Bijbelcursus les 7

Deel 7A:  De bijbel werkt overtuigend

De bijbel is het Woord van God. De bijbel bevat geen verzinsels van mensen, maar de waarheid. Veel mensen vragen zich af hoe je daar zeker van kunt zijn. Is dat te bewijzen? Maar de bijbel laat zich niet bewijzen. Ook een gelovige heeft geen bewijs en toch weet hij dat de bijbel het Woord van God is. Hij heeft zich laten over tuigen van de waarheid.

Mensen vragen om bewijzen

De eerste mensen die met het evangelie van Christus in aanraking kwamen, hadden moeite met wat ze hoorden. Het goede nieuws werd met argwaan beluisterd. Moesten ze gered worden door iemand die gestorven was en daarna was opgestaan? Dat is toch onmogelijk? Ze zouden voor gek verklaard worden als ze zoiets zomaar voor waar zouden aannemen. Eerst moesten de brengers van die vreemde boodschap daar maar een bewijs van geven. Maar zo’n bewijs kregen ze niet. Want Gods reddingsplan is niet te verklaren door de kennis van de mens.

‘ De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. Er staat namelijk geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.’ Waar is de wijze, waar de schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd?
‘(1 Kor 1:18-20)

Mensen willen graag harde bewijzen voordat ze ergens in willen geloven. Dat geldt zeker voor de eeuw van techniek en wetenschap waarin wij leven. Veel mensen hebben een groot vertrouwen in de wetenschap. Maar de waarheid van de bijbel laat zich niet bewijzen. Ook niet door de wetenschap.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Kor 1:18-20

Geen mens kan het bewijzen

Langs wetenschappelijke weg is de waarheid van de bijbel niet te bewijzen. Maar is het dan misschien toch mogelijk dat de ene mens de andere ervan overtuigen kan dat de bijbel het Woord van God is? Sommigen menen van wel. Zo staat voor rooms-katholieken vast dat de bijbel Gods Woord is omdat de kerk dat heeft uitgesproken. En aan het gezag van de kerk mag niet getwijfeld worden.
Anderen doen opgravingen op plaatsen die in de bijbel beschreven zijn. Zo hoopt men op het Araratgebergte resten van de ark van Noach terug te vinden. Daarmee wil men dan anderen ervan overtuigen, dat de bijbel gelijk heeft. In beide gevallen berust het zogenaamde bewijs op een uitspraak of ontdekking van mensen. Maar een menselijke uitspraak heeft geen goddelijk gezag. Geen mens kan een ander doen geloven dat de bijbel het Woord van God is. Hoe groot zijn overtuigingskracht ook mag lijken.

De bijbel overtuigt mensen

  • Een overtuigende kracht
    Eeuw in, eeuw uit hebben mensen zich laten overtuigen door de woorden van de bijbel. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in Lukas 24.
    Twee mannen zijn op weg van Jeruzalem naar hun woonplaats Emmaüs. Onderweg bespreken ze de gebeurtenissen van de afgelopen drie dagen met elkaar. Ze praten over het doodvonnis van Jezus en de kruisiging die daarop volgde. Maar ze zijn vooral in de war omdat ze die morgen gehoord hebben, dat Jezus niet meer in het graf ligt, maar weer leeft. Op dat moment komt Jezus naast hen lopen. Ze zijn zo van slag, dat ze Hem niet herkennen. Jezus vraagt hun waarover ze zo druk in gesprek zijn. Dan blijkt dat ze niets begrepen hebben van de bedoeling van zijn sterven en opstanding. Dan laat Jezus hun zien waarom dit gebeuren moest. Niet door naar zichzelf te wijzen, maar door het uitleggen van het Oude Testament.’Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten’.
    (Lucas 24:25-27)

Terwijl Jezus met de twee mannen spreekt, raken ze overtuigd door zijn woorden. Daardoor gaan ze zien en begrijpen wat de bedoeling van Jezus’ komst op aarde is. En pas daarna gaan hun ogen open en herkennen ze Jezus. Want de volgorde is niet: eerst zien, begrijpen en dan geloven, maar: eerst geloven, en dan ook zien en begrijpen.

Op dezelfde manier brengt Jezus zijn andere leerlingen tot geloof. Hij gebruikt de overtuigingskracht van de bijbel. Zijn leerlingen volgen later dit voorbeeld. Hun toehoorders laten zich overtuigen door de uitleg van de bijbel. Zo zegt Paulus:

‘De boodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest, want uw geloof moest niet op menselijke wijsheid steunen, maar op de kracht van God..’
( 1 Kor 2:4-5).

  •  We moeten ons laten overtuigen
    Het Woord van God is geen vrijblijvend bericht. Het is een kracht die mensen overwint. Er gebeurt iets met ons als we de bijbel lezen. De bijbel laat ons zien wie wij zijn. Dat komt hard aan. Maar datzelfde Woord leidt ook tot ons behoud. ” We kunnen de bijbel daarom niet zomaar naast ons neerleggen. Of: we laten ons overtuigen en overwinnen. Of: wij verzetten ons ertegen. Een tussenweg is er niet.
  • We raken overtuigd van de waarheid
    Als we ons laten overtuigen, komen wij steeds meer onder de indruk van de waarheid van de bijbel. We merken dan dat God altijd zijn Woord houdt en dat dat Woord in ons leven zijn werk doet. We worden zeker van de eeuwige waarde en waarheid van Gods Woord.
    ‘HEER, voor eeuwig staat uw woord in de hemel vast. Uw trouw duurt van geslacht op geslacht, u hebt de aarde gegrondvest en zij houdt stand’.
    (Psalm 119:89-90).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 24:25-27, 1 Kor 2:4-5, Psalm 119:89-90

Ontvangen en aannemen

De waarheid van de bijbel is niet te bewijzen. De bijbel is een geschenk van God. En God vertelt alleen wat waar is. Zo moeten we de bijbel ook ontvangen en aannemen. We hoeven niet te vragen naar een certificaat van echtheid. Als we zonder voorbehoud de bijbel lezen als het Woord van God en niet als dat van mensen, gaat dat Woord werken in ons hart.

‘Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft.’
(1 Tessalonicenzen 2:13)

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Tessalonicenzen 2:13

Filmpje: de Bijbel onderschatten?

 

Vragen

  1. Wat zegt Paulus in 1 Kor 2:4 en 5 over de overtuigingskracht van de bijbel?
  2. In dit deel zijn het vragen naar bewijzen en de overtuigingskracht van de bijbel tegenover elkaar gezet. Bij bewijzen hoort: zien. Welk (werk)woord hoort bij overtuigingskracht?
  3. Wat gebeurt er met iemand die zich laat overtuigen door Gods woord?

Tekstverwijzingen en citaten uit: 1 Kor 2:4 en 5

 


Deel 7B:  God geeft Abraham een zoon

Abraham en Sara hebben lang moeten wachten op de zoon die God hun beloofd heeft. Maar hun geduld wordt uiteindelijk beloond. Een jaar nadat God bij Abraham op bezoek is geweest, wordt Isaak geboren. (Genesis 18:1-15)

De geboorte van Isaak

Lezen: Genesis 21:1-7

21:3 Isaak: ‘hij lacht’.

Uit dit stukje blijkt duidelijk dat het God is die ervoor zorgt dat Sara een kind krijgt (Genesis 21:1). Sara is te oud om nog zwanger te worden. Medisch gezien is het onmogelijk dat de beloofde zoon er zal komen. Dat Abraham en Sara toch een kind krijgen, kan alleen maar Gods werk zijn.
Zo maakt God een begin met het volk dat uit Abraham zal voortkomen. Het leek ondenkbaar dat dat volk er ooit zou komen. Maar God kan iets dat volstrekt onmogelijk is, werkelijkheid maken.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 21:1-7

Hagar en Ismaël

Lezen: Genesis 21:8-21

21:17 de Engel

 van God: God verscheen in de tijd van het Oude Testament soms in de gedaante van een engel. Deze engel – God zelf – wordt in de bijbel ‘de Engel van God’ of ‘de Engel van de HERE’ genoemd.

In het Oosten waren kinderen vaak lang aan de borst: meestal een jaar of drie. Het stoppen met borstvoeding werd als een bijzondere gebeurtenis beschouwd. Op de dag waarop Isaak geen moedermelk meer krijgt, geeft Abraham een groot feest. Op dat feest zijn ook Sara’s slavin Hagar en haar zoon Ismaël aanwezig. Ismaël – nu ongeveer zeventien jaar oud – heeft niet veel op met de kleine Isaak, die een zoveel belangrijker positie zal krijgen dan hijzelf. Hij laat dat ook merken: hij bespot zijn halfbroertje en lacht hem uit. Wanneer Sara dat ziet, grijpt ze in. Ze zegt tegen Abraham: ‘Stuur die slavin en haar zoon toch weg. Ik wil niet dat mijn zoon Isaak de erfenis moet delen met de zoon van die slavin!’
Sara komt hier niet bepaald sympathiek over. Bovendien gaat ze in tegen de gewoonte van haar tijd. Wanneer een man een kind krijgt bij een slavin, mag hij dat kind niet verstoten. Het is dan ook goed te begrijpen dat Abraham er niets voor voelt om haar haar zin te geven. Ismaël is immers zijn eigen zoon. Hij houdt van hem. Hij kan hem en Hagar toch niet zomaar wegjagen.
Toch moet Abraham doen wat Sara wil. God zegt tegen Abraham: ‘Doe wat Sara zegt. Ze heeft gelijk. Alleen Isaaks kinderen zullen als jouw nakomelingen beschouwd worden.’

Er is geen sprake van dat Ismaël en Isaak de erfenis later zullen kunnen delen (Genesis 17:18-21). Dat wat God aan Abraham beloofd heeft, is alleen bestemd voor Isaak. Hij is de zoon die God aan Abraham en Sara gegeven heeft. Voor hem is het land Kanaän: en uit hem zal het volk ontstaan dat in Kanaän zal wonen.
Ismaël, de zoon waar Abraham zélf voor gezorgd heeft, heeft geen recht op deze erfenis. Maar omdat hij een zoon is van Abraham zal God ook uit hem een volk laten voortkomen. God vergeet Ismaël dus niet. Maar hij mag niet samen met Isaak in Abrahams gezin blijven wonen. Abraham moet hem en Hagar wegsturen.

Abraham gehoorzaamt God, hoe moeilijk hij het ook vindt. De volgende morgen stuurt hij Hagar en Ismaël weg. Hij geeft ze brood en water mee voor onderweg.
Het lijkt slecht af te lopen met Hagar en Ismaël. Ze komen terecht in een woestijn en Ismaël dreigt op een gegeven moment te sterven van dorst. Hagar is ten einde raad. Maar God komt haar en haar zoon te hulp. Hij laat Hagar een waterput zien, die ze in haar wanhoop nog niet had ontdekt. Dat betekent Ismaëls redding. God belooft Hagar bovendien dat haar zoon tot een groot volk zal worden. God zorgt ervoor dat Ismaël voorspoedig opgroeit. Hij gaat wonen in de woestijn Paran en wordt een bekwaam boogschutter. Ismaël wordt de stamvader van de Arabieren (Genesis 25:12-18).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 17:18-21, Genesis 25:12-18

Abrahams vertrouwen op de proef gesteld

Lezen: Genesis 22:1-19

22:11 Engel van de HEER: zie uitleg bij Genesis 21:17.

Abraham heeft na jaren wachten van God een zoon gekregen. Beschouwt hij die zoon nu als zijn eigen bezit? Of weet hij dat Isaak een geschenk van God is en dat hij zijn leven lang aan God blijft toebehoren? Kan hij de zoon waar hij zijn hele leven op gewacht heeft weer aan God afstaan? God weet hoe zwaar de opdracht is die Hij aan Abraham geeft. Dat blijkt wel uit de manier waarop Hij zijn opdracht formuleert:

‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.. (…)’
(Genesis 22:2)

De bijbel vertelt ons niets over Abrahams gevoelens. We krijgen alleen te zien wat hij doet. Hij probeert God niet op andere gedachten te brengen, hij vraagt niet om uitstel. Hij doet wat God hem gevraagd heeft. Meteen, de volgende ochtend al.
Drie dagen lang zijn Abraham en Isaak op weg naar de plaats waar Abraham het offer moet brengen. Twee knechten vergezellen hen. Zij weten niet wat Abrahams opdracht is. Ook Isaak weet nog van niets. Op het laatste stuk van de reis draagt hij zelfs het hout waarop hij zelf geofferd en verbrand zal worden.

Het zullen de zwaarste dagen van Abrahams leven geweest zijn. Maar hoe moeilijk Abraham het ook heeft, hij blijft God vertrouwen. Dat blijkt wanneer hij vlakbij de plaats is waar hij zijn zoon moet offeren. Hij zegt dan tegen zijn twee knechten:

‘Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.’
(Genesis 22:5)

Abrahams vertrouwen in God blijkt ook even later, als Isaak vraagt waar het lam is dat ze moeten offeren. Abraham antwoordt hem dan:

‘God zal zichzelf van een offerlam voorzien, mijn jongen’
(Genesis 22:8)

Het Nieuwe Testament vertelt hoe het mogelijk is dat Abraham zo kan spreken (Hebreeën 11:17-19). Hij kan dat omdat hij in God gelooft en God blindelings vertrouwt. Al weet Abraham dat Isaak de stamvader is van het volk dat God beloofd heeft – toch wil hij Gods opdracht uitvoeren. Want hij is ervan overtuigd: zelfs wanneer Isaak dood zal zijn, hoeft dat niet het einde te betekenen. God bezit de macht om Isaak weer uit de dood op te wekken.

Abraham heeft zijn land en zijn familie achtergelaten toen God het hem vroeg. En nu blijkt hij zelfs bereid te zijn om de zoon waaruit het volk zal voortkomen, af te staan. Als God ziet dat Abraham Hem zo vertrouwt en dat hij zoveel van Hem houdt dat hij zelfs het liefste wat hij heeft weer aan Hem terug wil geven – dan houdt God hem tegen. Abraham krijgt zijn zoon weer terug van God. En God doet wat Abraham tegen zijn zoon Isaak gezegd heeft: Hij zorgt zélf voor een ram die Abraham kan offeren. God legt een eed af. Hij zweert dat Hij Abraham zal belonen voor zijn vertrouwen in Hem en voor zijn gehoorzaamheid. Abraham zal ontelbaar veel nakomelingen krijgen. En eens zullen alle volken van de aarde mogen delen in al het goede dat God Abraham belooft.

God heeft verhinderd dat Abraham zijn zoon echt zou offeren (zie Deel 7C). Maar eeuwen later heeft God zelf gedaan wat Abraham niet heeft hoeven te doen: Hij heeft zijn eigen Zoon geofferd. Hij heeft Hem als een offerlam gedood voor de zonden van de mensen (Johannes 1:29). Dit grote offer was nodig om de verhouding tussen God en de mensen te herstellen. Door de dood van Gods Zoon kunnen alle mensen delen in dat wat God Abraham beloofd had: wanneer ze vertrouwen op Gods Zoon, mogen ze deel uitmaken van Gods volk en zal God hen zegenen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 22:1-19, Hebreeën 11:17-19, Johannes 1:29

Sara sterft

God heeft gedaan wat Hij beloofd heeft: Hij heeft Abraham en Sara een zoon gegeven (Genesis 23). Het begin van het volk dat van Abraham af zal stammen. Maar het land Kanaän is nog steeds niet in bezit van Abraham. Dat blijkt op een pijnlijke manier wanneer Sara sterft. (Genesis 23:2-4). Abraham moet een stukje grond kopen om haar te kunnen begraven. Het eerste stuk grond dat Abraham in Kanaän in bezit krijgt, is een graf.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 23:2-4

Een vrouw voor Isaak

Abraham heeft in Kanaän een eenzame positie (Genesis 24). Hij woont er tussen mensen die – op een enkeling na – allemaal de afgoden dienen in plaats van de levende God. Naar de gewoonte uit zijn tijd zal hij een vrouw moeten zoeken voor zijn zoon Isaak. Maar hij wil niet dat Isaak trouwt met een van de meisjes uit Kanaän. Zijn zoon zal een vrouw moeten krijgen die in God gelooft. Abraham stuurt daarom zijn oudste knecht, een man in wie hij veel vertrouwen heeft, naar Haran. (Genesis 24:1-9). In deze stad woont familie van hem en Sara. Hij verwacht dat er onder zijn familieleden wel een meisje te vinden zal zijn dat God dient (zie kaart 2 in Wegwijzer).

De knecht vertrekt met tien kamelen en allerlei kostbare geschenken naar Mesopotamië (Genesis 24:10-27). Hij gaat naar de stad Haran. Wanneer hij na een lange reis daar is gekomen, laat hij zijn kamelen neerknielen bij een waterput. Het loopt tegen de avond, de tijd waarop de vrouwen water komen putten. De knecht bidt tot God: ‘HERE, God van Abraham, geef dat ik vandaag mag slagen. Straks komen de vrouwen water putten. Ik zal tegen een van de meisjes zeggen: Laat me toch wat drinken uit je kruik. Als zij zegt: Ga uw gang, ik zal ook uw kamelen te drinken geven, laat dat dan het meisje zijn dat u hebt bestemd voor uw knecht Isaak.’ Uit het gedrag van het meisje zal dus moeten blijken dat ze behulpzaam en vriendelijk is.
Hij is nog maar net uitgesproken, of er komt een meisje aan met een waterkruik op haar schouder. Wanneer de knecht haar wat water vraagt, geeft ze niet alleen hem te drinken, maar put ze ook water voor zijn kamelen. Zo weet de knecht dat dit het meisje moet zijn dat God voor Isaak bestemd heeft. Het meisje – haar naam is Rebekka – blijkt een kleindochter van Abrahams broer Nachor te zijn. Als de knecht dat hoort, dankt hij God, die hem regelrecht naar deze vrouw heeft toegeleid.

De knecht vertelt aan de familie van Rebekka over zijn meester Abraham en over de opdracht die hij van hem gekregen heeft (Genesis 24:28-67). Hij vraagt de familie of hij Rebekka, die door God is aangewezen als de vrouw voor Isaak, mee mag nemen naar Kanaän. Rebekka’s vader en broer antwoorden: ‘De Heer heeft het zo beslist en wij kunnen daar niet tegenin gaan. Hier is Rebekka, neem haar mee en laat haar de vrouw worden van de zoon van uw meester.’ Na dit antwoord dankt de knecht God.
De volgende morgen wil Abrahams knecht Rebekka meenemen naar Kanaän. Rebekka’s familieleden willen graag dat ze nog een dag of tien blijft. Maar de knecht wil meteen terug. God heeft hem laten slagen in zijn opdracht: hij wil de terugreis niet gaan uitstellen. De familieleden stellen Rebekka voor de keus. Wil ze meteen mee of over tien dagen? Rebekka kiest ervoor om meteen te vertrekken. Kennelijk wil ze graag naar haar toekomstige, nog onbekende man toe.
Isaak neemt Rebekka tot vrouw. Hij gaat veel van haar houden (Genesis 24:62-67).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 24:1-9, Genesis 24:10-27, Genesis 24:28-67

God geeft een tweeling

Lezen: Genesis 25:19-26

Rebekka is – net als Sara indertijd – onvruchtbaar. Wanneer Isaak en Rebekka twintig jaar getrouwd zijn, hebben ze nog steeds geen kinderen. Maar Isaak bidt voor zijn vrouw. Hij vraagt God of Hij ervoor wil zorgen dat Rebekka kinderen kan krijgen. Isaak weet dat God een onvruchtbare vrouw vruchtbaar kan maken. Hijzelf is daar het levende bewijs van! En God doet wat Isaak hem vraagt: Rebekka wordt zwanger van een tweeling. Zo zorgt God ervoor dat de lijn naar het volk dat Hij Abraham beloofd heeft, niet doodloopt.

Rebekka merkt iets vreemds op tijdens haar zwangerschap: het lijkt wel of de kinderen die ze verwacht, ruzie met elkaar hebben. Ze stoten tegen elkaar aan. Ze lijken elkaar wel te verdringen. Wanneer ze aan God vraagt waarom haar dat overkomt, antwoordt Hij haar:

‘Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.’
(Genesis 25:23)

Twee nog ongeboren jongetjes worden door God al twee volken genoemd. God heeft een bedoeling met de kinderen die Rebekka verwacht. Ze zullen allebei stamvader worden van een volk. En er zal iets gebeuren dat in die tijd heel ongebruikelijk is: de jongste zoon zal de machtigste worden. Het volk dat uit de oudste zoon zal ontstaan, zal het volk dat uit de jongste voortkomt, dienen.

Uit Rebekka’s oudste zoon, Esau, is later het volk Edom voortgekomen. Jakob, de jongste zoon, werd de stamvader van het volk Israël. Uit het Oude Testament weten we dat het volk Edom inderdaad dienstbaar is geweest aan het volk Israël (2 Samuël 8:14, 2 Koningen 14:7).

De tweeling wordt geboren. Het jongetje dat het eerst geboren wordt – Esau – is rossig en sterk behaard. Hij wordt bij zijn hiel vastgehouden door zijn nog ongeboren broertje, Jakob. Het lijkt wel alsof Jakob hem al bij zijn geboorte voorbij wil streven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 25:19-26, 2 Samuël 8:14, 2 Koningen 14:7

Vragen

  1. Maak een tijdtabel waarin je aangeeft:
  • hoe oud Abram was toen God hem opdroeg weg te gaan uit zijn land, en hem een zoon beloofde. (zie: Genesis 12:1-4)
  • hoe oud hij was toen Ismaël geboren werd (zie: Genesis 16:1-3 en Genesis 17:24-25).
  • hoe oud hij was toen God hem de naam Abraham gaf, en hem de opdracht gaf ieder die bij het verbond hoorde te besnijden (zie: Genesis 17:1-5).
  • hoe oud hij was toen Isaak geboren werd (zie: Genesis 21:5).
  • hoe oud hij was toen Sara stierf (zie: Genesis 17:17 en Genesis 23:1).
  • hoe oud hij was toen Isaak trouwde (zie: Genesis 25:20).
  • hoe oud hij was toen zijn kleinzoons geboren werden (zie: Genesis 25:26).
  • op welke leeftijd hij stierf (zie: Genesis 25:7).
  1. In de tijd van het Oude Testament kwamen onder veel volken kinderoffers voor. Baby’s en kleine kinderen werden gedood om de goden gunstig te stemmen.
    1.  Hoe oordeelt God over dit gebruik? (zie Deuteronomium 12:29-31 en Deuteronomium 18:9-10A).
      Deuteronomium 12: Dit gedeelte is gericht tegen de Israëlieten, die op weg zijn naar Kanaän, het land dat God hun zal geven.
    2. Waarom geeft God Abraham dan toch de opdracht zijn zoon te offeren?
    3. Hoe is het mogelijk dat Abraham bereid was God op dit punt te gehoorzamen?
    4. Abraham wilde, toen Isaak volwassen was, twee dingen voorkomen.
    5. Welke? (zie: Genesis 24:1-9).
      Genesis 24:2 Leg uw hand in mijn lies: de manier waarop in die tijd een eed werd afgelegd.
      Genesis 24:7 Abraham verzekert zijn knecht ervan dat God een engel voor hem uit zal sturen, om hem te helpen.
    6. Waarom wil Abraham deze dingen voorkomen?

Deel 7C:  Gods Zoon droeg onze straf

We zijn in dit deel toe aan het vierde artikel van de geloofsbelijdenis: ‘Ik geloof in Jezus Christus… die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel.’ Het gaat in dit deel dus om de straf die Gods Zoon moest ondergaan om ons te kunnen redden.

 

Filmpje: Uw genade is mij genoeg


Jezus kwam om te lijden

Vandaag wordt wel eens gezegd dat Jezus’ leven op een mislukking is uitgelopen. Jezus stierf immers in de bloei van zijn leven. Hij heeft zijn idealen dus niet kunnen verwezenlijken. Hij heeft zijn levenswerk niet kunnen afmaken. Maar de bijbel laat duidelijk zien dat Jezus’ lijden en zijn dood geen mislukking betekenen. Het was geen ongelukkig toeval dat Jezus voor de rechtbank terecht kwam en de doodstraf kreeg opgelegd. Het was Gods bedoeling dat het zo zou gaan. Gods Zoon is juist mens geworden om te kunnen lijden en sterven.

Jezus wist wat er met Hem zou gebeuren. Maar Hij zag zijn naderende dood niet als een dreigend noodlot, als iets dat zijn levenswerk zou afbreken. Hij zag zijn lijden en sterven als een opdracht die Hij moest volbrengen. Dat bleek wel uit bepaalde uitspraken die Hij deed. Zo zei Hij eens tegen zijn volgelingen dat Hij op aarde was gekomen om te dienen, en om zijn leven te geven als losgeld voor velen (Marcus 10:45).

De term ‘losgeld’ komt uit het Oude Testament (Exodus 21:29-30). In het bijbelboek Exodus staat dat iemand die wegens een bepaalde misdaad de doodstraf verdiend had, in sommige gevallen onder die straf uit kon komen. Wanneer hij een bepaald geldbedrag – het losgeld – betaalde, kon hij zichzelf vrijkopen.
Jezus maakte zijn volgelingen duidelijk dat Hij zijn leven moest opofferen om daarmee het losgeld voor andere mensen te kunnen betalen. Door zijn dood zouden zij de doodstraf kunnen ontlopen.

Al in het Oude Testament had God het offer dat Jezus zou brengen, aangekondigd. Door middel van de offerdienst. Maar ook door middel van een van zijn profeten. We kijken eerst naar datgene wat de offers uitbeeldden: daarna naar dat wat de profeet Jesaja heeft mogen vertellen over het werk dat Jezus zou doen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Marcus 10:45, Exodus 21:29-30

Dierenoffers kondigden Jezus’ offer aan

God had aan de Israëlieten voorgeschreven hoe ze moesten handelen wanneer ze iets verkeerds hadden gedaan. Een Israëliet die gezondigd had, moest een hersteloffer brengen (Leviticus 5:14-6:7); hij moest een onrein

 dier, bijvoorbeeld een lam, laten slachten en laten offeren op een altaar. Op die manier zei hij tegen God: Ik erken dat ik schuldig sta tegenover U, en dat ik gestraft zou moeten worden. Dit dier is gedood in mijn plaats.
God had aan de Israëlieten beloofd dat Hij genoegen zou nemen met de dood van zo’n dier. Hij had beloofd dat Hij de schuld van degene die het offer bracht, zou kwijtschelden. Het zou na zo’n offer weer goed zijn tussen God en degene die de zonde had begaan (Leviticus 5:9).

In de tijd van het Oude Testament werden er dagelijks dieren geofferd voor de zonden van de mensen. Eeuwen achter elkaar. Met elkaar moeten er in die jaren honderdduizenden dieren geofferd zijn. Het feit dat er steeds weer nieuwe dieren gedood moesten worden, liet aan de Israëlieten zien: dieren kunnen de verhouding met God niet definitief herstellen. De eindeloze stroom dierenbloed wees erop dat er een andere oplossing moest komen: een echte, definitieve oplossing. Die oplossing was Jezus Christus. Er wordt in de bijbel over Hem gesproken als over ‘het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’ (Johannes 1:29).’
Dat wil zeggen: Jezus is het offerlam dat God zelf aan de mensen geeft. Hij zal de zonde en schuld van de mensen op zich nemen. Beladen met die zonden en schuld zal Hij gedood worden. En met zijn dood zullen alle zonden die Hij op zich genomen heeft, voorgoed verdwijnen.

De dierenoffers in het Oude Testament waren daarom in feite tekens. Elk dier dat vanwege de zonde geofferd werd, verwees naar Jezus Christus, degene die eigenlijk geofferd moest worden. Na zijn dood zou er geen enkel offer meer nodig zijn.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Leviticus 5:14-6:7, Leviticus 5:9, Johannes 1:29

Jesaja kondigde Jezus’ offer aan

Niet alleen door de offerdienst, maar ook door middel van profeten heeft God de komst van de redder aangekondigd. Vooral de profeet Jesaja heeft veel mogen vertellen over dat wat er – zeven eeuwen later – met Jezus zou gebeuren. Jesaja noemt de naam Jezus niet. Hij heeft het over ‘de knecht van de HERE’. Maar uit de rest van de bijbel weten we dat het hier over Jezus moet gaan. Een gedeelte van dat wat Jesaja over hem zegt:

‘Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op hem neerkomen. Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open. Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen. Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken. Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ziek. Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde’.
(Jesaja 53:3-10).

Uit de woorden van Jesaja kunnen we een aantal dingen afleiden over de knecht van de HERE – en daarmee over Jezus Christus, Gods Zoon:

  • Hij zal veel moeten lijden en zal door iedereen veracht worden.
  • Hij zal niet lijden voor eigen overtredingen, maar voor de overtredingen van anderen.
  • Door zijn lijden krijgen andere mensen vrede met God.
  • Hij zal lijden omdat God dat wil.
  • Zijn lijden zal tegelijkertijd vrijwillig zijn: Hij zal zichzelf aanbieden als schuldoffer.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Jesaja 53:3-10

Jezus heeft geleden

Hoe is Jezus’ leven verlopen? De apostolische geloofsbelijdenis vertelt er niet over. Nadat we gehoord hebben dat Jezus Christus geboren is uit de maagd Maria, gaat de geloofsbelijdenis meteen verder met Jezus’ lijden en sterven. Het lijkt wel alsof er niets tussen Jezus’ geboorte en zijn lijden heeft ingezeten. Terwijl Jezus toch jarenlang in Israël gewoond en gewerkt heeft. Toch is het niet zo vreemd dat de geloofsbelijdenis van Jezus’ geboorte meteen overspringt naar zijn lijden en sterven. De geloofsbelijdenis is een samenvatting van wat de bijbel ons leert over God: daarom worden alleen de hoofdpunten van Jezus’ werk genoemd. En bovendien: je kunt zeggen dat Jezus’ leven eigenlijk één lange lijdensweg is geweest.

Het begon al meteen bij zijn geboorte (Lucas 2). Jezus, de Zoon van God, kwam ter wereld in een eenvoudige stal. Een voerbak voor dieren was zijn wieg. En nog voordat Hij ee). Jozef en Maria moesten hals over kop met Hem het land uitvluchten. Toen Jezus volwassen n jaar oud was, had de toenmalige koning van Israël het al op zijn leven gemunt (Matteus 2 was, begon Hij met zijn speciale taak: overal in Israël moest Hij vertellen dat Gods koninkrijk

 voor de deur stond. Hij moest de mensen oproepen naar God terug te keren.
Ook in die tijd heeft Hij veel te lijden gehad. De satan probeerde Hem op allerlei manieren over te halen God ontrouw te worden (Matteus 4:1-11). De godsdienstige leiders van Israël erkenden Hem niet als Gods Zoon (Marcus 3:20-30). Integendeel – ze zeiden dat Hij in dienst stond van de satan. Ze werkten Hem voortdurend tegen, en besloten al gauw dat Hij uit de weg geruimd moest worden. De mensen uit Jezus’ tijd wilden wel komen kijken naar de wonderen die Hij deed, maar de meesten van hen geloofden niet dat Hij de redder was die God zou sturen (Marcus 6:1-6).

Tegen het einde van zijn leven werd het lijden van Jezus nog veel zwaarder (Matteus 26-27). Eén van zijn eigen leerlingen, die drie jaar lang dag in dag uit met Hem opgetrokken was, verraadde zijn verblijfplaats aan de godsdienstige leiders, zodat Hij gevangen genomen kon worden. Tijdens het proces dat volgde, brachten allerlei mensen valse beschuldigingen tegen Hem in.
Pontius Pilatus, een Romeinse gouverneur die het in deze tijd in een groot deel van Israël voor het zeggen had, moest na een gesprek met Jezus erkennen dat Hij totaal onschuldig was (Johannes 18:38). Maar desondanks gaf hij toestemming om Jezus ter dood te brengen. En zo werd Jezus, na door Pilatus’ soldaten geslagen, bespot en gegeseld te zijn, naar de executieplaats gebracht. Niet om daar een snelle dood te sterven, maar om op een zeer wrede, pijnlijke en langzame manier ter dood gebracht te worden: door middel van kruisiging.

Jezus heeft dus veel moeten lijden. En het is echt niet zo dat Hij, omdat Hij Gods Zoon was, dat niet erg vond. Hij had dezelfde angst voor pijn, voor lijden en voor de dood als andere mensen. We weten uit de bijbel hoe Jezus, vlak voordat Hij gearresteerd werd, doodsbang was – zo bang dat het zweet Hem uitbrak en als bloeddruppels op de grond viel (Lucas 22:39-44). Hij smeekte zijn Vader om Hem, als het mogelijk was, het lijden te besparen. Maar Hij voegde er meteen aan toe: ‘Laat niet mijn wil, maar uw wil gebeuren.’ Want vóór alles wilde Hij zijn Vader gehoorzamen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 2, Matteus 2, Matteus 4:1-11, Marcus 3:20-30, Marcus 6:1-6, Matteus 26-27, Johannes 18:38, Lucas 22:39-44

Jezus is gekruisigd

De kruisiging was een straf die de Romeinen toepasten op slaven en misdadigers. De ter dood veroordeelde werd – nadat hij gegeseld was met een zweep met stukjes metaal eraan – aan handen en voeten vastgespijkerd aan een houten kruis. Wanneer het kruis overeind gezet was, hing de gekruisigde tussen hemel en aarde. Onder hevige pijn, benauwdheid en dorst wachtte hij zo op de dood. Het duurde soms dagen voor een gekruisigde stierf.
Jezus moest dus een vreselijke straf ondergaan. Maar Hij was niet de enige die deze straf kreeg. De Romeinen hebben vaker mensen gekruisigd. En in de loop van de geschiedenis zijn er mensen op nog wel gruwelijker manieren terechtgesteld. Waarin is het lijden van Jezus anders dan het lijden dat andere mensen ondergingen?

De bijbel laat zien dat de straf die Jezus moest ondergaan, de zwaarste straf is geweest die een mens ooit heeft gekregen. De kruisiging was slechts een onderdeel van de straf die Jezus kreeg. Voor niemand was datgene te zien wat de straf zo zwaar maakte: de toorn van God. Jezus, die nooit zonde had gedaan, moest aan het kruis Gods boosheid over de zonden en de schuld van de mensen ondergaan (2 Kor 5:21, Galaten 3:13). God, zijn Vader, liet Hem helemaal in de steek en stortte zijn straf over Hem uit.
Als een teken van het feit dat Jezus helemaal in de steek gelaten werd door zijn Vader, werd het midden overdag drie uur lang donker. Tijdens die drie uur onderging Jezus bij vol bewustzijn ‘de eeuwige dood’ – het volstrekt van God verlaten zijn. God wilde niets meer met Hem te maken hebben. Hij rekende zijn Zoon alles toe wat de mensen misdaan hebben. En Hij gaf zijn Zoon er de volle straf voor te dragen. We kunnen ons geen voorstelling maken van de zwaarte van die straf.
De geloofsbelijdenis probeert er iets van weer te geven door te zeggen dat Jezus ‘is neergedaald in de hel’. Jezus bevond zich aan het kruis eigenlijk in de hel, het domein van de satan. Hij onderging helse pijn, angst en eenzaamheid. Hij moest de aanvallen van de satan doorstaan. We weten niet wat Jezus gevoeld heeft; we weten ook niet hoe het mogelijk is dat Hij in een paar uur een eeuwigdurende straf te dragen kreeg. Maar iets van Jezus’ eenzaamheid en pijn kwam aan de dag toen Hij, nadat Hij drie uur in het donker had gehangen, uitriep:

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten!’
(Matteus 27:46)

Dat Gods Zoon dit tegen zijn Vader moest zeggen, is hartverscheurend. We kunnen diep getroffen zijn wanneer we in de bijbel de geschiedenis van Jezus’ lijden en sterven lezen. Maar we moeten die geschiedenis nooit op zichzelf beschouwen. Jezus werd aan een kruis gehangen vanwege onze slechtheid (1 Petrus 2:24, 1 Petrus 3:18). Zijn Vader wilde niets meer met Hem te maken hebben om onze zonden.

Tekstverwijzingen en citaten uit: 2 Kor 5:21, Galaten 3:13,1 Petrus 2:24, 1 Petrus 3:18, Matteus 27:46,

Jezus is gestorven en begraven

Er kwam een eind aan de straf die Jezus te dragen kreeg. Na de drie uur durende duisternis, wist Jezus dat het genoeg was geweest. Hij riep: ‘Het is volbracht!’ (Johannes 19:30). Het werk was gedaan. De schuld van de mensen was ingelost. Dat wat Jesaja al had aangekondigd, was nu werkelijkheid geworden: de knecht van de HERE had de straf gedragen (Jesaja 53:5). De mensen zouden voortaan weer in vrede met God kunnen leven.
Nu het werk voltooid was, hoefde er nog maar één ding te gebeuren: Jezus moest nog sterven. Hij zei tegen God: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest’ (Lucas 23:46). Toen boog Hij het hoofd en stierf Hij. Daarna werd Hij van het kruis afgehaald en begraven (Lucas 23:50-56). Maar de dood zou niet het laatste woord hebben in zijn leven. Daarover meer in het volgende deel.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 19:30, Jesaja 53:5, Lucas 23:46, Lucas 23:50-56

Meer lezen over dit onderwerp? Klik hier 

Vragen

  1. Jezus werd op jonge leeftijd op grond van valse beschuldigingen ter dood veroordeeld en gekruisigd. Toch kunnen we niet zeggen dat zijn leven op een mislukking is uitgelopen. Waarom niet?
  2. Wat is het verband tussen Jezus en de offers uit de tijd van het Oude Testament?
  3. Jezus wist precies wat Hem zou overkomen. Hoe stond Hij daar tegenover? Zie: Lucas 22:39-44.
    Lucas 22:42 deze beker: dit lijden.
  4. Waarin is het lijden van Jezus zwaarder dan het lijden dat andere mensen hebben moeten ondergaan?

Tekstverwijzingen en citaten uit: Lucas 22:39-44