LEZEN: Marcus 4:3-9
Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. De zaaier zaait het woord. Marcus 4:3 en 14
Heb je weleens een boer zien zaaien? Hij koppelt de zaaimachine achter de tractor en vult die met zaad. Hij stelt die zaaimachine nauwkeurig in, want hij heeft precies uitgerekend hoeveel zaad hij nodig heeft voor het stuk land dat hij wil inzaaien. Hij zorgt dat er niet te veel en niet te weinig zaad in de akker komt. Zaaizaad is te duur om te verspillen.
De Here Jezus gebruikt het beeld van de zaaiende boeren. Zij deden het in die tijd wel heel anders. Ze liepen over het land met een zak graan. Met de hand strooiden ze het uit over het land. Uit ervaring wisten ze dat je niet zuinig moest zijn met zaaizaad. Er ging immers veel verloren. Het zou verkeerde zuinigheid zijn om zo weinig mogelijk te zaaien. Als je een rijke oogst wilde binnenhalen, moest je het ervoor overhebben royaal te zijn met het zaad. Psalm 126 zingt zelfs over ‘zaaien met tranen’ (vers 5). De boer is extra zuinig geweest met zijn graan en heeft misschien wel honger geleden om nu royaal te kunnen zaaien.
Met zo’n oosterse zaaier vergelijkt de Here Jezus zijn Vader. In de ogen van de moderne boer is het een onverstandige zaaier. Maar in werkelijkheid hebben we hier met een goede boer te doen. Hij heeft er veel voor over om straks een goede oogst binnen te halen.
Zo zaait God het woord. Hij weet dat Hij veel moet zaaien om straks te kunnen oogsten. Hij geeft volop mogelijkheden om Hem en zijn woord te leren kennen. Hij weet immers hoeveel wij ongebruikt laten liggen.
Denk er eens over na hoeveel mogelijkheden je ongebruikt laat om God beter te leren kennen.
Zingen: Psalm 126:3 – Liedboek 316:1, 3, 6

