Bijbelcursus Les 9

Deel 9A: De offerdienst van het Oude Testament

In het Oude Testament wordt veel gesproken over offers. De offerdienst had een belangrijke plaats in de tijd van het Oude Testament. Daarom zullen we er in dit deel speciaal aandacht aan besteden. We hebben in deel 7C al even stilgestaan bij het doel van de offerdienst. In dit deel kijken we nader naar de betekenis van de offerdienst en naar enkele belangrijke offers die er bestonden.

God wil met zondige mensen omgaan

In de bijbel lezen we dat de mensen ontrouw geworden zijn aan God. Toch laat God de mensen niet los. Steeds weer zoekt Hij hen op en zet Hij zich voor hen in. Al haat God de zonde, toch wil Hij met zondige mensen omgaan. Hij komt zelfs bij hen wonen.
Eerst in de tabernakel

(zie Deel 10B en 12B), een tent die de Israëlieten volgens Gods bouwplan gemaakt hadden, en later in de tempel. In de tabernakel en in de tempel is God op een bijzondere manier aanwezig.

Hoe is dat mogelijk? Hoe kan God, die een afkeer heeft van de zonde, bij zondige mensen komen wonen? Vindt Hij de zonde toch niet zo erg? Stapt Hij er gewoon overheen, alsof het met de zonde wel wat meevalt? Nee, absoluut niet. Wanneer God bij de Israëlieten komt wonen, maakt Hij zijn afkeer van de zonde juist heel duidelijk zichtbaar. Hij laat zien dat de zonde zó erg is, dat mensen daardoor zelfs de dood verdienen. Hij kan alleen bij hen wonen als hun zonden en hun schuld vergeven zijn.

Zichtbaar onderwijs

Hoe maakt God dit zichtbaar? Door de offerdienst in te stellen. God bepaalde dat er bij de tabernakel of de tempel iedere dag dieren geofferd moesten worden. Iedere dag moest er bloed vloeien. Dat bloed herinnerde de Israëlieten aan de dood. Het liet hun zien dat het niet zomaar goed kon zijn tussen God en hen. God had immers gezegd:

‘Vervloekt is eenieder die zich niet houdt aan de bepalingen van deze wet.’
(Deuteronium 27:26)

Iemand die zich niet in alles aan de wet van God hield, was vervloekt. Dat wil zeggen: hij verdiende de doodstraf. En omdat geen enkel mens zich in alles aan Gods wetten kan houden, verdiende iedere Israëliet de doodstraf.
Maar God wilde de Israëlieten die straf besparen. Hij bepaalde dat offerdieren hun plaats mochten innemen (zie Deel 7C).

Iemand die een offer wilde brengen, moest zijn handen op de kop van het dier leggen dat gedood zou worden. Door die handoplegging verbond hij zich als het ware met het dier. En de betekenis daarvan was, dat hij zich bewust werd van het feit dat híj eigenlijk gedood zou moeten worden.

God woonde bij zijn volk. Maar iedereen die naar de tabernakel of de tempel keek, werd eraan herinnerd dat dat niet aan de vroomheid van de Israëlieten te danken was. Het was alleen mogelijk omdat God hun zonden vergeven had. De Israëlieten verdienden, net als andere mensen, de dood. Alleen omdat God genoegen wilde nemen met de dood van de offerdieren, konden ze leven in een goede verhouding met Hem.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Deuteronium 27:26

Het verschil met andere offerdiensten

Niet alleen in Israël werd geofferd. Ook veel andere volken brachten offers aan hun goden. En er zijn zelfs nu nog volken die aan hun goden offeren. Maar er is een groot verschil tussen de offerdienst van Israël en de offerdienst van andere volken. Dat verschil ligt in de reden waarom er geofferd werd. Andere volken brachten offers om hun goden voor zich te winnen en om hen gunstig te stemmen. De gedachte die daarachter lag, was: als jij maar goed voor de goden zorgt en hun veel offers geeft, dan zullen ze ook wel goed voor jou zorgen. Deze mensen wilden door hun offers dus iets bij hun goden bereiken.

Bij het volk Israël lag dat heel anders. De Israëlieten brachten geen offers om God naar hun hand te zetten of om Hem gunstig te stemmen. Dat was niet nodig. Want God hield van de Israëlieten. Hij had hen als het ware geadopteerd als zijn kinderen. Hij zorgde voor hen als een vader.
De offers hadden een ander doel: ze waren een onderwijsmiddel. God wilde de Israëlieten door de offerdienst leren dat ze het moesten hebben van zijn vergevingsgezindheid. Ze moesten weten dat er alleen een goede verhouding tussen God en hen was, omdat God hun zonden wilde vergeven. De offers lieten zien dat het niet vanzelfsprekend was dat God bij zijn volk woonde, maar dat het alleen aan Gods liefde te danken was.
De offerdienst leerde de Israëlieten ook dat ze niet zelf mochten bedenken hoe ze met God omgingen. Ze moesten Gods regels volgen. Zoals een koning regels geeft voor de manier waarop zijn onderdanen hem mogen benaderen, zo stelde God regels vast voor de manier waarop zijn volk met Hem om mocht gaan.

De betekenis van de offers

De verschillende offers die de Israëlieten moesten brengen, zeiden allemaal iets over de verhouding tussen God en de mensen die bij Hem hoorden. De belangrijkste offers zijn:

  • Het brandoffer (Leviticus 1) Iemand die een brandoffer bracht, wilde daarmee uitdrukken dat hij zijn leven aan God wijdde en dat hij alleen God wilde dienen. Hij legde zijn handen op de kop van het offerdier om daarmee aan te geven: zoals dit dier voor God bestemd is, zo wil ik mij ook helemaal aan God wijden. Daarna werd het dier geslacht. En tenslotte werd het door de priesters op het altaar verbrand. Iedereen kon met een dier naar de tabernakel gaan om een brandoffer te laten brengen. Maar daarnaast brachten de priesters ook iedere ochtend en avond een brandoffer uit naam van het hele volk. Daarmee werd nog eens bevestigd dat de Israëlieten het volk van God waren, en dat ze wilden leven zoals God dat van hen vroeg.
  • Het dank- of vredeoffer (Leviticus 7) Iemand die een dankoffer bracht, wilde daarmee laten zien dat hij dankbaar was voor de goede verhouding die er was tussen God en hem. Wanneer een dankoffer gebracht werd, werd daarvoor een dier geslacht. Een gedeelte van dit dier werd verbrand op het altaar, en werd op die manier aan God gegeven. De rest van het dier mochten de priesters en de offeraar opeten. Zo werd de maaltijd met God gedeeld, en zat men als het ware bij God aan tafel.
  • Het zondoffer (Leviticus 4-5) Wanneer iemand een zondoffer bracht, vroeg hij daarmee aan God om vergeving voor wat hij verkeerd had gedaan. De offeraar legde voordat het offer gebracht werd, zijn handen op de kop van het dier. Zo droeg hij als het ware zijn zonde aan het dier over. Het dier onderging daarna de straf die de brenger van het offer eigenlijk zelf zou moeten ondergaan. En de offeraar ging vrijuit: hij kreeg vergeving. Het bloed dat bij de offerdieren vloeide, herinnerde de Israëlieten steeds weer aan het feit dat ze niet het recht hadden om zomaar met God om te gaan. Het was alleen mogelijk dankzij de vergeving van de zonden.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Leviticus 1, Leviticus 7, Leviticus 4-5

De priesters

God had bepaald dat de Israëlieten hun offers niet zélf mochten brengen. Dit werk mocht alleen gedaan worden door de priesters. De priesters waren mannen die op een bijzondere manier in dienst van God stonden en hun werk deden bij de tabernakel en de tempel. Deze mannen waren allemaal afkomstig uit dezelfde familie: de familie van Aäron

. Alleen zij konden priester worden. De priesters werden bij hun werk geholpen door de Levieten, de afstammelingen van Jakobs zoon Levi.

Waarom mochten de offers alleen door priesters worden gebracht, en waarom mochten alleen Aäron en zijn nakomelingen priester worden? God wilde daarmee de Israëlieten nog iets leren.
God wilde tussen de mensen in wonen. Maar door de zonde was er een grote afstand tussen Hem, de heilige God, en de zondige mensen. Daarom moest er één familie, de familie van Aäron, speciaal aan God worden gewijd. Deze familie werd apart gezet van de andere Israëlieten. Er golden voor de mannelijke leden van deze familie speciale, zeer strenge regels: ze mochten niet zomaar dienst doen bij de woonplaats van de heilige God. Ze moesten daarvoor speciale wetten in acht nemen. Ook moesten ze regelmatig offers brengen voor zichzelf, voor de zonden die ze gedaan hadden. Zodat die zonden niet tussen God en hen in zouden staan, wanneer ze offers brachten voor de andere Israëlieten. Door de regel dat alleen mannen uit Aärons nageslacht priester mochten worden en offers mochten brengen, maakte God dus duidelijk dat onheilige mensen niet zomaar met Hem, de heilige God om konden gaan.

De waarde van de offers

De Israëlieten moesten God offers brengen. Maar dat was niet omdat God die offers nodig zou hebben. De Israëlieten moesten niet denken dat ze God aan zich konden binden door Hem maar veel offers te brengen. God zei daarover in Psalm 50:

‘Maar de stier uit je stal heb ik niet nodig, noch de bokken uit je kooien. Mij behoren de dieren van het woud, de beesten op duizenden bergen, ik ken alle vogels van het gebergte, wat beweegt in het veld is van mij. Had ik honger, ik zou het je niet zeggen, van mij is de wereld en wat daar leeft. Eet ik soms het vlees van stieren of drink ik het bloed van bokken?’
(Psalm 50:9-13)

God heeft niets van de mensen nodig. Alles is al van Hem. Hij heeft niets aan offers. Het ging God dan ook niet om de offers, maar om het hart van degene die het offer bracht. Dat blijkt wel uit het vervolg van Psalm 50, waar God zegt:

‘Breng God een dankoffer en doe wat je de Allerhoogste belooft. Roep mij te hulp in tijden van nood, ik zal je redden, en je zult mij eren.’
(Psalm 50:14-15) .

De Israëlieten moesten God offers brengen om Hem daarmee te laten zien dat ze Hem liefhadden en wilden gehoorzamen. De offers moesten uitdrukken dat ze zich schuldig voelden over hun zonden, en graag wilden dat het weer goed was tussen God en hen. En door hun offers konden ze ook tonen dat ze God dankbaar waren voor wat Hij hun gaf.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 50:9-13, Psalm 50:14-15

Jezus, het volmaakte offer

Zoals we in deel 7C al zagen, was het niet de bedoeling van God dat de offerdienst voor altijd door zou gaan. Al die offers, die jaar na jaar, dag in en dag uit gebracht werden, wezen erop dat er een ander offer gebracht moest worden. Een volmaakt offer dat de verhouding tussen God en mensen voorgoed zou herstellen. Jezus Christus heeft dat offer gebracht. Toen Hij aan het kruis stierf, nam Hij de plaats in van zondige mensen en loste Hij hun schuld bij God voorgoed af. Na dit offer is er geen enkel dierenoffer meer nodig.

 

Filmpje: O, hoofd vol bloed en wonden

(Let op: deze video bevat schokkende beelden)

 

Vragen

  1. Hoe kostbaar een offer ook was: voor God kon het toch waardeloos zijn.
    Kun je dat uitleggen?
    Zie hiervoor Psalm 50; vergelijk ook Genesis 4:3-5, behandeld in deel 3B.
  2. Kun je uitleggen waarom Jezus in de bijbel wordt aangeduid als: het lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt? (Johannes 1:29)
  3. De offerdienst is afgeschaft.
    Betekent dit dat we nooit meer offers aan God hoeven te brengen?
    Zie hiervoor Romeinen 12:1-2.
    Kun je uitleggen wat er in deze tekst wordt bedoeld?
    12:1 Gods barmhartigheid: de goedheid en medelijdende liefde van God.

Deel 9B: Naar Egypte

Jakob heeft twintig jaar in het buitenland moeten wonen om de wraak van zijn broer Esau te ontgaan. Toen hij terugging naar Kanaän, was hij nog steeds bang voor Esau. Maar dankzij God verliep de ontmoeting met Esau vreedzaam. Esau had Jakob zijn bedrog vergeven.

Jakob in Sichem

Na de ontmoeting met Esau trekt Jakob met zijn familie naar Sichem, een Kanaänitische stad (Genesis 33:18-20, zie kaart 3 in Wegwijzer). Hij koopt er een stuk land en gaat er met zijn gezin wonen. Het toekomstige volk heeft eindelijk een eigen plaats in Kanaän. Jakob bouwt een altaar in Sichem. Daarmee geeft hij aan alle bewoners van Sichem duidelijk te kennen dat er maar één God is: de God die hij dient.
Toch betekent dit niet dat in Jakobs gezin alleen God wordt gediend. Jakobs vrouwen en zijn zoons hebben bijvoorbeeld afgodsbeeldjes in hun bezit – een teken dat ze het niet met God alleen durven te wagen (Genesis 35:4). En Jakobs zoons gedragen zich vaak meer als mensen die aan de kant van de satan staan dan als mensen die bij God horen. Zo moorden ze bijvoorbeeld op een laffe wijze een stad vol zieke mannen uit. Dat is hun wraak omdat hun zus Dina verkracht is door een jongen uit die stad (Genesis 34).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 33:18-20, Genesis 35:4, Genesis 34

Naar Betel

Nadat zijn zoons deze misdaad gepleegd hebben, gaat Jakob in opdracht van God weg uit Sichem. Met zijn gezin moet hij naar Betel gaan. Betel is de plaats waar hij jaren geleden tijdens zijn vlucht voor Esau overnacht heeft, en waar God hem in een droom bemoedigde en zijn zegen beloofde (Genesis 28:10-15). Na deze droom had Jakob beloofd: ‘Wanneer ik veilig terugkom in Kanaän, zal de HERE mijn God zijn (Genesis 28:20-22). Ik zal God dan op deze plaats vereren en Hem offers brengen.’ Jakob is deze belofte helemaal vergeten. Pas wanneer God hem eraan herinnert, denkt hij er weer aan. Pas dan treedt hij ook op tegen het bijgeloof van zijn vrouwen en kinderen: hij dwingt hen hun afgodsbeeldjes weg te doen. Voortaan zullen ze alleen de echte God mogen dienen. Als een teken van dit nieuwe begin moeten ze zich wassen en schone kleren aandoen. Pas daarna gaan ze op weg.

In Betel gekomen bouwt Jakob een altaar voor God. En net als toen hij hier voor het eerst kwam, verschijnt God aan hem. God herhaalt de belofte dat uit Jakob een groot volk zal voortkomen en dat dit volk Kanaän in bezit zal krijgen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 35:1-15, Genesis 28:10-15, Genesis 28:20-22

Jakobs zoons

Er verandert na de reis naar Betel niet veel in het gezin van Jakob. Jakobs zoons – de stamvaders van het toekomstige volk – blijven zich gedragen als mensen die niets met God te maken hebben (Genesis 46:10). Sommigen van hen trouwen met Kanaänitische vrouwen, die niet in God geloven. Een van hen, Ruben, heeft gemeenschap met de bijvrouw van zijn vader (Genesis 35:22). Een ander zoekt het na de dood van zijn vrouw bij een hoer. Al met al gaan de zoons van Jakob meer lijken op de Kanaänieten om hen heen, dan op mensen die aan de kant van God staan (Genesis 38).
Dat blijkt ook uit hun gedrag tegenover hun broer Jozef. Jozef is de zoon van Rachel, Jakobs lievelingsvrouw (Genesis 37). Hij wordt door zijn vader voorgetrokken boven zijn broers. Zijn broers gaan hem daardoor haten. Dat wordt nog erger wanneer Jozef wonderlijke dromen krijgt – hij droomt dat zijn ouders en zijn broers hem eer bewijzen en zich voor hem neerbuigen – en hij zijn broers daarover vertelt.
Jakobs zoons bedenken een plan om hun broer Jozef uit de weg te ruimen (Genesis 37:18-20). Eerst willen ze hem doden. Maar later besluiten ze hem als slaaf te verkopen aan een karavaan die toevallig voorbijkomt. Aan hun vader vertellen ze dat Jozef verscheurd is door een wild dier. Als bewijs laten ze hem Jozefs mantel zien, die ze besmeurd hebben met het bloed van een geslachte bok. Jakob gelooft het verhaal. Hij is ontroostbaar.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 46:10, Genesis 35:22, Genesis 38, Genesis 37, Genesis 37:18-20

Jozef de slaaf

Lezen: Genesis 39

De bijbel vertelt uitgebreid hoe het met Jozef verder gaat. Jozef wordt naar Egypte gevoerd en wordt daar gekocht door Potifar, een man die een hoge functie heeft aan het Egyptische hof. Potifar heeft al snel zoveel vertrouwen in Jozef, dat hij hem de leiding over heel zijn huis en al zijn slaven geeft.
De vrouw van Potifar probeert Jozef te verleiden. Jozef gaat daar niet op in. Maar de vrouw beschuldigt hem ervan dat hij geprobeerd heeft haar te verkrachten. Jozef wordt zonder vorm van proces in de gevangenis gezet. Hij lijkt in een uitzichtloze positie te zijn gekomen: een gevangen slaaf in een vreemd land. Maar ook nu zorgt God ervoor dat het hem goed gaat. Jozef raakt in de gunst bij het hoofd van de gevangenis en krijgt ondanks zijn gevangenschap een belangrijke taak.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 39

Jozef de gevangene

Jozef komt in de gevangenis in contact met twee dienaren van de farao, de koning van Egypte (Genesis 40). God geeft Jozef een bijzondere gave: hij kan uitleggen wat bepaalde dromen te betekenen hebben. Wanneer de twee gevangen hofdienaren vreemde dromen gehad hebben, kan hij hun uitleggen wat die dromen te zeggen hebben.

Twee jaar later heeft de farao van Egypte een beangstigende droom (Genesis 41:1-14). Hij ziet hoe zeven mooie, vette koeien, die aan de oever van de Nijl aan het grazen zijn, worden verslonden door zeven lelijke, magere koeien. En vervolgens ziet hij hoe zeven mooie, rijpe korenaren worden verslonden door zeven dunne, uitgedroogde aren. Niemand kan de farao uitleggen wat deze droom betekent. Maar dan herinnert een van de dienaren die in de gevangenis heeft gezeten, zich Jozef weer. Hij vertelt aan de farao over de buitenlandse gevangene die dromen kan uitleggen. Wanneer de farao dat hoort, laat hij Jozef uit de gevangenis halen.
Jozef krijgt van God het inzicht om de droom van de farao te begrijpen (Genesis 41:15-16). Hij vertelt de farao dat zijn droom betekent dat er, na een tijd van overvloed, een zeven jaar durende hongersnood zal aanbreken (Genesis 41:25-45). De farao is zo onder de indruk van de uitleg en van de adviezen die Jozef hem geeft, dat hij hem de hoogst mogelijke functie geeft. Jozef wordt koning onder de farao. Hij krijgt een bijna onbeperkte macht in Egypte.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 39:20-41:36, Genesis 41:1-14, Genesis 41:15-16, Genesis 41:25-45

Jozef de machthebber

De hongersnood waarover de farao gedroomd heeft, komt er inderdaad (Genesis 41-46-57). Maar in Egypte heeft men er rekening mee kunnen houden. In opdracht van Jozef is er voldoende voedsel verzameld om het jaren uit te kunnen houden. De hongersnood beperkt zich niet tot Egypte. Ook in Kanaän heeft men er onder te lijden. Er is zo’n gebrek aan voedsel, dat de zoons van Jakob naar Egypte komen om er voedsel te kopen (Genesis 42:1-6). Daar komen ze voor Jozef te staan: geen slaaf, maar de op één na machtigste man van Egypte. Jakobs zoons herkennen hun broer niet. Jozef heeft daardoor de kans hen op de proef te stellen (Genesis 42:7-44:34). Hij merkt dat ze berouw hebben van het feit dat ze hem als slaaf verkocht hebben en dat ze veranderd zijn (Genesis 44:18-34).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 41-46-57, Genesis 42:1-6, Genesis 42:7-44:34, Genesis 42:21, Genesis 44:18-34

Filmpje: Joseph

Gods bedoeling

Wanneer Jozef tenslotte aan zijn broers vertelt wie hij is, schrikken ze vreselijk (Genesis 45:1-15). Ze zijn bang dat hij nu wraak op hen zal nemen. Maar Jozef maakt hun duidelijk dat ze niet bang hoeven te zijn. God heeft hun misdaad willen gebruiken bij het uitvoeren van zijn plan: Hij wilde zijn toekomstige volk redden van de hongerdood (Genesis 50:20) . Wanneer God dat heeft gedaan, zou Jozef zich dan op zijn broers mogen wreken?

Jozefs hele familie mag in Egypte komen wonen (Genesis 45:16-20). De farao geeft hun een vruchtbaar, apart gelegen stuk land in de buurt van de rivier de Nijl (Genesis 47:5-6). Op die manier redt God zijn toekomstige volk niet alleen van de hongerdood, maar redt Hij het ook uit de gevaarlijke omgeving waarin het woont. In Kanaän waren de nakomelingen van Jakob voortdurend in de verleiding om andere goden te gaan vereren of om te trouwen met mannen of vrouwen die andere goden dienden. In dit afgezonderde stuk land is die verleiding een stuk minder groot.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 45:1-15, Genesis 50:20, Genesis 45:16-20, Genesis 47:5-6

Onderdrukking

In Egypte groeit Jakobs gezin in enkele eeuwen tijd uit tot een groot volk. Het volk wordt ‘Israël’ genoemd, naar de naam die Jakob eens van God gekregen had (Genesis 32:28).
Na vele jaren komt er in Egypte een farao aan de macht die Jozef niet gekend heeft (Exodus 1:8-22). Hij maakt zich zorgen over de grootte van het volk Israël. Hij is bang dat de Israëlieten de Egyptenaren nog eens zullen verdrijven uit hun eigen land. Hij neemt harde maatregelen om dat te voorkomen. Hij maakt alle Israëlitische mannen tot slaven en laat ze zware dwangarbeid verrichten. Bovendien geeft hij het bevel dat alle pasgeboren Israëlitische jongetjes gedood moeten worden. Hij rekent erop dat het volk zo wel zal uitsterven.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Genesis 32:28, Exodus 1:8-22

Mozes

Lezen: Exodus 2:1-10

2:1 uit de stam Levi: de man is een afstammeling van Jakobs zoon Levi.

2:6 Hebreeuws: betekent hier ‘Israëlitisch’.

Wanneer een Israëlitisch man en vrouw een zoontje krijgen, zijn ze verplicht dat in de rivier de Nijl te verdrinken (Exodus 1:22). Wanneer zij het niet doen, zorgen de Egyptenaren er wel voor dat het gebeurt. Maar dit echtpaar slaagt erin hun zoontje drie maanden lang verborgen te houden. Wanneer dat niet langer mogelijk is, leggen ze hem in een waterdicht gemaakt mandje te vondeling in de rivier.

Wanneer een Egyptische prinses het mandje vindt en de baby ziet, krijgt ze medelijden. Ze besluit het jongetje te adopteren. Maar hoe moet ze hem voeden? Een meisje biedt aan haar moeder te halen – zij zou het kind een paar jaar lang borstvoeding kunnen geven. De prinses stemt toe. Zo mag het jongetje de eerste jaren thuis opgroeien.
Wanneer hij een paar jaar oud is, brengt zijn moeder hem naar het paleis. Daar wordt hij geadopteerd door de dochter van de farao. Ze noemt hem Mozes.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 2:1-10 2:1, Exodus 1:22

Filmpje: Prince of Egypt

Mozes’ vlucht

Mozes blijft tot zijn veertigste jaar aan het Egyptische hof (Handelingen 7:22-23). Hij krijgt er een zeer gedegen opleiding. Maar ondanks zijn Egyptische opvoeding kiest hij, wanneer hij volwassen geworden is, toch voor zijn eigen volk. En daarmee kiest hij ook voor de God van zijn volk.
Dat hij voor zijn eigen volk kiest, komt aan het licht wanneer hij een Egyptische slavendrijver een Israëliet ziet neerslaan. Mozes wordt zo woedend dat hij de Egyptenaar doodt. Wanneer de farao hoort wat Mozes gedaan heeft, wil hij hem laten doden. Maar Mozes weet te ontkomen. Hij vlucht naar het land Midjan. In Midjan ontmoet hij een vrouw met wie hij trouwt. In de volgende veertig jaar werkt Mozes voor zijn schoonvader als veehoeder (Handelingen 7:30).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 2:11-22, Handelingen 7:22-23, Handelingen 7:30

Mozes’ taak

Lezen: Exodus 2:23-3:14

3:1 de berg van God: op de berg Horeb (of zoals hij ook genoemd wordt: Sinaï) heeft God later wetten aan Israël gegeven (zie Exodus 19-20, zie kaart 4 in de Wegwijzer). Daarom wordt de berg hier al ‘berg van God’ genoemd.

In de veertig jaar dat Mozes in Midjan woont, is de situatie er voor de Israëlieten niet beter op geworden. Ze schreeuwen tot God om hulp. God blijft niet koud onder hun hulpgeroep. Hij denkt aan het verbond dat Hij gesloten heeft. Hij heeft aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd dat hun nakomelingen Kanaän zouden bezitten. Die belofte gaat Hij nu inlossen.

Terwijl Mozes de kudde van zijn schoonvader aan het hoeden is, ziet hij iets vreemds: een braamstruik die in brand staat, maar niet verdort. Dat het de engel van de HERE – God zelf – is die op die manier aan hem verschijnt, is hem nog niet meteen duidelijk. Hij loopt naar de struik toe. Maar dan spreekt God tot hem. Hij waarschuwt Mozes niet dichterbij te komen en Hij draagt hem op zijn vuile schoenen uit te doen. Dat laatste is een teken van het feit dat Mozes God niet zomaar onder ogen kan komen. Hij moet als het ware schoon voor God komen te staan.
God geeft Mozes de opdracht de Israëlieten uit Egypte naar Kanaän te brengen. Mozes moet de farao overhalen om Israël te laten vertrekken. Bij voorbaat staat al vast dat Mozes in zijn opdracht zal slagen. God garandeert hem dat hij samen met het volk God zal danken en eren bij de berg waar hij nu is (Exodus 3:12).

Mozes vraagt aan God: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: ‘Wat is de naam van die God?’ Wat moet ik dan zeggen?’ (Exodus 3:13)
Op het eerste gezicht is dit een vreemde vraag. De Israëlieten kennen God toch! Maar deze vraag is minder vreemd dan hij lijkt. In de tijd van Mozes waren namen veel belangrijker dan tegenwoordig. Een naam

gaf aan wat voor persoon iemand was. Als Mozes vraagt naar Gods naam, vraagt hij eigenlijk: ‘Wat kunnen we van u verwachten’?
God vertelt Mozes dan wat zijn naam is: Jahwe (Exodus 3:14). Die naam – die in de Nieuwe Vertaling wordt weergegeven met de HERE – is geen nieuwe naam. We zijn deze naam ook in het eerste bijbelboek al tegengekomen. Maar God maakt nu de volle betekenis van deze naam bekend. Met de naam Jahwe wil Hij zeggen: ‘Ik zal er zijn’. Dat betekent:

  • Ik verander niet. Je kunt op Mij aan.
  • Ik ben trouw: Ik doe wat ik beloofd heb.
  • Ik ben er voor jou: Ik red je.

De naam Jahwe is dus een samenvatting van wie God is voor zijn volk: de betrouwbare, reddende God.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Exodus 2:23-3:14, Exodus 3:12, Exodus 3:13, Exodus 3:14

Filmpje: Ik zal er zijn

Vragen

  1. Israël in Egypte
    1. Wat was de aanleiding voor Jakobs gezin om naar Egypte te verhuizen?
    2. Waarom leidde God de gebeurtenissen zo dat Jakobs gezin gedwongen was naar Egypte te verhuizen?
  2. Genesis 49:29-32 en Genesis 50:12-14.
    1. Waar is Jakob begraven?
      49:29 Ik word met mijn voorouders verenigd: ik ga sterven .
    2. Waarom zou hij dat gewild hebben?
  3. Wat heeft Genesis 3:15 te maken met dat wat er in Exodus 1 gebeurt?

Deel 9C: Opgevaren naar de hemel

In dit deel gaat het over het zesde artikel van de apostolische geloofsbelijdenis. Daarin wordt gezegd dat Jezus is ‘opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.’

De hemelvaart

Jezus Christus heeft de dood overwonnen. Toen Hij opstond uit het graf, had Hij een lichaam dat niet langer sterfelijk was. Dat betekent dat Hij nog steeds leeft. Maar waarom kunnen wij Hem dan nu, bijna tweeduizend jaar later, niet gewoon ontmoeten? Dat is omdat Hij niet meer op aarde woont. Veertig dagen nadat Hij was opgestaan uit de dood, is de Zoon van God teruggegaan naar de plaats waar Hij vandaan kwam: de hemel. De geloofsbelijdenis drukt dat uit met de woorden: ‘opgevaren naar de hemel’.
Nadat Jezus was opgestaan uit de dood, hebben veel van zijn volgelingen Hem in levenden lijve mogen terugzien (Johannes 20-21). Veel mensen hebben met Hem kunnen praten, met Hem gegeten, en Hem kunnen aanraken (1 Korintiers 15:5-8). Al die mensen – meer dan vijfhonderd – waren getuigen van het feit dat Jezus weer leefde en dat Hij het écht was (zie Deel 20B).

Jezus leefde dus echt. Maar het was niet Gods bedoeling dat Jezus na zijn opstanding zijn oude werk weer zou oppakken alsof er nooit iets gebeurd was. Zijn volgelingen hadden dat natuurlijk wel graag gewild. Ze waren heel blij dat ze Jezus terug hadden, en ze wilden Hem niet meer kwijt. Maar meteen nadat Hij was opgestaan uit het graf, had Jezus al gezegd:

‘Houd mij niet vast! (…) Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader’
(Johannes 20:17)

De taak waarvoor Jezus naar de aarde was gekomen, was afgerond. Jezus had zijn opdracht helemaal uitgevoerd. Zijn lichamelijke aanwezigheid was op aarde niet langer vereist. Hij was nu ergens anders nodig. Daarom verliet Hij zijn volgelingen, nadat Hij hen ervan had overtuigd dat Hij echt leefde, en nadat Hij hun de laatste instructies had gegeven. Terwijl zijn elf speciale leerlingen erbij waren, steeg Jezus op. Naar de hemel (Handelingen 1:9-11). Zijn leerlingen keken verbaasd toe hoe Hij vertrok. Ze zagen niet waar Hij heenging. Al snel schoof er een wolk tussen hen en Jezus in.
De leerlingen bleven naar boven kijken. Maar ze hoefden zich niet lang af te vragen waar Jezus gebleven was. Plotseling stonden er twee mannen met witte kleren aan naast hen: engelen. Jezus had hen als boodschappers naar zijn leerlingen toegestuurd. De engelen vroegen aan de leerlingen: ‘Waarom staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus is van jullie weggenomen en naar de hemel gegaan. Maar op dezelfde manier als Hij is weggegaan, zal Hij op een dag terugkomen naar de aarde.’

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 20-21, 1 Korintiers 15:5-8, Johannes 20:17, Handelingen 1:9-11

Getuigen

Dat Jezus op deze manier naar de hemel is gegaan, is een groot wonder. Veel mensen vinden deze geschiedenis ongeloofwaardig. Jezus wordt wel spottend ‘de eerste ruimtevaarder’ genoemd. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat de hemelvaart niet heeft plaatsgevonden. Elf mensen waren getuige van het feit dat Jezus levend en wel de aarde verliet. Waar Hij naar toeging, zagen ze niet. Maar twee engelen konden hun uit de eerste hand vertellen waar Jezus was heengegaan. Zij waren getuige geweest van zijn aankomst in de hemel.

God weet dat het voor ons soms moeilijk is om te geloven. Daarom heeft Hij altijd voor ooggetuigen gezorgd. Bij alles wat er met Jezus gebeurde. Bij Jezus’ dood bijvoorbeeld waren veel mensen aanwezig. Dat Hij echt gestorven is, staat onomstotelijk vast (Johannnes 19:33). Veel mensen waren er getuige van. Maar dat Hij een paar dagen daarna weer tot leven is gekomen, staat óók vast (Lucas 24:13-43). Mensen hebben Hem gezien, hebben zijn lichaam aangeraakt, en hebben samen met Hem gegeten. En nu zorgt God ook bij de hemelvaart van zijn Zoon voor getuigen. Zodat het ook voor ons vast mag staan: Jezus is werkelijk opgestegen van de aarde en naar de hemel gegaan.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Johannes 19:33, Lucas 24:13-43

De hemelvaart: een triomftocht

De hemelvaart was voor Jezus een heel bijzondere gebeurtenis. Hij, Gods Zoon, had zich diep moeten vernederen om ons te kunnen redden. Hij had zwaar moeten lijden en had zelfs moeten sterven. Maar nu mocht Hij terug naar zijn Vader. Zijn Vader nam Hem bij zich. De hemelvaart was een feestelijke gebeurtenis, een passende beloning op het werk dat Jezus gedaan had. Met de hemelvaart werd Jezus door zijn Vader in ere hersteld. De bijbelschrijver Paulus vergelijkt de hemelvaart van Jezus met de triomftocht van een koning (Efeziers 4:8). Jezus had op aarde een strijd gevoerd. Terwijl Hij machteloos aan het kruis hing, had Hij dat gedaan waartoe geen mens ooit in staat was geweest: Hij had ‘machten en krachten’ ontwapend en overwonnen (Kolossenzen 2:15). Dat wil zeggen: Hij had de satan en zijn dienaars verslagen (Hebreeen 2:14).
Op Jezus’ overwinning volgde een triomftocht, waarbij de satan en zijn dienaars als krijgsgevangenen werden meegevoerd (Efeziers 4:8-12). Paulus vertelt dat Jezus bij zijn triomftocht naar de hemel geschenken aan de mensen uitdeelde. Hij gaf ze apostelen

, profeten, evangelisten, herders en leraren: mensen die de gave hadden om anderen over Hem te vertellen, mensen die hun medechristenen verder konden brengen in het geloof. Jezus zorgde er dus voor dat zijn volgelingen op aarde verder konden, ook al ging Hij weg. Hij zorgde ervoor dat het reddingswerk van God niet stil kwam te liggen, maar dat het juist in volle kracht verder zou kunnen gaan.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Efeziers 4:8, Kolossenzen 2:15, Hebreeen 2:14, Efeziers 4:8-12

Jezus zit aan Gods rechterhand

Na zijn hemelvaart mag Jezus plaatsnemen aan de rechterhand van God (Psalm 110). Dat betekent dat Hij een ereplaats krijgt naast zijn Vader.
Maar dat Jezus aan Gods rechterhand mag zitten, betekent nog meer (Efeziers 1:20-23). Het houdt ook in dat Jezus in de hemel een machtspositie krijgt.
God de Vader, de koning van hemel en aarde, regeert over alles wat er bestaat. Maar na de hemelvaart krijgt Jezus een belangrijke taak bij die regering. Hij wordt koning naast zijn Vader (Openbaring 1:5). Hij krijgt van zijn Vader onbeperkte macht over de hemel en de aarde, en mag namens Hem regeren (Matteus 28:18). Je kunt het ook zo zeggen: sinds de hemelvaart regeert God de Vader door middel van zijn Zoon.
Jezus is dus niet naar de hemel gegaan om daar op zijn lauweren te rusten. Hij is erheen gegaan om daar zijn werk voort te zetten. De hemel is het regeringscentrum van waaruit Jezus hemel en aarde bestuurt, en de geschiedenis leidt naar het moment dat Hij op de aarde zal terugkomen.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Psalm 110, Efeziers 1:20-23, Openbaring 1:5, Matteus 28:18

Wat hebben wij aan de hemelvaart?

Wat merken wij ervan dat Jezus in de hemel is? Wat hebben wij aan de hemelvaart?
De bijbel laat ons zien dat het feit dat Jezus naar de hemel is gegaan, voor ons van grote betekenis is. Enkele redenen waarom wij blij kunnen zijn met de hemelvaart:

  • Jezus kan ons in de hemel verdedigen.
  • Jezus’ hemelvaart geeft ons de garantie dat ook wijzelf naar de hemel zullen gaan.
  • Jezus stuurt ons vanuit de hemel de Heilige Geest.

 

We gaan deze drie punten hieronder een voor een bij langs.

Jezus verdedigt ons

Iemand die voor de rechtbank moet verschijnen omdat hij een misdaad heeft begaan, kan zich laten verdedigen door een advocaat. Zo’n advocaat zal er alles aan doen om te voorkomen dat zijn cliënt gestraft wordt. Hij zal bijvoorbeeld verzachtende omstandigheden aanvoeren, om het begrijpelijker te maken dat zijn cliënt een bepaalde misdaad heeft begaan. Of hij probeert aan te tonen dat zijn cliënt deze misdaad onmogelijk gepleegd kan hebben.

Voor God gelden alle mensen als misdadigers. Hoe netjes ze voor het oog ook leven. Iedereen verdient de doodstraf. Maar wie in Jezus Christus gelooft, heeft een geweldige advocaat: Jezus zelf. Hij pleit voor ons bij zijn Vader. Hij verdedigt ons.

‘ Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons’.
(Romeinen 8:34)

Het is natuurlijk niet zo dat Jezus tegen zijn Vader zegt dat wij een bepaalde zonde niet begaan hebben. En Hij voert ook geen verzachtende omstandigheden aan. Hij zegt niet tegen zijn Vader: ‘Deze man heeft zo’n moeilijke jeugd gehad, dat het wel te verwachten was dat hij deze zonde zou begaan.’
Nee. Jezus ontkent de ernst van onze zonden niet. En Hij ontkent ook onze schuld niet. Maar Hij wijst zijn Vader op zijn eigen werk. Hij heeft door zijn lijden en sterven betaald voor onze zonden. Hij is gestraft voor onze schuld. Daarom kan God ons vrijspreken.

‘Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons , maar voor de zonden van de hele wereld.’
(1 Johannes 2:1-2)

Het is voor ons dus van groot belang dat Jezus Christus nu in de hemel is. Wie gelooft, heeft in de hemel de beste ‘voorspraak’, de beste advocaat die iemand zich zou kunnen bedenken. Zijn verdediging leidt altijd tot vrijspraak. Dat betekent niet dat God niemand zal veroordelen. De bijbel is er duidelijk over: iedereen in de wereld kan vrijspraak krijgen. Maar die vrijspraak krijgt een mens alleen als hij zijn toevlucht bij Jezus Christus zoekt:

‘Over wie in hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods enige Zoon.’
(Johannes 3:18)

Tekstverwijzingen en citaten uit: Romeinen 8:34, 1 Johannes 2:1-2, Johannes 3:18

Jezus’ hemelvaart is een garantie voor ons

De band tussen Jezus Christus en de mensen die in Hem geloven, is heel sterk. In de bijbel wordt de verhouding tussen Christus en de kerk vergeleken met de band tussen een hoofd en een lichaam (Kolossenzen 1:18). Een hoofd en een lichaam horen bij elkaar. Ze vormen een onverbreekbare eenheid. Op dezelfde manier horen Jezus Christus en de mensen die in Hem geloven bij elkaar. Jezus is als het ware het hoofd; en de kerk is zijn lichaam.
Jezus Christus kán dus niet zonder zijn kerk. Dat blijkt wel uit deze vergelijking. Voor de mensen die in Hem geloven is dat een grote troost. Jezus is dan wel naar de hemel gegaan – maar dat betekent niet dat ze Hem voorgoed kwijt zijn. Integendeel. Hij, het hoofd, hoort bij zijn lichaam. Het feit dat Jezus naar de hemel is gegaan, geeft de gelovigen de garantie dat ook zij eens naar de hemel zullen mogen gaan.

Vlak voordat Jezus gevangen werd genomen, heeft Hij nog uitgebreid met zijn volgelingen gesproken. Hij heeft tegen ze gezegd dat ze niet ongerust hoefden te zijn wanneer Hij er niet meer was:

‘In het huis van mijn Vader zijn veel kamers zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken? Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met me mee- nemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben..’
(Johannes 14:2-3).

Jezus zorgt er dus voor dat er in de hemel plaats is voor degenen die in Hem geloven (Filippenzen 1:23). Iedereen die in Hem gelooft, mag na zijn sterven bij Hem in de hemel wonen. Want wie in Jezus gelooft, hoort bij Hem.

Tekstverwijzingen en citaten uit: Kolossenzen 1:18, Johannes 14:2-3, Filippenzen 1:23

Jezus stuurt ons de Heilige Geest

We zagen eerder in dit deel dat Jezus bij zijn hemelvaart geschenken uitdeelde. Over het grootste geschenk dat Jezus gaf, hebben we het nog niet gehad: Jezus heeft vanuit de hemel de Heilige Geest naar zijn volgelingen toegestuurd (Handelingen 2). Tijdens de toespraak die Jezus tot zijn leerlingen hield vóór Hij gevangen genomen werd, kondigde Hij dat al aan:

‘Werkelijk, het is goed voor jullie dat ik ga, want als ik niet ga zal de pleitbezorger niet bij jullie komen, maar als ik weg ben, zal ik hem jullie zenden.’
(Johannes 16:7)

Uit de woorden van Jezus blijkt: we zijn beter af nu Hij naar de hemel is gegaan. Want omdat Hij naar de hemel is gegaan, kon Hij de Heilige Geest naar ons toesturen. De Heilige Geest (die hier ‘de Trooster’ wordt genoemd) is kort na Jezus’ hemelvaart naar de aarde gekomen, en Hij is er nog steeds. Hij zal ons nooit verlaten (zie Deel 11C en 12C).

Tekstverwijzingen en citaten uit: Handelingen 2, Johannes 16:7

Filmpje: Hemelvaart en Pinksteren

Vragen

  1. Waarom is Jezus na zijn opstanding niet op aarde gebleven?
  2. Wat betekent het dat Jezus in de hemel aan Gods rechterhand zit?
  3. Jezus is onze advocaat. Kun je uitleggen wat daarmee bedoeld wordt?