdelen waarin we dingen vragen die God betreffen;
  • drie onderdelen waarin we dingen vragen voor onszelf;
  • een lofprijzing.

Jezus laat ons met het Onze Vader zien dat we in ons gebed moeten beginnen bij God. Eerst moeten we God vragen of zijn naam geëerd mag worden, of zijn koninkrijk mag komen en of zijn wil gedaan mag worden. Uit onszelf zouden we misschien anders bidden. We zouden waarschijnlijk beginnen met onze eigen problemen en wensen. Maar Jezus leert ons om allereerst gericht te zijn op God – en om pas daarna de dingen te vragen die we voor onszélf nodig hebben: levensonderhoud, vergeving van schuld, en kracht om stand te houden tegen de satan en de zonde. Overigens hebben die dingen ook alles te maken met God. We vragen God om dat wat we nodig hebben om Hem te kunnen dienen.

In dit en de volgende deel gaan we de onderdelen van het Onze Vader een voor een bij langs.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteus 6:9-13

 

Onze Vader in de hemel

Bidden is niet verzinken in jezelf of praten in de ruimte. Wie bidt, spreekt een persoon aan. En al is die persoon niet te zien, Hij is er wel degelijk en Hij luistert ook. Wie bidt, spreekt tot God, de schepper van de hemel en de aarde. Jezus heeft ons geleerd dat we met die machtige God vertrouwelijk mogen omgaan. We mogen Hem aanspreken als ‘onze Vader’ (Johannes 20:17). Want dankzij het werk van Jezus is God onze Vader geworden (1 Johannes 3:1). We mogen Hem vol eerbied en vol vertrouwen vragen wat we nodig hebben. En we kunnen er op rekenen dat God ons alles zal geven wat we Hem vanuit het geloof vragen (Matteus 7:11). Als een gewone vader zijn kinderen al geeft wat ze nodig hebben, dan zal God, die een volmaakte vader is, dat zeker doen.

We mogen God aanspreken als ‘onze Vader die in de hemel woont’. Met de toevoeging ‘ in de hemel’ maakt Jezus ons duidelijk dat God niet zomaar een vader is. Hij is de koning in de hemel, die onbeperkte macht over alles heeft (Handelingen 17:24-26). Hij kan ons alles geven wat we voor ons lichaam en voor ons geestelijk leven nodig hebben (Matteüs 7:11). Misschien zal dat niet altijd zijn wat we zelf denken nodig te hebben. Maar het zal altijd genoeg zijn om ons werk in dienst van God te kunnen doen.

 

Laat uw naam geheiligd worden

In het eerste onderdeel van het Onze Vader vragen we aan God of zijn naam geheiligd, geëerd, mag worden. Gods naam, Gods reputatie, is heel belangrijk (zie deel 20C). Dat bleek al uit het derde gebod. Gelovigen moeten Gods naam eren. Ze moeten zijn reputatie hooghouden. Ze moeten vol bewondering en eerbied spreken over God en over alles wat Hij gedaan heeft.
Uit onszelf denken we er niet aan om Gods naam te heiligen. Daarom moeten we God vragen om ervoor te zorgen dat we dat gaan doen.
Met de woorden ‘uw naam worde geheiligd’ vragen we allereerst aan God of we Hem steeds beter mogen leren kennen en Hem mogen eren als de machtige, wijze God die de hemel en de aarde heeft gemaakt en de geschiedenis leidt. We vragen Hem ook of Hij ons zo wil veranderen dat ons leven niet meer op onszelf is gericht, maar juist gericht is op zijn eer. En we vragen Hem ons te leren zó te leven dat we andere mensen niet van Hem afstoten, maar juist naar Hem toetrekken.

 

Laat uw koninkrijk komen

In het tweede onderdeel van het Onze Vader vragen we aan God: ‘Laat uw koninkrijk komen.’ Deze vraag herinnert ons aan de oorlog die op aarde aan de gang is: de oorlog tussen God en de satan (Openbaring 12). Sinds de zondeval heeft de satan macht op deze aarde. Veel mensen gehoorzamen hem en doen wat hij wil.
De satan lijkt de koning van onze wereld te zijn.
Maar dat is maar schijn. Want hoe machtig de satan ook lijkt te zijn – hij heeft God nooit van zijn troon kunnen stoten. Dat zou ook onmogelijk zijn: wat kan een engel beginnen tegen God, die hem geschapen heeft? God is en blijft de koning van de aarde. En Hij is bezig zijn koninkrijk in volle glorie te herstellen. Zijn koninkrijk komt steeds dichterbij. Iedere keer wanneer iemand tot geloof in Hem komt, heeft zijn koninkrijk er weer een nieuwe burger bij. Gods rijk begint klein, maar het wordt enorm groot (Matteus 13:31-32).
De satan heeft nu nog macht. Maar dat is maar tijdelijk. Want Gods koninkrijk komt eraan (Openbaring 20:10). Jezus zal terugkomen op aarde en Hij zal de satan voorgoed vernietigen. Gods koningschap zal dan voor iedereen zichtbaar zijn. Alle mensen zullen God erkennen als de koning van hemel en aarde.

Jezus leert ons dat we moeten bidden om de komst van Gods koninkrijk. Maar als we aan God vragen ‘laat uw koninkrijk komen’, vragen we niet alleen of God snel wil terugkomen met zijn koninkrijk en of Hij het werk van de satan wil vernietigen (1 Johannes 3:8). We vragen ook of God nu al onze koning wil zijn en of Hij door de bijbel en door de Heilige Geest gezag over ons uit wil oefenen, zodat we ons ook als zijn onderdanen gaan gedragen (Psalm 143:10). En ook vragen we God of Hij ervoor wil zorgen dat nog veel mensen zich tot Hem bekeren, en gaan leven als onderdanen van zijn koninkrijk.

 

En uw wil worden gedaan

In het derde onderdeel van het gebed vragen we God: ‘en laat uw wil worden gedaan,
op aarde zoals in de hemel
‘ Wat Gods wil is, weten we uit de bijbel. God heeft ons in de tien geboden bekend gemaakt wat Hij van ons verwacht. In het derde onderdeel van het Onze Vader vragen we God of Hij ons wil helpen om te gaan leven volgens zijn geboden. We vragen God of zijn wil op aarde net zo mag worden gedaan als dat in de hemel door de engelen gebeurt. Uit de bijbel weten we dat de engelen in de hemel altijd klaar staan om Gods wil te doen (Psalm 103:20-21). We vragen in het Onze Vader of wij hier op aarde net zo mogen worden – of wij ook altijd klaar mogen staan om te doen wat God wil. Uit onszelf zouden we dat niet kunnen. Daarom moeten we God ook vragen om ons te veranderen. We moeten God vragen of Hij ons wil helpen om onze eigen wil opzij te zetten, zodat we Hem gaan gehoorzamen (Romeinen 12:2). Als dat gebeurt, gaat het op aarde al een beetje lijken op de hemel. Dan kunnen we een begin zien van hoe het zal zijn als Gods koninkrijk gekomen is.

 

Filmpje: Het Onze Vader

Vragen

  1. Waarom is bidden zo belangrijk?
  2. Mogen we aan God alles vragen wat we nodig hebben? (Filippenzen 4:6-7). Tegelijk leert Jezus ons in het Onze Vader om in ons gebed allereerst gericht te zijn op God.
    Is dat niet met elkaar in tegenspraak? Motiveer je antwoord.
  3. In de eerste drie onderdelen van het Onze Vader vragen we dingen die God betreffen. Maar daarmee vragen we tegelijkertijd dingen voor onszelf.
    Wat vragen we voor onszelf met de woorden:

    1. Laat uw naam worden geheiligd;
    2. Laat uw koninkrijk komen;
    3. Uw wil worden gedaan?