Bijbelcursus Les 25

Deel 25A: Het lezen van de bijbel

Wanneer we met God willen leven, moet het lezen van de bijbel een belangrijk onderdeel van ons leven worden. Maar de bijbel is geen gewoon leesboek. Want in de bijbel spreekt God. We moeten daarom proberen de bijbel zó te lezen, dat we gaan begrijpen wat God tegen ons zegt. Waar moeten we dan op letten? In dit deel zullen we een aantal suggesties geven voor het lezen en begrijpen van een bijbel-gedeelte.

 

Bijbelstudie is broodnodig

De bijbel is het belangrijkste boek dat er bestaat. In de bijbel vinden we alles wat voor ons leven nodig is. Het is daarom voor ieder mens van belang dat hij de bijbel leest en toepast in zijn leven. Nu is de bijbel geen boek om in een paar dagen uit te lezen en daarna weg te leggen. De bijbel is een boek om iedere dag mee bezig te zijn.
De bijbel is te vergelijken met voedsel, met ons dagelijks brood (zie deel 5A). We hebben eten nodig om in leven te blijven. We kunnen nooit zeggen: Ik heb vandaag gegeten, dus hoef ik voortaan niet meer. Zo is het ook met het lezen van de bijbel. We kunnen ook niet zeggen: Ik heb de bijbel uit, dus hoef ik er niet meer in te lezen. De bijbel is als het ware ons geestelijk eten. We moeten er elke dag in lezen, anders gaan we geestelijk honger lijden.

 

Het is belangrijk de bijbel goed te bestuderen

  • Bijbelstudie is in de eerste plaats belangrijk omdat de bijbel hét middel is om God te leren kennen. Als we willen weten wie God is en wat Hij voor ons gedaan heeft, moeten we de bijbel lezen. Want mensen verzinnen veel over God.
    Daardoor zijn er op de wereld allerlei verkeerde opvattingen, misverstanden en dwalingen over God en over Jezus Christus ontstaan. De opvatting dat God machteloos staat tegenover de ellende in de wereld bijvoorbeeld. En de opvatting dat Jezus geen God is, maar alleen een goed mens aan wie je een voorbeeld zou moeten nemen. Of de opvatting dat Jezus niet voor onze schuld heeft betaald. Deze en andere verkeerde opvattingen zijn alleen te herkennen wanneer we regelmatig de bijbel bestuderen.
  • Bijbelstudie is ook belangrijk omdat de bijbel ons onszelf leert kennen. De bijbel is het enige boek dat ons kan vertellen wie wij zijn, waar we vandaan komen en wat onze toekomst is. De bijbel wijst ons de weg naar het eeuwige leven.
  • De bijbel leert ons verder hoe we tegenover God en onze medemens moeten staan, en hoe we ons in het dagelijks leven moeten gedragen.

 

Vragen stellen

Het is belangrijk om dagelijks met de bijbel bezig te zijn. Maar hoe moet je met de bijbel bezig zijn? De bijbel is soms moeilijk, zoals we in de vorige delen zagen. Hoe kunnen we er nu voor zorgen dat we oog krijgen voor wat er in een bepaald bijbelgedeelte staat? Een goed hulpmiddel om een bijbelgedeelte te gaan begrijpen, is het stellen van vragen aan de tekst.

 

Bijbelstudie

Wil je diepgaand met een bijbelgedeelte bezig gaan, dan kun je, nadat je het bijbelgedeelte – liefst hardop – gelezen hebt, het antwoord proberen te vinden op de volgende vragen:

  1. Uit welk bijbelboek komt het gedeelte?
  2. Komt het uit het Oude of het Nieuwe Testament?
  3. Wie is de schrijver van het bijbelboek? (eventueel; niet van alle bijbelboeken is de schrijver bekend. Als de naam van de schrijver wel bekend is, vind je die meestal in de inhoudsopgave van de bijbel, of aan het begin van het betreffende bijbelboek).
  4. Wat is het karakter van het bijbelgedeelte? Gaat het om:
  • geschiedenis
  • een gelijkenis
  • wetten
  • spreuken
  • psalmen (een koningspsalm, lofpsalm, boetepsalm, klaagpsalm, een ander soort psalm)
  • profetie (al vervuld, nog te vervullen)
  • een vermaning
  • een gebed
  • een brief (aan een gemeente of een persoon)
  • een verhandeling over een bepaald onderwerp
  • openbaring (visioenen)
  • iets anders, namelijk …Het is van belang om dat te weten. Want een geschiedenisgedeelte moet je anders lezen dan bijvoorbeeld een gelijkenis of een psalm. Om een bijbelgedeelte te kunnen begrijpen, moet je weten in welk genre het geschreven is.
  1. In welke tijd speelt het bijbelgedeelte ongeveer? Het gaat er dan niet om een precies jaartal te kunnen noemen, maar om een aanduiding als: in de tijd van Abraham/ Mozes/van koning David/van de ballingschap/van Jezus op aarde/van de apostelen. Het is overigens niet altijd mogelijk een exacte tijdsaanduiding te geven.
  2. Waar speelt het gedeelte zich af? (binnen of buiten Israël).
  3. Wie zijn de eerste lezers van dit gedeelte? Wij zijn natuurlijk niet de eerste lezers van de bijbel. Het is belangrijk om ons dat te realiseren en om na te gaan voor wie een bepaald bijbelboek geschreven is. Voor de Joden in de tijd van de ballingschap? Voor mensen die net christen waren geworden en moeite hadden om staande te blijven in het geloof?
  4. Over wie/wat gaat het? (weten we meer over deze perso(o)n(en) of gewoonten?)
  5. Wat gebeurt er? (of, als het niet om geschiedenis gaat: wat wordt er gezegd?).
  6. Zie je verband tussen dit gedeelte en het gedeelte dat eraan vooraf gaat of dat erop volgt?
  7. Leert het bijbelgedeelte iets over God? Zo ja, wat? Bij het bijbellezen gaat het erom God te leren kennen. Het is daarom belangrijk om je steeds af te vragen of een bepaald bijbelgedeelte je iets leert over God. Zo laat het ene bijbelgedeelte iets zien van Gods grote macht of van zijn liefde voor de wereld. Een ander gedeelte kan laten zien dat God altijd trouw blijft aan zijn beloftes, of dat Hij de geschiedenis bestuurt.
  8. Wat heeft het gedeelte mij persoonlijk te zeggen?De bijbel is niet zomaar een boek: het is Gods Woord. God heeft een boodschap voor jou. Het is belangrijk om dat te beseffen als je de bijbel leest. Het is niet altijd gemakkelijk om uit een bijbelgedeelte een bepaalde boodschap te halen. Toch is het goed om op deze vraag een antwoord proberen te vinden.Het is niet altijd mogelijk om op al deze vragen een antwoord te vinden. Maar naarmate je de bijbel beter leert kennen, zal het steeds makkelijker zijn met behulp van deze (of andere) vragen greep te krijgen op het bijbelgedeelte dat je leest.

 

Dagelijks bijbellezen

Bij het normale, dagelijkse bijbellezen hoef je niet altijd al deze vragen te beantwoorden. Wel is het goed om jezelf in ieder geval drie vragen over het gelezen gedeelte te stellen:

  1. Wat wordt er in dit bijbelgedeelte bedoeld? Wat is de betekenis van dit gedeelte?
  2. Wat leert het mij over God? (Bijvoorbeeld over zijn grootheid, zijn liefde, de manier waarop Hij werkt, zijn medelijden, zijn geduld).
  3. Wat heeft het mij persoonlijk te zeggen? Hoe moet ik dit bijbelgedeelte toepassen in mijn leven?

Wanneer we het antwoord op deze drie vragen zoeken, zijn we vruchtbaar met de bijbel bezig. Het maakt ook dat we het lezen in de bijbel niet als zinloos , maar juist als een verrijking ervaren.
Het bijbellezen kunnen we afsluiten met een gebed waarin we aansluiten bij wat we gelezen en geleerd hebben. Ons bidden wordt dan een antwoord op het spreken van God. Lezen en bidden is een gesprek tussen God en zijn kinderen. Er gaat zo een levende omgang met God groeien. En dat is wat God met de bijbel in ons leven wil bereiken.

 

Hulpmiddelen

Om te begrijpen wat een bepaald bijbelgedeelte betekent, kan het soms nodig zijn bepaalde hulpmiddelen te gebruiken. Zo kan een bijbels woordenboek goede diensten bewijzen. Zo’n woordenboek is te vergelijken met de woordenlijst in Wegwijzer: allerlei namen en begrippen die in de bijbel voorkomen, worden erin toegelicht. Een bijbels woordenboek is natuurlijk veel uitgebreider.

Een ander hulpmiddel kan de Bijbel met kanttekeningen zijn. In de kantlijn van deze bijbel, die uit zes afzonderlijke delen bestaat, staan verklarende opmerkingen. Allerlei vragen waar je bij het lezen van de bijbel op zou kunnen stuiten, worden in de ‘Bijbel met kanttekeningen’ beantwoord. Dit gebeurt meestal nogal beknopt, maar dat maakt de boeken niet minder waard.

Wanneer je meer van een specifiek bijbelboek wilt weten, kun je een commentaar op dat bijbelboek kopen. De cursusbegeleid(st)er kan je desgewenst van advies dienen.

Het kan ook nuttig zijn om een concordantie te raadplegen. Dat is een boek waarin alle woorden die in de bijbel gebruikt worden, in alfabetische volgorde zijn opgenomen. Met een concordantie kun je nagaan in welk zinsverband een woord voorkomt en op welke plaatsen het te vinden is.

Weet je niet waar je in de bijbel moet beginnen te lezen? In dat geval kan een bijbelleesrooster uitkomst bieden: bij elke dag staat een gedeelte vermeld dat je moet lezen. Ook een bijbels dagboek kan een goede hulp zijn. In een bijbels dagboek wordt niet alleen een te lezen bijbelgedeelte opgegeven, maar wordt het bovendien uitgelegd. Het is hierbij natuurlijk wel van belang om een geschikt dagboek uit te kiezen. Ook hierbij kan de cursusbegeleid(st)er je van dienst zijn.

 

Filmpje: Webinar bijbellezen

Bidden

We hebben nu enkele hulpmiddelen opgenoemd. Maar over de belangrijkste hulp hebben we het nog niet gehad: de Heilige Geest. Wanneer we de bijbel gaan bestuderen, hebben we de hulp van de Heilige Geest nodig. We moeten God steeds blijven vragen of Hij er door de Heilige Geest voor wil zorgen dat we de bijbel zó gaan lezen dat we geloven dat Hij door de bijbel tot ons spreekt. Dan alleen leren we God en Jezus Christus steeds meer en steeds beter kennen. De Heilige Geest zal ons daarbij zeker helpen. Want Gods Zoon heeft beloofd:

‘De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid’
(Johannes 16:13)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 16:13

Samen studeren

Bijbellezen moet je voor jezelf doen. Maar je moet het ook met anderen doen. Want als gelovige, als kind van God, sta je niet op jezelf. Je hoort bij de andere kinderen van God. Door het werk van Jezus zijn alle gelovigen broers en zussen van elkaar geworden. En ze moeten elkaar daarom ook helpen om verder te komen in het geloof. Door samen naar de kerk te gaan. Maar ook door samen in de bijbel te studeren. Om zo, geleid door de Heilige Geest, met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte te begrijpen, ja de liefde van Christus te kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.’ (Efeziers 3:18-19)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Efeziers 3:18-19

Vragen

  1. Lees Marcus 12:1-12 en probeer zoveel mogelijk vragen uit de vragenlijst te beantwoorden.


Deel 25B: Een nieuwe hemel en aarde

In het paradijs beloofde God al dat er eens een eind zou komen aan de macht van de satan. En wat God belooft, gebeurt. De satan is overwonnen door Jezus Christus. Toch heeft hij ook nu nog macht in de wereld. Maar dat blijft niet altijd zo. Dat laat het bijbelboek Openbaring zien.

 

Johannes op Patmos

Dat het met de macht van de satan nog niet gedaan is, blijkt al snel na Pinksteren (Handelingen 8:1). Steeds opnieuw breken er vervolgingen uit tegen de christenen. Velen van hen worden door de Joden of de Romeinen gevangen genomen en op wrede wijze gedood. Ook de apostel Johannes wordt, wanneer hij oud is, gevangen genomen. Hij wordt niet gedood, maar verbannen naar Patmos, een klein eiland voor de Turkse kust. Die verbanning heeft als doel Johannes monddood te maken (Openbaring 1:9). Maar Jezus Christus zorgt ervoor dat zijn stem tot op de dag van vandaag te horen is (Openbaring 1:9-20). Johannes krijgt op Patmos namelijk visioenen: hij mag Christus zien in al zijn macht; en Christus dicteert hem brieven voor zeven kerken in Asia, het westelijk deel van het huidige Turkije (Openbaring 2-3). Ook laat Hij aan Johannes zien wat er in de toekomst allemaal zal gebeuren. In opdracht van Christus schrijft Johannes een boek over alle visioenen die hij op Patmos te zien krijgt. Dit boek wordt de ‘De openbaring

van Johannes’, of kortweg ‘Openbaring’ genoemd.

 

Het boek Openbaring

Openbaring lijkt op sommige profetische boeken uit het Oude Testament. Het boek Daniël bevat bijvoorbeeld veel beeldspraak. Zo lees je over een lam, een leeuw,een draak, paarden, sprinkhanen die op paarden lijken, een boekrol die met zeven zegels afgesloten is, een zee van glas, en zeven schalen met rampen die uitgegoten worden over de aarde. Al die dingen moeten niet letterlijk, maar symbolisch opgevat worden. Kenmerkend voor Openbaring is ook dat er vaak getallen worden gebruikt die een bepaalde betekenis hebben. Bijvoorbeeld de getallen drie

en vier, en combinaties van de getallen: zeven (drie plus vier) en twaalf (drie maal vier). Door de symbolische taal is Openbaring vaak moeilijk te begrijpen. Een verklarend boek, zoals ‘De Bijbel met Kanttekeningen’, kan bij de bestudering van Openbaring van groot nut zijn.
Openbaring is een boek dat de christenen troost geeft in moeilijke tijden. In tijden waarin kerkleden vervolgd worden, bijvoorbeeld. Wie Openbaring leest, ziet: Christus regeert. Er loopt Hem niets uit de hand. Alles gebeurt zoals Hij het wil. Openbaring is ook een boek dat de kerk ‘wakker houdt’. De kerk moet steeds op Christus’ terugkomst voorbereid zijn en ernaar uitkijken. Het boek Openbaring wekt daartoe op.
In dit deel besteden we aandacht aan enkele gedeelten uit Openbaring.

 

Een bemoedigend visioen

Lezen: Openbaring 1:9-20
1:10 op de dag van de Heer: de dag waarop de Heer is opgestaan, de zondag.

Johannes schrijft zijn boek voor mensen die het moeilijk hebben (Openbaring 1:9). Maar zelf heeft hij het ook moeilijk: hij heeft ook deel aan de verdrukking die de christenen in Asia ervaren. Maar wat hij mag zien wanneer hij in geestvervoering raakt, is een enorme bemoediging. Niet alleen voor hem, maar ook voor alle christenen uit zijn en onze tijd.
Johannes ziet Jezus Christus. Maar Hij ziet er heel anders uit dan toen Hij nog op aarde was. Johannes probeert Christus’ indrukwekkende uiterlijk te beschrijven.
Christus draagt een lang gewaad, zoals de hogepriester dat droeg. Een gouden band om zijn borst laat zien dat Hij koning is. Zijn gezicht en haar zijn wit – de kleur van de hemel. Zijn ogen lijken van vuur te zijn: Hij kijkt overal doorheen. Niemand kan iets voor Hem verbergen. Zijn voeten lijken op gloeiend koper. Zijn stem lijkt op het donderend geluid van een grote waterval. Uit zijn mond komt een scherp zwaard, dat naar beide kanten snijdt. Met dat zwaard worden Christus’ woorden bedoeld. Zijn woorden zijn machtig (Jesaja 11:4). Met een enkel woord kan Hij zijn vijanden vernietigen. Zijn gezicht straalt als de zon wanneer die op zijn felst schijnt.

Wanneer Johannes Jezus Christus zo ziet, valt hij als dood neer. Dit is niet de Jezus met wie hij op aarde als een vriend omging. Dit is de Zoon van God, die, nadat Hij teruggegaan is naar de hemel, alle macht heeft gekregen. Zoals de profeet Jesaja dacht dat zijn einde gekomen was toen hij in een visioen God zag, denkt Johannes dat ook (Jesaja 6:1-7). Geen enkel zondig mens kan God zien zonder te sterven.
Maar de Heer legt zijn hand op Johannes’ schouder, en zegt dat hij niet bang hoeft te zijn. Hij wil Johannes niet doden, Hij heeft juist een opdracht voor hem.
Christus vertelt Johannes wie Hij is: de eerste en de laatste. Hij is degene die aan het begin van alles staat en op wie alle dingen uitlopen. Hij is de Levende, die dood is geweest, maar nu voor eeuwig leeft. Hij heeft de macht over alles – zelfs over de dood.

Christus legt Johannes uit wat de zeven sterren zijn die Hij in zijn rechterhand houdt: het zijn de engelen van de kerken. Met het woord ‘engelen’ duidt Christus hier de voorgangers, de leiders, van de kerken aan.
We zagen al dat in het boek Openbaring bepaalde getallen een betekenis hebben. Het getal zeven heeft altijd iets te maken met volledigheid. Hier kun je zeggen: de zeven leiders of voorgangers staan voor alle voorgangers van de kerken. Alle leiders van kerken mogen weten dat Christus hen in zijn rechterhand houdt – dat wil zeggen dat Christus door middel van hen over zijn kerken regeert.
Dat de voorgangers zich in Christus’ hand bevinden, laat ook zien dat ze helemaal van Christus afhankelijk zijn. Ze kunnen alleen hun taak vervullen omdat Christus hen vasthoudt. Ze zouden niets meer voor de kerk betekenen wanneer ze zich van Hem zouden losmaken.

De zeven gouden kandelaars waar Christus tussen staat, zijn een symbool van de zeven kerken voor wie dit boek oorspronkelijk bestemd is. Kandelaars – daar straalt licht vanuit. De kerken verspreiden licht. Want in de kerk gaat het om Jezus Christus, die zichzelf ‘het licht van de wereld’ heeft genoemd (Matteus 5:14) (Johannes 8:12).
Het getal zeven heeft ook hier een betekenis. Het duidt op het feit dat eigenlijk alle kerken worden bedoeld. Wat Christus aan Johannes zal laten zien, is bestemd voor alle kerken. Kerkleden uit iedere tijd mogen weten dat het boek Openbaring er ook voor hen is. En ze mogen weten dat Christus, die alle macht heeft en die het zelfs over leven en dood te zeggen heeft, bij hen is. Hij staat immers midden tussen de kandelaren, de kerken, in. Dat is voor hen niet te zien. Maar Johannes mocht het zien en er over vertellen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Openbaring 1:9-20

De wereldgeschiedenis

Johannes krijgt van Christus een blik in de wereldgeschiedenis. Hij mag in allerlei beelden zien hoe Gods koninkrijk komt en hoe God zijn kerk beschermt tegen de macht van de satan.
God had aan Adam en Eva al aangekondigd dat er oorlog zou komen tussen de ‘nakomelingen van de satan’ en de ‘nakomelingen van de vrouw’ (Genesis 3:15). Die oorlog is in het boek Openbaring heel duidelijk te herkennen. Johannes ziet bijvoorbeeld in een visioen hoe de satan Jezus probeerde te vernietigen zodra Hij op aarde kwam (Openbaring 12), en hoe Jezus werd gered (Matteus 2:13-18). Hij ziet hoe de engelen de satan daarna uit de hemel gooien en hoe de satan vervolgens op aarde aan het werk gaat: hij probeert er de kerk te vernietigen.
De christenen moeten vreselijke dingen ondergaan. Maar toch slaagt de satan er niet in de overwinning te behalen. Want Jezus Christus is oneindig veel machtiger dan de satan. Hij regeert over de wereld. En Hij zorgt ervoor dat zijn kerk niet te gronde wordt gericht.

 

Rampen

Het boek Openbaring maakt ons bekend dat er veel rampen zullen komen (Openbaring 16). Johannes ziet bijvoorbeeld hoe God zeven engelen de opdracht geeft om zeven straffen over de aarde uit te brengen. Wanneer de engelen dat doen, verandert het water van de zee in bloed, zodat er geen vis of vogel meer kan leven, er komen grote branden, er valt duisternis over de aarde, er komt een zware aardbeving waarbij talloze doden vallen.
Die rampen zijn een middel waardoor God de mensen met harde hand wakker probeert te schudden. God roept de mensen als het ware toe dat ze naar Hem moeten terugkeren, dat alleen bij Hem het leven te vinden is.

 

De vernietiging van de satan

In een ander visioen ziet Johannes hoe er in de toekomst een eind zal komen aan de macht van de satan (Openbaring 20:1-10). Na een tijd waarin de satan nog de gelegenheid krijgt om op aarde zijn verwoestende werk te doen, zal hij door God worden veroordeeld. God zal de satan en zijn aanhangers in een zee van vuur en zwavel gooien. En daarmee zal er eindelijk een eind komen aan de macht van de satan. En ook aan de zonde en de gevolgen van de zonde: ellende, ziekte, oorlog, pijn en dood.

 

Het oordeel (zie ook deel 10-C)

Johannes ziet hoe alle mensen die ooit geleefd hebben, voor Jezus Christus moeten verschijnen (Openbaring 20:11-15). Christus treedt op als rechter. Hij beoordeelt de mensen op grond van hun daden, die in allerlei boeken opgetekend staan. Maar naast de boeken waar de daden van de mensen in beschreven staan, wordt er ook een ander boek opengeslagen: ‘het boek van het leven’.
De namen van alle mensen die tijdens hun leven in Jezus Christus geloofden, staan in dit boek opgeschreven (Filippenzen 4:3). Alle mensen die geloven dat hun schuld tegenover God en hun zonden vergeven zijn door het werk van Jezus, zullen worden vrijgesproken (Johannes 3:16). Niet vanwege hun goede daden. Als het daarom zou gaan, zouden ook zij veroordeeld moeten worden. Geen mens kan door zijn eigen inspanningen het eeuwige leven verdienen. Wie vrijgesproken wordt, wordt dat alleen omdat Jezus Christus zijn schuld heeft betaald.

 

 

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde

Lezen: Openbaring 21:1-22:5
21:6 alfa en omega: de eerste en laatste letter van het Griekse alfabet; het begin en het einde.
21:9 plagen: straffen.
het Lam: hiermee wordt Jezus Christus bedoeld.
21:16 stadie: 185 meter.
21:17 el: 50 centimeter.

Johannes mag tenslotte een blik slaan in de prachtige toekomst die al Gods kinderen te wachten staat. Hij ziet de hemel en aarde nadat ze door God vernieuwd zijn. De wereld ziet er heel anders uit dan vroeger. De zee, die mensen van elkaar gescheiden hield, en die vele levens heeft geëist, bestaat niet meer. Uit de hemel, de woonplaats van God, komt een nieuw Jeruzalem neerdalen – zo mooi als een vrouw op haar trouwdag.
De stad straalt als een diamant en is doorzichtig als glas. De poorten van de stad zijn van edelstenen gemaakt en de straten zijn van goud. De zon hoeft niet meer te schijnen: Christus, het lam dat voor de zonden gedood is, verlicht alles. Nooit is het er donker. De nacht bestaat niet meer.

Dit nieuwe Jeruzalem is niet alleen de plaats waar de gelovigen mogen wonen – het is ook een aanduiding van het volk van God zélf (Openbaring 21:9-10). Dat weten we omdat het nieuwe Jeruzalem ‘de bruid, de vrouw van het Lam’ wordt genoemd.
Jezus zelf heeft zijn terugkomst al vergeleken met een bruiloft (Matteus 25:1-13). En dat beeld wordt hier voortgezet. Jezus Christus, die als een offerlam gedood is, zal zo één worden met zijn kerk, dat je het met een huwelijk kunt vergelijken.

Een stem uit de hemel beschrijft hoe heerlijk het zal zijn op de nieuwe aarde (Openbaring 21:3-5). God zélf zal op de aarde wonen. Alle volken zullen bij Hem horen. God zal alle mensen die verdriet hebben gehad, troosten. Alles wat het leven moeilijk maakt, zal verdwenen zijn: dood, rouw, verdriet of pijn bestaat niet meer. Dat de nieuwe aarde er komt, is zeker. God zelf belooft: ‘Ik maak alles nieuw!’ En als Hij het zegt, is het waar.

Iedereen die wil, kan er bij horen (Openbaring 21:6-7). Iedereen die dorst heeft, krijgt gratis te drinken uit de bron van het water van het leven: hij krijgt de redding waar hij God om vraagt (Johannes 7:37-38).
God belooft een geweldige toekomst aan iedereen die overwint. Dat wil zeggen: aan iedereen die, wat er ook gebeurt, in Hem blijft geloven. Het kan soms moeilijk zijn om op God te blijven vertrouwen (Marcus 9:24). Maar God zelf zal ons vasthouden.
Wij mogen Hem altijd vragen om geloof. En Hij zal ons altijd weer de kracht geven om in Hem te blijven geloven (1 Korintiers 10:13).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Openbaring 21:1-22:5

Filmpje: Homesick for heaven

 

Kom, Here Jezus!

Openbaring 21 en 22 staan vol beeldspraak. Maar je hoeft niet alles te begrijpen, om toch te zien: op de nieuwe aarde zal het leven één groot feest zijn, tot eer van God. De aarde zal weer een paradijs worden als Jezus terugkomt. Een paradijs dat altijd zal blijven bestaan, en waar de satan niet kan komen. Iedereen die in Jezus gelooft, zal er voor altijd mogen wonen.
Jezus belooft aan het eind van het boek Openbaring dat Hij spoedig terug zal komen (Openbaring 22:20). Wanneer dat zal zijn, weten we niet. Maar we mogen, net als Johannes, vol verlangen uitkijken naar Jezus komst, en bidden: ‘Ja, kom, Here Jezus!’

 

Filmpje: Ooit komt er een dag

 

Vragen

  1. Kun je uitleggen op welke manier God de belofte die Hij in Genesis 3:15 aan Adam en Eva deed, vervuld heeft/nog vervullen zal?
  2. Waarom is het boek Openbaring belangrijk voor de christenen?
  3. Moeten we bang zijn voor Jezus’ terugkomst en zijn oordeel? Licht je antwoord toe.

Deel 25C: Bidden: een erkenning van afhankelijkheid

Jezus leert ons met het Onze Vader dat we in ons gebed allereerst gericht moeten zijn op God. We moeten God vragen of zijn naam geëerd mag worden, of zijn koninkrijk mag komen en of de mensen mogen gaan doen wat Hij wil. Maar we mogen God ook vragen om de dingen die we voor onszelf nodig hebben: dagelijks brood, de vergeving van onze zonden, de kracht om stand te houden tegen de satan. Daarover gaat het in dit deel.

 

Geef ons heden ons dagelijks brood

Het tweede gedeelte van het Onze Vader begint met een vraag om voedsel. Jezus leert ons dat we zijn Vader iedere dag moeten vragen om ‘ons dagelijks brood’. Dat wil zeggen: om de dingen die we nodig hebben om in leven te blijven en te kunnen functioneren. We vragen dus niet alleen om brood, maar ook om zaken als gezondheid, kleding en onderdak.
Jezus laat ons in het Onze Vader zien dat we God ook om zulke gewone dingen mogen vragen. God is niet te verheven om zich bezig te houden met onze alledaagse levensbehoeften. Hij wil in ieder opzicht een vader voor ons zijn. Hij wil er ook op dit punt voor zorgen dat we niets te kort komen.

 

God zorgt voor zijn kinderen

Hoe goed God voor zijn kinderen wil zorgen, bleek in de tijd dat de Israëlieten door de woestijn naar Kanaän trokken (zie deel 10B) (Deuteronomium 8). De woestijn was een uitgestrekte, dorre vlakte, waar niets groeide waarmee de Israëlieten zichzelf in leven zouden kunnen houden. De Israëlieten merkten dat al snel nadat ze Egypte verlaten hadden. Toen ze nog maar zes weken onderweg waren, hadden ze al gebrek aan voedsel. Ze klaagden daarover tegen Mozes en Aäron. Maar die konden hen natuurlijk ook niet aan eten helpen. De enige die de Israëlieten kon helpen, was God. En Hij deed dat ook. Hij liet voortaan iedere nacht ‘manna’ op aarde regenen: korrels waaruit brood gebakken kon worden (Exodus 16).
Maar God zorgde ook in andere opzichten voor zijn kinderen: Hij gaf ze water wanneer ze dorst hadden; Hij zorgde ervoor dat hun kleren niet versleten en dat hun voeten niet opzwollen (Deuteronomium 8: 4 en 15). God gaf zijn kinderen alles wat ze in hun situatie nodig hadden. Zo kregen de Israëlieten tijdens de reis naar Kanaän veertig jaar lang iedere dag hun ‘dagelijks brood’ van God.

 

De diepvriezer

Tijdens de woestijnreis was Gods zorg voor het levensonderhoud van zijn kinderen dus heel duidelijk te zien. Iedere dag opnieuw. Maar hoe zit dat in onze tijd? Is het in onze samenleving niet wat achterhaald om God elke dag om brood te vragen? Waarom zou je God nog vragen om brood als je drie broden in de diepvries hebt liggen? Waarom zou je vragen om drinken als je voldoende melk hebt om de hele week mee door te komen? Zelfs als al ons eten op is, is er niets aan de hand. Je hoeft alleen maar even naar de supermarkt te gaan, en je koopt alles wat je nodig hebt.
Het is voor ons in het algemeen geen probleem om aan ons ‘dagelijks brood’ te komen. Toch leert Jezus ons dat we er God om moeten vragen. Iedere dag. Want het is niet vanzelfsprekend dat we genoeg te eten hebben. Het is een gave van God.
Ons brood komt niet rechtstreeks uit de hemel vallen. Maar wij zijn voor ons levensonderhoud net zo afhankelijk van God als de Israëlieten. Het is God die zorgt voor regen en droogte, voor de vruchtbaarheid van het land, voor het groeien van het graan, de groente, de aardappels en de rijst. Het is God die ons brood geeft. Het is heel belangrijk dat we dat blijven beseffen. En dat we het erkennen, door God iedere dag om ons levensonderhoud te vragen.

 

Geen armoede en geen rijkdom

Jezus leert ons dat we ons bescheiden moeten opstellen tegenover God. We vragen in het Onze Vader alleen maar om ons dagelijks brood – dat wil zeggen: om levensonderhoud voor één dag. We vragen God dus niet om rijkdom of luxe. We vragen Hem alleen om het hoognodige. Niet minder en niet meer. Om het met de woorden van de Spreukendichter Agur te zeggen:

‘Maak me niet arm, maar ook niet rijk,
voed me slechts met wat ik nodig heb.
Want als ik rijk zou zijn,
zou ik u wellicht verloochenen,
zou ik kunnen zeggen: ‘Wie is de HEER?’
En als ik arm zou zijn, zou ik stelen
en de naam van mijn God te schande maken’.
(Spreuken 30: 8-9)

Wie rijk is, loopt het gevaar God te vergeten. De kans is groot dat hij op zijn geld gaat vertrouwen, en gaat denken dat hij God niet nodig heeft. Maar het is ook gevaarlijk om arm te zijn. Als je niets hebt, zou je misschien stelen om aan eten te komen – en op die manier zou je als gelovige Gods naam te schande maken. Daarom moet je God niet vragen om rijkdom, maar ook niet om armoede. Je moet God vragen omdat wat je nodig hebt. Zodat je je taak in zijn koninkrijk kunt doen.

 

Ons

We zeggen in ons gebed: Geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben. We bidden in het Onze Vader niet alleen voor onszelf, maar ook voor andere mensen. We mogen niet alleen stilstaan bij onszelf en bij datgene wat wij nodig hebben. God wil dat we ook om ons heen kijken (Jakobus 2:15-16). We moeten betrokken zijn bij andere mensen.
Die betrokkenheid moet natuurlijk niet alleen uit ons gebed blijken (Galaten 6:9-10). We moeten andere mensen die het moeilijk hebben, ook helpen. Met daden of met geld. Paulus schreef in een van zijn brieven:

‘Wij hebben voedsel en kleren, laten wij daar tevreden mee zijn.’
(1 Timoteus 6:8)

De meeste mensen in ons land hebben veel meer dan alleen onderhoud en onderdak. Als we God vragen of Hij de mensen op deze wereld van het nodige wil voorzien, zijn we daarom verplicht om met het geld dat Hij ons geeft, ook andere mensen te helpen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Timoteus 6:8

Vergeef ons onze schulden

Wanneer we in God geloven, mogen we weten dat de schuld die we bij God hadden, betaald is. Daar heeft Jezus voor gezorgd. Toch leert Jezus ons om in ons gebed iedere dag aan God te vragen: ‘En vergeef ons onze schulden.’
Want het is niet zo dat iemand die in God gelooft geen zonden meer doet (zie deel 8C). We zagen al eerder: een kind van God zal zijn leven lang last blijven houden van zijn ‘oude mens’, zijn zondige natuur (Romeinen 7:18-26). Hij heeft vaak verkeerde gedachten, en doet vaak verkeerde dingen. Daarom moet hij iedere dag naar God toegaan om vergeving te vragen voor zijn schulden en voor de zonden die hij heeft gedaan.
Een gelovige die God oprecht om vergeving van zijn zonden vraagt, mag weten dat God hem die vergeving ook zal geven (Romeinen 8 :1). Daar staat Jezus Christus garant voor (1 Johannes 2:1-2).

 

Filmpje: Jeroen – God genas mij van binnen

 

Zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was

Wanneer we God vragen ons onze schulden kwijt te schelden, voegen we daar aan toe: ‘zoals ook wij vergeven wie ons iets schuldig was.’ Met andere woorden: ‘zoals ook wij de mensen die bij ons in het krijt staan, hun schuld kwijtschelden.’
Op het eerste gezicht is dat een vreemde toevoeging. Gaan we God nu wijzen op onze goede daden? Moet God een voorbeeld nemen aan onze vergevingsgezindheid? Dat heeft Jezus natuurlijk niet bedoeld.
Het gaat er hier om dat we in onze eigen vergevingsgezindheid tegenover andere mensen kunnen merken dat God bezig is ons te veranderen. Het is voor ons heel moeilijk om andere mensen die ons oneerlijk behandeld hebben, te vergeven. We hebben het enkel en alleen aan de Heilige Geest te danken wanneer we dat toch gaan doen (Galaten 5:22). Als God ons al vergevingsgezind maakt – hoeveel te meer mogen we dan rekenen op zijn vergevingsgezindheid!

 

Vergevingsgezind worden

Vergevingsgezindheid is een gave van God. Daarom is het ook een opdracht om vergevingsgezind te zijn; een opdracht waarin Jezus heel ver gaat. Wanneer Petrus Hem op een dag vraagt: ‘Hoe vaak moet ik iemand vergeven als hij me telkens opnieuw kwaad doet? Zeven maal?’, antwoordt Jezus: ‘Nee. Geen zeven keer, maar zeventig maal zeven keer!’ (Matteus 18:21-22) Het moet voor Jezus’ volgelingen dus vanzelfsprekend zijn dat ze andere mensen vergeven. Waarom? Dat maakt Jezus maakt duidelijk aan de hand van de volgende gelijkenis:

‘Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost. Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: ‘Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen’. Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt. Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: ‘Betaal me alles wat je me schuldig bent!’ Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: ‘Heb geduld met mij, ik zal je betalen.’ Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald. Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen. Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: ‘Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?’ En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’
(Matteus 18: 23-35)

Jezus wil hiermee tegen zijn volgelingen zeggen: de schuld die jullie bij God hadden, was zo groot dat jullie hem nooit hadden kunnen afbetalen. God heeft jullie die enorme schuld zomaar kwijtgescholden. Het zou wel heel ondankbaar zijn als dat jullie houding tegenover andere mensen niet zou beïnvloeden.

 

En breng ons niet in beproeving

In het zesde onderdeel van het Onze Vader vragen we aan God: ‘En breng ons niet in beproeving, maar red ons uit de greep van het kwaad’
De satan weet dat hij niet veel tijd meer heeft (Openbaring 12:12). Hij weet dat zijn ondergang niet lang meer op zich zal laten wachten. Maar tot die tijd probeert hij nog zoveel mogelijk schade aan te richten. En daarom ‘verzoekt’ hij de mensen die bij God horen: hij probeert hen te verleiden om te zondigen, om God los te laten.
Niemand is van zichzelf in staat om de verzoekingen van de satan te weerstaan. De apostel Petrus, die uit ervaring weet hoe een gelovige onderuit kan gaan als hij door de satan verzocht wordt, waarschuwt de christenen in een brief dat ze nuchter en waakzaam moeten zijn (Marcus 14:26-31 en 66-72). Want hun tegenstander, de duivel, loopt rond als een brullende leeuw, op zoek naar iemand die hij kan verslinden (1 Petrus 5:8-9).
Kinderen van God moeten voortdurend op hun hoede zijn voor de satan (1 Korintiers 10:12-13). Maar ze hoeven niet bang te zijn: ze mogen vertrouwen op God, die veel sterker is dan de satan. Ze mogen zijn hulp inroepen. En ze mogen zeker weten dat God hen dan ook inderdaad zal helpen. God laat zijn kinderen niet in de steek.

 

Want aan u is het koningschap…

Het Onze Vader eindigt met een lofprijzing: ‘Want aan u behoort het koningschap, de macht en de majesteit tot in eeuwigheid.’
Met deze woorden loven we God, en spreken we ons vertrouwen in Hem uit. We erkennen dat Hij onze koning is en dat hij alles in zijn macht heeft. Hij kan ons alles geven wat we Hem gevraagd hebben. En Hij zal het ons ook geven. Want Hij heeft het beste met ons voor. Wij wilden niets van Hem weten – maar Hij heeft ons gered en ons geadopteerd als zijn kinderen (Romeinen 8:32). Als Hij dát gedaan heeft, kunnen we erop vertrouwen dat Hij ook verder voor ons zal zorgen. En daarom eren we Hem voor altijd.

 

Amen

We vertrouwen God. Dat laten we zien door na ons gebed ‘amen’ (dat wil zeggen: ‘vast en zeker’) te zeggen. Met het woord amen spreken we uit: ik weet dat God naar mij heeft geluisterd en dat Hij mij zal geven wat ik nodig heb.

 

Andere gebeden

Het Onze Vader is een gebed dat Jezus ons zelf geleerd heeft. Het is een belangrijk gebed, dat we vaak moeten bidden. Maar het is zeker niet het enige gebed dat we mogen bidden. We mogen ook in onze eigen woorden tot God bidden. We mogen God alles voorleggen wat ons bezighoudt: onze problemen, onze zorgen, bepaalde zonden, ons zwakke geloof. En we mogen er zeker van zijn dat God naar al onze gebeden luistert.
Jezus heeft ons geleerd dat we tot God mogen bidden in zijn naam (Johannes 16:23-27). Zelf verdienen we niet dat God ons zal geven wat we vragen. Daarom vragen we God om het ons te geven op grond van het werk van zijn Zoon.

 

Bid en u zal gegeven worden

Aan het begin van deze cursus hebben we je aangespoord om ook zelf te gaan bidden. We hopen dat je dat gedaan hebt of dat je het alsnog gaat doen. Want bidden is belangrijk.
God wil dat je tot Hem spreekt. En Hij zal zeker naar je luisteren. Jezus zelf belooft je:

‘Vraag en er zal je gegeven worden; zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan.’
(Matteus 7:7)

Je zult niet tevergeefs bij God aankloppen. God staat met open armen klaar om je te ontvangen (Lucas 15:11-32).

 

Filmpje: Kracht van een gebed

Vragen

    1. Tijdens de woestijnreis voorzag God de Israëlieten op een bijzondere manier van ‘dagelijks brood’. In het Nieuwe Testament treffen we een soortgelijk wonder aan.
      Beschrijf in het kort wat er staat in Johannes 6:1-15.
    2. Hoe reageren de mensen op dit wonder? Zie hiervoor Johannes 6:14-15 en 6:22-26.
    3. Er is iets dat volgens Jezus nog belangrijker is dan gewoon brood. Zie Johannes 6:26-59.
      Wat is dat?
  1. Vraagt Jezus niet iets onmogelijks wanneer Hij zegt dat we andere mensen 70 x 7 keer moeten vergeven? (Matteus 18:21-22). Zie hiervoor Galaten 5:22.