Bijbelcursus les 5

Deel 5A:  De bijbel is uniek

Zoals we in de vorige delen zagen, is de bijbel een uniek boek met een unieke boodschap. Een boodschap die niet door mensen is bedacht, maar die afkomstig is van God zelf. Hoe uniek de bijbel is, blijkt onder andere uit de namen die aan dit boek gegeven worden. De belangrijkste daarvan zullen we in dit deel behandelen.

Het boek

De naam bijbel is afgeleid van het Griekse woord Biblia, dat boeken betekent. De bijbel bestaat namelijk uit 66 boeken. Toch vormen die boeken samen één geheel, één boek. Eén van de vertalingen van de bijbel kreeg daarom heel terecht de titel Het Boek mee. Deze benaming laat zien hoe uniek de bijbel is. Er is maar één echt belangrijk boek op deze wereld, en dat is Het Boek, de bijbel.

De openbaring van God

Een andere benaming voor de bijbel is: openbaring van God. In een openbaring wordt iets meegedeeld dat nog niet bekend is. In de bijbel maakt God bekend wie Hij is. Hij komt naar ons toe. Omdat wij bij Hem horen. God heeft de mens op de aarde geplaatst om zijn liefde te ontvangen en om Hem lief te hebben. In de bijbel laat God zien dat de mens zelf voor een ander leven gekozen heeft, waardoor hij van God verwijderd raakte. Maar God laat vooral zien dat Hij de mens niet heeft losgelaten. God is niet ver weg of onbereikbaar. Hij laat Zich vinden door mensen die Hem waren kwijtgeraakt.

‘…het mysterie dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen onthuld is’.
(Kolossenzen 1:26)

De bijbel is de openbaring van God. Want in de bijbel maakt Hij zijn liefde bekend.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Kolossenzen 1:26

Het Woord van God

Een bekende benaming voor de bijbel is: het Woord van God. In de bijbel reikt God ons zijn woorden aan. God heeft mensen gebruikt om zijn woorden op te schrijven. Maar het is wel zijn Woord. Wat God ons te zeggen heeft, vinden we alleen in de bijbel. Want niemand kan ons beter vertellen wie God is en wat Hij van ons vraagt, dan God zelf.

‘Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad.’
(Psalm 119:105)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 119:105

Het evangelie

De inhoud van de bijbel wordt ook wel evangelie, dat wil zeggen: goed nieuws genoemd. God brengt ons goed nieuws.
Goed nieuws, want:

  • God neemt de schuld weg. De mens heeft tegen God gekozen. Alle mensen staan sindsdien bij God in de schuld. Want wij schieten altijd tekort tegenover God. We zijn niet in staat om Hem de liefde te geven, waar Hij als onze maker recht op heeft. Geen mens kan die schuld ongedaan maken. Het goede nieuws is, dat Gods zoon, Jezus, de schuld van ons heeft overgenomen. In onze plaats heeft Hij daar met zijn leven voor betaald.
  • God redt uit de macht van de dood. Door de zonde is ook de dood in de wereld gekomen. Wij zijn sterfelijke mensen geworden. Maar God heeft de dood een halt toe geroepen. De dood slaat nog wel toe, maar kan de gestorven gelovigen niet voor altijd vasthouden. Dat hebben we te danken aan het werk van Jezus Christus. Hij is de eerste die uit de dood is opgestaan. Daardoor heeft Hij de dood overwonnen. De dood heeft niet langer het laatste woord.
  • God geeft toekomst: eeuwig leven op een nieuwe wereld God wil mensen weer terugbrengen naar het leven dat Hij voor hen bedoeld had. Een leven vrij van zonde, vrij van de dood. Daarvoor moet deze beschadigde aarde plaats maken voor een nieuwe wereld. God belooft dat die er zal komen. Als het zover is, zullen de doden opstaan uit het graf. Dan mogen de gelovigen in aanwezigheid van God een nieuw, eeuwig leven beginnen. Zo’n toekomst kan alleen God geven.

‘Mijn ziel smacht naar de redding die u brengt, in uw woord heb ik mijn hoop gesteld. Mijn ogen smachten naar uw belofte.’
(Psalm 119:81,82)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 119:81,82

De bijbel is de gids voor ons leven

We zouden de bijbel ook de gids voor ons leven kunnen noemen. Want de bijbel leert ons hoe we moeten leven. Het ligt in onze aard om ons daartegen te verzetten. Bovendien gaat leven zoals God dat vraagt, vaak met vallen en opstaan. Dat zien we bij de mensen die we in de bijbel tegenkomen, dat zullen we zelf ook ervaren. Toch hoeven we daar niet moedeloos van te worden. De bijbel is juist geschreven voor onvolmaakte mensen. Bovendien belooft God ons dat Hij onze fouten wil vergeven en dat Hij ons helpen wil om steeds meer naar zijn wil te leven. Dat betekent dat de bijbel niet na één keer lezen weer de kast in kan. We hebben de bijbel even hard nodig als het brood dat we elke dag eten. Telkens weer moeten we de bijbel als wegwijzer gebruiken. Dan ervaren we hoe uniek de bijbel is. We gaan steeds meer merken dat de bijbel een goede en waardevolle gids is. Want er is geen betere leermeester dan God.

‘Uw belofte heb ik in mijn hart geborgen, zo zal ik niet tegen u zondigen.
Geprezen bent u, HEER, onderwijs mij in uw wetten.
Mijn lippen hebben uitgesproken wat uw mond ons voorschreef.
Leven naar uw richtlijnen geeft mij vreugde, meer vreugde dan rijkdom en overvloed.
Uw regels wil ik overdenken, het oog op uw paden gericht.
Ik verheug mij in uw wetten, uw woord zal ik niet vergeten ‘
(Psalm 119:11-16).

Bij de namen die aan de bijbel gegeven worden, ligt de nadruk op wat God ons te zeggen heeft. Hij kent ons verleden, Hij wijst ons de weg voor het heden en Hij laat ons de toekomst zien. Het Woord van God omvat heel ons leven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 119:11-16

Geen ander boek is gelijk aan de bijbel

De bijbel is het enige boek dat mensen redding biedt. De bijbel wijst ook de weg hoe die redding te krijgen is. Toch wordt vaak gedacht dat andere boeken dezelfde waarde hebben als de bijbel. Dat zou betekenen, dat iedereen vrij is om te kiezen welk boek het beste bij hem past. Maar zo is het niet. Alleen de bijbel is een goddelijk boek met een unieke boodschap. Hoe uniek de bijbel is, blijkt onder andere uit het volgende.

  • Wat God in de bijbel belooft, gebeurt ook echt.
    In de bijbel zijn veel voorbeelden te vinden van beloften die uitkomen. We noemen het belangrijkste voorbeeld. In het begin van de bijbel belooft God een redder die de schuld van de mensen weg zal nemen. Eeuwenlang wordt die belofte herhaald. Het hele Oude Testament door komen we deze belofte tegen. Het Nieuwe Testament begint met ooggetuigenverslagen van de komst en het werk van deze redder. God doet wat Hij beloofde. Jezus is gekomen.
  • De vrijspraak van de schuld is gratis.
    Bij God hoeven wij zelf niets te verdienen. Alle andere godsdiensten wijzen zonder uitzondering een weg waarop de mens zelf zijn verlossing moet zien te vinden. Het unieke van de bijbel is dat God ons voor niets redding geeft. Het enige wat God van ons vraagt, is dat wij geloven in Jezus Christus. Wij hoeven niet zelf aan het werk om de vrijspraak van onze schuld te verdienen. Geen enkel boek van mensen is dus gelijk aan de bijbel. Daarom wijst de bijbel er zelf ook op dat er geen ander evangelie mag en kan bestaan.

‘Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel – vervloekt is hij!
(Galaten 1:8)

‘Ik verzeker u, broeders en zusters, dat het evangelie dat ik u verkondigd heb niet door mensen is bedacht – ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd- maar dat Jezus Christus mij is geopenbaard.’
(Galaten 1:11,12)

Het goede nieuws dat God in de bijbel bekend maakt, is uniek. Laten we daarom de bijbel aannemen als een kostbaar geschenk.

‘Goed voor mij is de wet uit uw mond, beter dan een schat aan goud en zilver’
(Psalm 119:72).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Galaten 1:11-12, Galaten 1:8, Psalm 119:72

 

Filmpje: tips voor bijbellezen

Vragen

  1. Wat betekenen de woorden: bijbel, openbaring en evangelie?
  2. Veel mensen geloven dat God niets meer met de mens te maken wil hebben. Waaruit blijkt dat dat niet waar is?
  3. Hoe komt het dat andere godsdiensten mensen zelf iets willen laten verdienen? Is het gemakkelijk of moeilijk voor mensen om de vrijspraak van schuld voor niets aan te nemen? Motiveer je antwoord.
  4. Welke benaming van de bijbel spreekt je het meest aan? Waarom?


Deel 5B:  God gaat met Abram op weg

God heeft ervoor gezorgd dat Abram en Sarai samen met Terach, Abrams vader, de stad Ur hebben verlaten. Hij wilde dat ze weggingen uit deze gevaarlijke stad, waar zelfs hun familieleden afgoden vereren. Ze komen terecht in Haran. Daar blijven ze een tijdlang wonen. Maar nadat Terach overleden is, moeten ze verder.

God spreekt tot Abram

Lezen: Genesis 12:1-9
12:2 zegenen: zich inzetten voor, het goede zoeken voor.
12:3 vervloeken: het kwade zoeken voor.

De eerste drie verzen van Genesis 12 zijn erg belangrijk. In deze verzen hoort Abram wat God met hem van plan is. God geeft hem een opdracht en een aantal beloften.

‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen ; Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen wie jou bespot, zal Ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij’.
(Genesis12:1-3)

De opdracht

God vraagt van Abram dat hij zijn land en zijn familie verlaat. Hij moet weg uit Haran, weg van de familie van zijn vader die daar nog woont. Dat is een zware opdracht. Naar het buitenland gaan betekent voor Abram dat hij veel van zijn rechten zal verliezen. Het betekent dat hij en zijn vrouw het gevaar zullen lopen slecht behandeld en gediscrimineerd te worden. Bovendien moet Abram niet alleen zijn land, maar ook zijn familie verlaten. In een tijd waarin de mensen gewoonlijk hun levenlang in familieverband bij elkaar blijven wonen, is dat een ingrijpende stap. Familieleden beschermen en helpen elkaar. Abram moet die hulp en bescherming opgeven. Alles wat zekerheid biedt, moet hij achter zich laten.’

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 12:1-9, Genesis 12:1-3

De beloften

God vraagt iets zwaars van Abram en Sarai. Maar daarnaast belooft Hij ze geweldige dingen. In de eerste plaats een eigen land. Abram krijgt dus niet zomaar het bevel zijn land en familie te verlaten. God belooft hem er iets beters voor in de plaats te geven. Hij zal Abram persoonlijk de weg wijzen naar het land dat Hij voor hem in gedachten heeft: Kanaän

 – het tegenwoordige Israël.

In de tweede plaats belooft God Abram en Sarai nakomelingen. God wil ervoor zorgen dat uit hen een groot volk ontstaat. Dat volk zal kunnen leven in het land dat God Abram zal geven.

Tenslotte belooft God Abram zijn zegen. Abram zal een belangrijk persoon worden en het zal hem goed gaan. Maar bovendien: het zal alle mensen op aarde die aan Abrams kant staan, goed gaan. De zegen die nu voor Abram is bedoeld, zal zich eens over alle volken op aarde uitbreiden. Dat bedoelt God wanneer Hij zegt: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’

God belooft hier niet dat al die mensen dan rijk, welvarend en beroemd zullen worden. Hij bedoelt vooral: al die mensen zullen gered worden uit de macht van de satan (Galaten 3:8,9). God zal een eind maken aan de straf die Hij de mensen heeft opgelegd. Dat God dat allemaal bedoelde, heeft Abram waarschijnlijk niet geweten. Maar wij kunnen het achteraf wel zeggen, omdat we de hele bijbel nu hebben. God belooft Abram dus prachtige dingen. Maar het is voor Abram niet makkelijk om te geloven dat hij die dingen ook werkelijk zal krijgen. Kanaän, het land dat God voor hem bestemd heeft, is geen leeg land dat ligt te wachten op Abram en zijn toekomstige nakomelingen: het land wordt al bewoond door talloze mensen uit allerlei volken (Genesis 15:19). En wat de belofte van nakomelingen betreft: dat er een groot volk uit Abram en Sarai zal voortkomen, lijkt onmogelijk. Ze kunnen geen kinderen krijgen (Genesis 11:30) – laat staan dat er een volk uit hen kan voortkomen!

Tekstverwijzingen en citaten uit: Galaten 3:8-9, Genesis 15:19, Genesis 11:30

Abram gelooft God op zijn woord

Maar al pleit alles er tegen, toch gelooft Abram God op zijn woord (Hebreeën 11:8). Hij vertrouwt er op dat God kan geven wat Hij beloofd heeft. En hij doet wat God hem heeft opgedragen: hij gaat samen met Sarai en met zijn neef Lot op weg. Hun slaven, hun vee en hun overige bezit nemen ze mee. Na een reis van honderden kilometers komen ze aan in Kanaän (Genesis 12:4-5) (zie kaart 2 in Wegwijzer).

En als Abram daar is – wordt hij dan direct beloond voor zijn vertrouwen in God? Gaan alle inwoners van Kanaän meteen op de vlucht als ze hem aan zien komen? Nee. God stelt Abrams geduld op de proef. Hij belooft Abram dat zijn nakomelingen het land zullen krijgen (Genesis 12:6-7). Abram moet het voorlopig dus doen met een belofte. Maar hij blijft geloven in wat God gezegd heeft. Als een antwoord op Gods belofte bouwt hij een altaar en brengt Hij God een offer. Een duidelijk bewijs dat hij vertrouwen heeft in God. Temeer als je ziet wáár Abram dat offer brengt: in de plaats Sichem bij een bijzondere boom – de terebint More. Je kunt dat vertalen als ‘de waarzeggersterebint’.Deze terebint wordt beschouwd als een heilige boom. De inwoners van Kanaän geloven dat hun goden daar tot hen spreken. Bij de boom brengen ze offers om de goden gunstig te stemmen. Juist bij deze boom heeft God tot Abram gesproken. God liet zo heel duidelijk merken dat de Kanaänitische goden niets voorstellen, en dat Hij de echte God is, die overal macht heeft. Niet alleen in Ur, maar ook in Kanaän. En Abram, van zijn kant, laat nu voor de ogen van alle Kanaänieten zien dat hij niet gelooft in de macht van hun goden. Vlak bij hun heilige terebint brengt hij een offer aan zijn eigen God. Een moedige daad, die Abram zelfs het leven had kunnen kosten. Je zou je kunnen voorstellen dat hij zich liever wat onopvallend in Kanaän zou willen ophouden. Maar hij laat meteen aan de Kanaänieten zien waar het op staat. Want hij is er rotsvast van overtuigd dat God hem zal beschermen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Hebreeën 11:8, Genesis 12: 4-5, Genesis 12: 6-7

Abram probeert zichzelf te redden

Abram is nu in Kanaän. Niet als wettige inwoner, maar als vreemdeling. Hij bezit zelfs geen enkel stuk grond in het land dat God hem heeft toegezegd. Maar in ieder geval: hij is er. Maar dat duurt niet lang. Er breekt hongersnood uit en Abram ziet zich genoodzaakt met Sarai en met zijn neef Lot naar Egypte te gaan (zie kaart 2 in Wegwijzer). Kennelijk weten ze dat er daar voldoende te eten is.

Lezen: Genesis 12:10-20

12:15 farao: de titel van de Egyptische koning.

12:17 plagen: straffen.

Abram weet dat hij in Egypte, evenals in Kanaän, rechteloos is. Hij is bang dat de Egyptenaren hem uit de weg zullen ruimen wanneer ze er achter komen dat hij de echtgenoot van de zeer knappe Sarai is. Vandaar dat hij op het idee komt om te zeggen dat Sarai zijn zus is. Het is niet eens een echte leugen: Sarai is een stiefzus van Abram (Genesis 20:12). De positie van een broer is heel wat veiliger dan die van een echtgenoot. Wanneer er mannen bij hem om Sarai’s hand zullen dingen, kan Abram ze waarschijnlijk wel afschepen met een vage belofte. Op die manier kan Abram zichzelf het leven redden. Het plan lijkt goed te werken. Tot Sarai’s schoonheid ook de koning van Egypte ter ore komt. Hij laat haar onmiddellijk in zijn harem opnemen. Een koning heeft in die dagen onbeperkte macht. Hij neemt wat hij wil en niemand kan hem tegenhouden. Abram wordt dan ook niets gevraagd. Kennelijk is de koning zeer onder de indruk van deze prachtige vrouw. Hij geeft Abram, de ‘broer’ van zijn nieuwe vrouw, een complete veestapel, en daarnaast nog allerlei slaven en slavinnen! Abram zegt niets; en ook Sarai houdt terwille van Abram haar mond. Maar God grijpt in. Hij straft de farao en zijn familie. Op wat voor manier God dat doet, staat niet in de bijbel. Misschien worden er mensen ziek. De farao begrijpt in ieder geval wat er aan de hand is. Hij is zeer verontwaardigd dat Abram niets gezegd heeft, en laat hem en Sarai meteen het land uit zetten.

Uit deze geschiedenis blijkt dat Abrams vertrouwen in God niet altijd even groot is geweest. Met vallen en opstaan moet Abram leren echt op God te vertrouwen. Hier lijkt hij God zelfs helemaal vergeten te zijn. God had beloofd dat Hij hem tot een groot volk zou maken en dat Hij hem zou zegenen. Hij had hem de garantie gegeven: ‘Wie u bespot, zal Ik vervloeken’ (Genesis 12:2-3). Abram kon dus heel goed weten dat Sarai en hij veilig waren, waar ze ook heengingen. Maar toen het er op aan kwam, durfde hij niet op Gods bescherming te vertrouwen. Als God niet had ingegrepen had Sarai de rest van haar leven moeten slijten aan het Egyptische hof. Er had dan geen sprake meer van kunnen zijn dat uit Abram en Sarai een volk zou voortkomen. Maar God wil doen wat Hij beloofd heeft: Hij wil Abram een land geven en hem de stamvader maken van een volk. Daarom redt Hij Sarai en zorgt Hij er zelfs voor dat Abram en zij rijker uit Egypte weggaan dan dat ze er kwamen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 12:10-20, Genesis 20:12, Genesis 12: 2-3

Abram en Lot gaan uiteen

Abram heeft zijn hele familie achtergelaten in Ur. Alleen Lot, de zoon van Abrams overleden broer, is met hem meegetrokken. Maar zelfs die zal hij voortaan moeten missen. Abram, Sarai en Lot zetten, wanneer ze uit Egypte komen, hun tenten op bij de plaats Betel (zie kaart 3 in Wegwijzer). Abram en Lot zijn allebei rijk. Ze hebben veel vee. Beiden hebben ze herders in dienst die voor hun koeien en schapen zorgen. Maar op een dag krijgen hun herders ruzie met elkaar, omdat er te weinig weidegrond is. Abram vindt het beter dat Lot en hij dan maar uit elkaar gaan (Genesis 13:8-13). Ze zijn tenslotte allebei gasten in Kanaän. Ze moeten voorkomen dat er moeilijkheden ontstaan. Abram laat zijn neef kiezen naar welk deel van het land hij wil gaan. Vanaf de heuvel waarop ze staan, ziet Lot hoe groen de streek bij de rivier de Jordaan er uit ziet. Het lijkt het paradijs wel! Hij kiest, zonder aan zijn oom te denken, deze vruchtbare streek uit, en gaat wonen in de buurt van Sodom. Deze stad staat bekend om de slechtheid van zijn inwoners. Maar dat kan Lot kennelijk niet schelen.

Abram blijkt geleerd te hebben van de gebeurtenis in Egypte. Hij probeert niet buiten God om zijn eigen zaken te regelen. Hij vindt het niet erg dat Lot het beste deel van Kanaän uitkiest. Hij is bereid te wachten tot God hem zijn deel zal geven. Dat hij daarmee juist heeft gehandeld, blijkt wanneer Lot weggetrokken is.

Lezen: Genesis 13:14-18

Genesis 13:18 Hebron: zie kaart 3

Wanneer Lot is vertrokken, bemoedigt God Abram: Hij belooft hem dat heel Kanaän zijn eigendom zal worden. Daarbij geeft God Abram de verzekering dat hij niet alleen zal blijven in dit land. Hij en Sarai zullen ontelbaar veel nakomelingen krijgen. Abram gelooft wat God hem belooft. Net als in Sichem bouwt hij, als antwoord op Gods belofte, een altaar voor Hem.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 13: 8-13, Genesis 13:14-18

Melchizedek

Hoe goed God voor hem wil zorgen, merkt Abram enige tijd later (Genesis 14:1-17). De rust in Kanaän wordt plotseling verstoord. Een aantal koningen van volken die ten oosten van Kanaän leven, vallen steden in het gebied bij de Jordaan aan. Ze behalen een verpletterende overwinning op de Kanaänieten (zie kaart 3 in Wegwijzer). De steden Sodom en Gomorra worden leeggeplunderd en veel van de inwoners van deze steden worden gevangen genomen en weggevoerd. Abram krijgt van iemand die gevlucht is het bericht dat ook zijn neef Lot gevangen genomen is. Met ruim driehonderd van zijn slaven gaat hij erop af. ‘s Nachts valt hij de vijanden aan. En dankzij God behaalt hij met zijn kleine legertje de overwinning.

Abram heeft Kanaän, het land dat God hem beloofd heeft, bevrijd van de vijanden (Genesis 14:18-24). Wanneer hij terug keert van de overwinning, komt iemand hem tegemoet. Het is Melchizedek, de koning van Salem – de stad die later ‘Jeruzalem’ wordt genoemd. Hij geeft Abram en zijn mannen brood en wijn, zodat ze weer op krachten kunnen komen. Melchizedek is geen gewone koning. Hij is behalve koning ook een priester

, een speciale dienaar van God. Tussen al die Kanaänieten die afgoden vereren, is dus ook iemand die God vereert. Dat moet voor Abram een grote bemoediging zijn geweest. Melchizedek zegt tegen Abram: ‘De God die de hemel en aarde gemaakt heeft, heeft u deze overwinning gegeven! Moge die God u zijn zegen geven!’ (Genesis 14:19-20)

Via Melchizedek laat God zo aan Abram weten: Je hoeft niet bang te zijn in dit land. Ik heb je nu de overwinning gegeven en Ik zal je altijd beschermen. Zo bemoedigt God Abram, en leert Hij hem dat hij in iedere situatie volledig op Hem kan rekenen. God zorgt ervoor dat Abrams geloof steeds sterker wordt.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 14, Genesis 14: 1-17., Genesis 14: 18-24, Genesis 14: 19-20

Vragen

  1. Waarom wilde God dat Abram zijn vaderland en zijn familie verliet? Zie Jozua 24:2-3 en Genesis 12:1-3. Jozua 24:2 Jozua: de leider van het volk Israël. De rivier: de Eufraat.
  2. Je zou kunnen zeggen dat Abram een sprong in het diepe moest doen. Alles wat zekerheid bood, moest hij opgeven: hij moest doen wat God van hem vroeg en er volledig op vertrouwen dat God zich aan zijn belofte zou houden.
    1. Wat is de reden dat Abram die sprong in het diepe durfde te wagen? Zie Hebreeën 11:8. Abraham: de naam die Abram later van God kreeg.
    2. Waar komt geloof vandaan? Zie hiervoor Efeziërs 2:8. Genade: een gave van God.
    3. Met vallen en opstaan leert Abraham op God te vertrouwen.
    4. In welke gebeurtenissen die in dit deel zijn behandeld, blijkt Abrams vertrouwen op God?
    5. Waarin blijkt Abrahams gebrek aan vertrouwen op God?

Tekstverwijzingen en citaten uit: Jozua 24:2-3, Genesis 12:1-3, Hebreeën 11:8, Efeziërs 2:8

Deel 5C:  Jezus Christus, onze redder

We zagen in deel 3C dat de apostolische geloofsbelijdenis uit drie gedeelten bestaat. Het eerste gedeelte, dat we de vorige keer behandelden, gaat over God de Vader en zijn werk: het maken, het in stand houden, en het regeren van de wereld. We zijn nu toe aan het gedeelte over God de Zoon en zijn werk: de redding van de mensen.

De naam van Gods zoon: Jezus

Wanneer je de apostolische geloofsbelijdenis bekijkt (deel 3C), zul je zien dat aan God de Zoon veel aandacht wordt besteed: zes van de twaalf artikelen van de geloofsbelijdenis handelen over Gods Zoon en zijn werk. In de komende zes C-delen worden deze onderdelen een voor een behandeld. In dit deel kijken we naar de namen die Gods Zoon heeft gekregen. Eerst kijken we naar de naam ‘Jezus’; aan het eind van de deel gaat het over de naam ‘Christus’. De naam Jezus betekent ‘Redder’. Een naam die precies bij Gods Zoon past. Want Hij is juist naar de aarde gekomen om mensen te redden.

Levensgevaar

Waarom en waarvan moeten de mensen gered worden? Wanneer je huis in brand staat, en je zit er zelf in opgesloten – dan heb je redding nodig. Of wanneer je in zee zwemt en je krijgt kramp. Of wanneer er iets in je luchtpijp blijft steken en je dreigt te stikken. Dat je in zulke gevallen gered moet worden, is duidelijk. Maar wanneer het je goed gaat, en je gelukkig bent – wat moet je dan met een redder? Een redder heb je alleen nodig als je in nood zit. Nu is het zo dat mensen ook in nood kunnen zijn zonder dat ze het zelf weten. Neem bijvoorbeeld het geval dat de politie een telefoontje krijgt dat er in een bepaald gebouw een bom geplaatst is. De mensen die zich in dat gebouw bevinden, weten op dat moment nog niet dat ze in levensgevaar zijn. Ze weten niet dat ze redding nodig hebben. Dat krijgen ze pas in de gaten wanneer de politie het bericht doorgeeft en het gebouw laat ontruimen. Mensen kunnen dus in levensgevaar zijn zonder dat ze het zelf doorhebben. Uit de bijbel weten we dat alle mensen redding nodig hebben. Als er niets gebeurt, is iedereen, zonder uitzondering, ten dode opgeschreven (Johannes 3:36).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 3:36

Redding is noodzakelijk

Alle mensen gaan uit zichzelf tegen Gods wil in (Romeinen 7:23). Iedereen staat bij God in de schuld. God vraagt van ons namelijk het zelfde als wat Hij vroeg van Adam en Eva. Ook van ons vraagt God trouw, liefde en gehoorzaamheid. Die eis is niet onredelijk. God heeft de mensen immers zo gemaakt dat ze Hem konden liefhebben en gehoorzamen (Genesis 1:31). Dat de mensen tegen God in opstand zijn gekomen, dat ze Hem ontrouw zijn geworden, verandert niets aan Gods eis. God had tegen Adam en Eva gezegd dat Hij hen met de dood zou straffen wanneer ze Hem ontrouw zouden worden. Daarmee bedoelde God niet alleen dat de mensen zouden moeten sterven (Genesis 2:16-17). Hij bedoelde ook dat ze voor eeuwig van Hem verlaten zouden zijn. Dat ze het voor altijd zonder Hem zouden moeten doen. Een vreselijk vooruitzicht. In plaats van een gelukkig, altijddurend leven met God, zou de mensen dan een eeuwige straf te wachten staan. Adam en Eva kwamen tegen God in opstand (Genesis 3). Ze waren Hem ongehoorzaam. We hebben in deel 2B gezien dat dat geen noodlot was. Ze konden en ze wisten beter. Ze hebben, terwijl ze bij hun volle verstand waren, gekozen tegen God en voor de dood. Maar niet alleen Adam en Eva stond de eeuwige dood te wachten – ook alle mensen die na hen kwamen, en die God net als Adam en Eva ongehoorzaam waren (Romeinen 5:12). Ook ons staat een altijddurende straf te wachten (Galaten 3:10). God is een heilige God. Hij vindt het vreselijk dat wij Hem ontrouw zijn en dat we voortdurend ongehoorzaam aan Hem zijn. Nu zouden we kunnen zeggen: maar God is toch liefdevol (1 Johannes 4:8)? Er staat toch in de bijbel dat Hij liefde is, dat Hij een medelijdend God is (Psalm 103:8)? Kan Hij dan niet met zijn hand over zijn hart strijken? Inderdaad, het staat in de bijbel: God is liefdevol. Maar uit de bijbel weten we ook dat God rechtvaardig is (Psalm 7:10). We kunnen Gods liefde niet uitspelen tegen zijn rechtvaardigheid. God heeft gezegd: wie ongehoorzaam is, wordt gestraft (Exodus 34:6-7). En daar blijft Hij bij. Want God is niet een veranderlijk mens. Hij is God. Hij blijft altijd dezelfde. Wat Hij gezegd heeft, al is het duizenden jaren geleden, blijft van kracht. Daarom kan niemand uit onder de verschrikkelijke werkelijkheid: alle mensen verdienen Gods straf.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Romeinen 7:23, Genesis 1:31, Genesis 2:16-17, Genesis 3, Romeinen 5:12, Galaten 3:10, 1 Johannes 4:8, Psalm 103:8, Psalm 7:10, Exodus 34:6-7

Is er redding mogelijk?

Het is er dus slecht aan toe met de mensen. De toestand is net zo erg als de toestand van de mensen die zich bevinden in een gebouw waarin een tijdbom is neergelegd. Als niemand ingrijpt, loopt het rampzalig met hen af. Wanneer we inzien in welke situatie we ons bevinden, kunnen we maar één ding: redding zoeken. Is er een mogelijkheid om aan de straf te ontkomen? De bijbel vergelijkt onze situatie met de situatie van iemand die schulden heeft (Matteüs 18:21-35). We moeten God onze schuld terugbetalen. Maar dat is voor ons iets onmogelijks. We kunnen onze schuld niet afbetalen. Onze schuld bij God wordt juist elke dag groter. Maar gelukkig is er één mogelijkheid om van die schuld af te komen: iemand anders zou hem mogen afbetalen (Romeinen 8:3-4). We hoeven dus niet zélf God op een volmaakte manier gehoorzaam te zijn om gered te worden: we hoeven niet zélf de doodstraf te ondergaan. Als iemand anders dat voor ons wil doen, is het ook goed. Als een ander mens onze schuld wil afbetalen, neemt God daar genoegen mee.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteüs 18:21-35, Romeinen 8:3-4

Wie kan de schuld betalen?

Maar wie zou een dergelijke enorme schuld willen en kunnen afbetalen? Geen mens. Ook al zou een mens dat voor een ander willen doen – hij zou het niet kunnen (Psalm 49:8-9). Niemand zou de zware straf van God kunnen dragen zonder er onder te bezwijken (Nahum 1:6). En bovendien: hoe zou de ene zondige mens de andere zondige mens kunnen redden? De ontsnappingsweg die God ons biedt, lijkt al meteen dood te lopen. Er is geen mens die de andere mensen zou kunnen redden. Maar het wonderbaarlijke is dat God de Vader zélf heeft gezorgd voor een ontsnappingsweg. Hij heeft zijn eigen Zoon mens laten worden:

‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen, die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden. Over wie in Hem gelooft, wordt geen oordeel uitgesproken.’
(Johannes 3:16-17)

Naar het begin van deze bijbeltekst hebben we al eerder gekeken. Maar dit is dan ook een zeer belangrijke passage uit de bijbel. Hieruit blijkt dat God zélf voor de mogelijkheid zorgt om aan de straf te ontkomen. God blijft bij zijn eis. En Hij blijft bij de straf die Hij op ongehoorzaamheid, op ontrouw, had gesteld. Maar Hij laat zijn eigen Zoon mens worden – zodat zijn Zoon als mens de schuld voor andere mensen kan betalen. God is dus geen wrede tiran, die er plezier in heeft de mensen te straffen voor hun misdaden (Ezechiël 33:11). Integendeel. God houdt zoveel van de mensen, dat Hij zijn eigen Zoon voor hen wil opofferen. Zijn eigen Zoon zal als mens aan Gods eis voldoen én de straf dragen die voor de mensen bedoeld was.

Wij hoeven niets te doen om bij God in de gunst te komen. We hoeven Hem niet op een volmaakte manier gehoorzaam te zijn: we hoeven niet de straf te ondergaan die we verdienen. Het enige wat we moeten doen, is: geloven in Gods Zoon (Johannes 3:36). Geloven dat Hij onze schuld al heeft afbetaald.

Stel, je zit om de een of andere reden zwaar in de schulden. De deurwaarder staat al op de stoep. Maar dan geeft iemand je een getekende cheque met daarop ingevuld het bedrag dat je nodig hebt. Natuurlijk zul je meteen met die cheque naar de bank gaan, en je schuld afbetalen. Je zult de cheque niet thuis laten liggen, met de gedachte: het is toch maar een stukje papier – daar heb ik niets aan. Zo krijgen we van Gods Zoon als het ware een cheque met zijn handtekening. Daarmee zijn we voorgoed van onze schuld bij God af. Natuurlijk moeten we wél erkennen dat we bij God in de schuld staan, en die cheque accepteren. En we moeten er ook mee naar God toe. Anders hebben we er niets aan.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 49:8-9, Nahum 1:6, Johannes 3:16-17, Exechiël 33:11, Johannes 3:36

Gods Zoon: onze redder

Gods Zoon, Jezus, is de redder van de mensen. Hij heeft de straf gedragen in onze plaats. Hij, een mens die God volmaakt gehoorzaam was, is door God beschouwd als een grote zondaar:

‘God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden’
(2 Korintiërs 5:21)

Dat wil zeggen: God heeft omwille van ons zijn Zoon als één en al slechtheid beschouwd. Hij heeft Hem voor die slechtheid – onze zonden – gestraft. Met welk doel? Om ons door onze eenheid met zijn Zoon (‘in Hem’) rechtvaardig te kunnen verklaren. Er treedt dus een ruil op: Jezus en wij verwisselen als het ware van plaats. Onze slechtheid komt op Jezus’ schouders terecht: Jezus wordt ervoor gestraft. En aan de andere kant: de gehoorzaamheid van Jezus geldt voor God als onze gehoorzaamheid (Handelingen 10:43). Deze ruil kunnen wij niet zelf verdienen door goede daden te doen of iets dergelijks. Het is een geschenk van God. We hoeven het alleen maar te aanvaarden. We moeten alleen geloven dat Jezus in onze plaats gestraft is. Als we dat doen, scheldt God ons onze schuld kwijt. En meer nog: dan beschouwt Hij ons als zijn kinderen (1 Johannes 2:1-2).

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Korintiërs 5:21, Handelingen 10:43, 1 Johannes 2:1-2

Filmpje: T-shirt

Jezus, de Christus

De geloofsbelijdenis spreekt over Gods Zoon als over ‘Jezus Christus’. Wat is de betekenis van de naam ‘Christus’? Letterlijk betekent deze naam: ‘gezalfde’. Het woord ‘gezalfde’ verwijst naar een handeling die in de tijd van het Oude Testament regelmatig plaatsvond (Exodus 30:22-25). In de tijd van het Oude Testament werd iemand die een speciale taak van God kreeg, eerst gezalfd. Er werd in opdracht van God een olieachtig parfum over zijn hoofd uitgegoten. Op die manier wist de betreffende persoon dat Hij door God zelf was aangesteld voor een bepaalde taak. Hij ondervond aan den lijve dat God hem had uitgekozen. Dat God mensen op deze manier tot een taak aanstelde, had een betekenis. Olie was een symbool van de Heilige Geest. Wanneer de olie over iemand heen stroomde, was dat een teken van het feit dat ook de Heilige Geest als het ware over hem heen stroomde (Jesaja 61:1). Het zalven maakte duidelijk: de Heilige Geest helpt je. Hij maakt je geschikt om je taak uit te voeren. Wat was de taak die een ‘gezalfde’ kreeg? Dat kon verschillen. Iemand kon worden gezalfd tot profeet. Hij kreeg dan de taak om namens God tot zijn volksgenoten te spreken. Hij moest de mensen bekendmaken wat God van hen verwachtte; ook kondigde een profeet soms aan wat God in de toekomst zou doen (2 Koningen 19:6). Een andere functie waarvoor mensen gezalfd werden, was de functie van priester (Exodus 28:41). Een priester was iemand die op een bijzondere manier in dienst van God stond. In de tijd van het volk Israël waren het de priesters die namens het volk offers brachten aan God. Tenslotte werden er mensen gezalfd tot koning (1 Samuël 10:1). Zij kregen de taak om namens God over hun volksgenoten te regeren.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 30:22-25, Jesaja 61:1, 1 Koningen 19:16, Exodus 28:41, 1 Samuël 10:1

De zalving van Jezus

Voordat Jezus op aarde met zijn werk begon, werd ook Hij gezalfd (Deel 16B). Niet met olie, maar met de Heilige Geest zelf (Matteüs 3:13-17). God maakte zo duidelijk dat Hij zelf zijn Zoon een taak had gegeven. Ook maakte God duidelijk dat de Heilige Geest Jezus de kracht zou geven om zijn zware opdracht te vervullen.

Er zijn veel mensen geweest die door God zijn aangesteld voor een bepaalde taak. Maar Jezus heeft de belangrijkste en moeilijkste taak gekregen die er was. Omdat Hij de door God aangestelde is, wordt Hij in de bijbel vaak ‘de Christus’, of gewoon ‘Christus’ genoemd.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Matteüs 3:13-17

Welke taak?

Mensen die de functie van profeet, van priester, of van koning kregen, werden gezalfd. Wat is nu precies de taak die Jezus krijgt? De bijbel laat ons zien dat Hij alle drie de functies krijgt. God stelt Jezus aan tot:

  • Profeet: Hij moet namens God tot de mensen spreken, en hun alles bekend maken over Gods plan om hen te redden (Johannes 15:15, Handelingen 3:22-23).
  • Priester: Hij moet aan God het belangrijkste offer brengen dat een priester ooit gebracht heeft: zichzelf. Dat is de manier waarop Hij de mensen kan redden (Hebreeën 10:11-12).
  • Koning: Hij zal over de mensen regeren en ze verlossen uit de macht van de satan (Lukas 1:32,33). Wat de bijbel ook laat zien, is dat Gods Zoon de taak die Hij van zijn Vader kreeg, helemaal heeft uitgevoerd. Hij heeft het werk gedaan waarvoor God Hem naar de aarde stuurde. Daarom kunnen wij nu leven in een goede verhouding met God.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 15:15, Handelingen 3:22-23, Hebreeën 10:11-12, Lucas 1:32-33

 

Filmpje: Jezus


Vragen

  1. Wat betekent de naam Jezus?
  2. Waarom kreeg Gods Zoon deze naam?
  3. Wat betekent de naam Christus?
  4. Waarom kreeg Gods Zoon deze naam?
  5. Hoe heeft God zijn liefde voor de mensen bewezen?

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd *

*

1 reactie

  • Theo Sterkeboer 1 jaar geleden

    Ik ben erg blij met deze bijbel cursus ik leer de Bijbel beter te begrijpen. Ik ben daar heel dankbaar voor.